Schrijver Hart, Maarten 't
Titel Kroongetuige, De
Jaar
van uitgave 1983Bron Vrij Nederland
Publicatiedatum 29-01-1983
Recensent Carel Peeters
Recensietitel Een detective met ambities
Het schrijverschap van Maarten't Hart is een hybride. Het is opgebouwd uit ongelijke elementen: het is sentimenteel en provocatief, dromerig en realistisch, week en bikkelhard. Soms schrijft hij dialogen die afkomstig zijn van het amateurtoneel, maar hij kan ook iemand laten praten alsof hij naast je staat. Ffij kan zinnen schrijven die het werk zijn van een aankomend leerling voor het toelatingsexamen van de cursus Creatief Schrijven, gevolgd door zinnen waar Jeroen Brouwers zich niet voor zou schamen. 't Hart kan citaten uit het werk van anderen schrijven of dichters door zijn proza vlechten als iemand die, na mislukt te zijn in de macramé, het eens bij de Textiele Werkvormen probeert. Ifij schrijft zowel knullig, geroutineerd als origineel. De emoties die hij wil oproepen zijn soms geleend van het atelier van Madame Tussaud, op andere momenten van een onontkoombare echtheid. Zijn thematiek - wat heeft hij te vertellen? - kan van een irritante gezochtheid, maar ook authentiek zi n. De plots van zijn romans en verhalen rammelen nogal eens als een skelet in de wind, maar toch bouwt hij er een roman of verhaal mee dat niet al te zeer wankelt.
In de detectiveachtige roman De kroongetuige komen al deze ongelijke elementen weer samen, als tijdens een reünie, want ze waren eerder bij elkaar in 't Harts vorige roman De droomkoningin en in de verhalenbundel De zaterdagvliegers. Als detective zit De kroongetuige goed in elkaar. 't Hart schetst de verdwijning van een meisje en zorgt direct voor de nodige suggestieve verdenkingen die lang standhouden en van tijd tot tijd worden aangewakkerd op een manier waaruit blikt dat hij de touwtjes voortdurend in handen heeft en ze elk moment kan gebruiken. ltj heeft duidelijk greep op de plot en overzicht over zijn mogelijkheden. Jammer alleen dat hij daarvoor de werkelijkheid geweld moet aandoen. Nfisschien is dat wel nonnaal in detectiveromans, maar mij komt het heel vreemd over; het is alsof iemand beweert dat hij de Tour de France gewonnen heeft op een fiets met één wiel. Maar een gewone detective is het niet. 't Hart heeft in De kroon-getuige ruimere ambities: hij wil de verhouding tussen een man en een vrouw schetsen, een beeld geven van hun karakter en gedachtenleven en dit ten opzichte van andere personages die ook hun leven en karakter hebben. Actuele maatschappelijke en persoonlijke problemen komen daarbij eveneens aan de orde: jaloezie, kinderen, overspel, trauma's, levensfilosofie, feminisme, abortus, geloof, de bom, Nietzsche. Bovendien zet't Hart de lezer enkele keren op het verkeerde been, al is het niet altijd zeker of hij dat bewust heeft gedaan, gezien de consequenties die het heeft.
De kroongetuige bestaat uit vijf delen. Het eerste hoofdstuk wordt verteld door de ik-figuur Thomas Kuyper, het tweede is een briefwisseling tussen Thomas en zijn vrouw Leonie, vanuit het Huis van Bewaring waarin Thomas is ingesloten. In het derde hoofdstuk verandert het
perspectief, want het bestaat uit het dagboek van Leonie. Het vierde beschrijft vanuit Leonie het proces en het laatste hoofdstuk de afwikkeling. Thomas Kuyper wordt gearresteerd omdat er een meisje verdwenen is dat hij het laatste heeft gezien. In de week dat zijn vrouw bij haar moeder logeerde om een gynaecoloog te bezoeken had hij elke avond met haar doorgebracht. De roman begint op de laatste avond, wanneer ze ver na middernacht een café verlaten. Hij wil dat ze met hem mee naar huis gaat. Zij voelt daar niets voor en ze maken ruzie. In ruzieachtige stemming loopt ze van hem weg, gadegeslagen door Thomas en andere bezoekers die het café verlaten. Of Thomas Kuyper uiteindelijk wel of niet iets met haar verdwijning te maken zal blijken te hebben zal ik hier niet onthullen, maar wel kan ik zeggen dat't Hart in het begin op geraffineerde manier met verdenkingen strooit. Zo beschrijft hij een avond met het meisje, Jenny, waaruit niet duidelijk wordt of het die bewuste laatste avond is of een andere. FEj heeft het zelfs over de plaats 'waar het gebeurde', maar vertelt niet wát er dan gebeurde. De dagen na het bekend worden van de verdwijning is hij zenuwachtig, afwezig en stuurs. Hij wordt gearresteerd als iemand heeft verteld dat hij die bewuste nacht samen met Jenny is gezien bij het binnengaan van het laboratorium waar hij als fármacoloog experimenten doet met ratten. Het experiment met de ratten bestaat eruit dat hij ze gedurende vier of vijf dagen laat verhongeren om te zien of ze elkaar dan gaan opeten. Thomas wil een stoije vinden dat ze tot kannibalisme aanzet, alles ten behoeve van de rattenbestrijding. Op de ochtend van Jenny's verdwijning liggen de ratten verzadigd in hun kooi en ze zijn er allemaal nog. Inspecteur Lambert en zijn knecht Meuldijk die Thomas ondervragen krijgen zo hun vennoedens, die nog versterkt worden als in de loop van het verhaal bloedsporen op zijn kleren worden gevonden en bovendien de kleren van Jenny in het laboratorium te voorschijn komen. De problemen met de plot van De kroongetuige beginnen als Thomas wordt gearresteerd en tijdens het onderzoek geen mond meer opendoet. Hij laat het bij zijn verklaring dat hij die nacht gewoon naar huis is gelopen. Dan blijkt dat hij geen bezoek mag ontvangen. Ook mag hij geen kranten lezen en maar twee brieven schrijven. Deze gang van zaken is heel ongebruikelijk in de Nederlandse rechtspleging: elke verdachte kan na verloop van een dag of twee bezoek ontvangen van zijn verwanten en het lezen van kranten is, zover mijn informaties strekken, toegestaan, evenals het schrijven van brieven. Deze afsluiting van de buitenwereld blijft de hele roman door vreemd. 't Hart heeft deze kunstgreep nodig om Thomas' vrouw Leonie de ruimte te geven: zij gaat zelf op onderzoek uit en doet daarvan verslag in een 'dagboek'. De lezer verbaast er zich aanvankelijk over dat de twee brieven van Leonie aan Thomas geen enkel verwijt noch verbazing bevatten over wat hem wordt aangerekend. Zij is daarin de hefliebbende echtgenote door dik en dun die in zijn onschuld gelooft en de flirt met Jenny bagatelliseert. In haar dagboek schrijft ze later dat deze toon gemaakt optimistisch was. Iets dergelijks doet't Hart met de eerste zin van het boek, een hoogdravend exclamatie over het wezen van het leven, waarbij de lezer denkt: nou, nou, kan het wat minder? Even later begint men te begrijpen dat die uitspraak gedaan werd door iemand die te veel heeft gedronken. En hij doet het nog een keer: in zijn brief aan Leonie verteld Thomas dat hij niet door Jenny zelf werd aangetrokken, maar door haar spiegelbeeld dat hij elke avond bekeek in de ramen van de Openbare Bibliotheek waar zij werkte. Hij ging er elke avond boeken lenen en terugbrengen:
'in spiegelbeeld riep ze het gevoel in mij op dat ik haar altijd al had gezien, dat ze een herinnering was van heel vroeger, een herinnering zonder datum, een herinnering van voor de tijd van mijn bestaan.'
Deze diepe gevoelens worden door Lconie in haar dagboek nuchter bekeken:
'Waarom vond Thomas het in zijn eerste brief nodig mij een literair verhaal te vertellen over een
spiegelbeeld ?'
Elke lezer zal gedacht hebben dat Thomas iets heel bijzonders over zijn verhouding tot vrouwen schreef en ook iets dat voor het begrijpen van het verhaal van wezenlijk belang zou worden. Het uitkijken naar de ideale vrouw is ook geen ongebruikelijk thema bij 't Hart. Er wordt echter niet op teruggekomen, de aantrekkelijkheden van Jenny lagen op een ander vlak. Die hebben te maken met het feit dat ze eenvoudig een totaal andere vrouw is:
'de degelijke, milde en in de grond blijmoedige'Leonie tegenover de'grillige en prikkelbare'
Jenny,
een tegenstelling die is te vergelijken met die tussen Renske en Angela in De droomkoningin. Bovendien heeft Thomas van Jenny gehoord dat ze twee keer een abortus heeft gehad en dat is iets dat hem interesseerd. Op de achtergrond van alle verwikkelingen zweeft een treurig conflict tussen Leonie en Thomas: ze kan geen kinderen krijgen. Tijdens haar onderzoek komt Leonie ook in het Vrouwenhuis, waar Jenny vaak kwam.
Vrouwenhuis
De gesprekken die ze met de vrouwen daar voert hebben een gewicht voor de roman dat niet te onderschatten is. Ze tonen't Hart op zijn sentimenteelst en provocerends. Het gesprek komt op de postnatale depressie. Als de Vrouwenhuis-vrouwen daar hun zegje over doen komt Leonie met het verhaal dat zij helemaal geen kinderen kan krijgen. De toon is: wat mekkeren die vrouwen toch, kijk naar deze vrouw, die kan helemaal geen kinderen krijgen. 't Hart brengt hier twee zaken bij elkaar die, hoe triest ook, niets met elkaar van doen hebben. Er wordt gesuggereerd dat de postnatale depressie en de abortus luxe-aangelegenheid zijn en het hebben van kinderen wordt door de vrouwen beschouwd als iets 'dat je van jongsaf wordt aangepraat'. In deze gesprekken worden vrouwen die zich druk maken om de postnatale depressie en voor abortus zijn uitgespeeld tegen vrouwen die geen kinderen kunnen krijgen. Een tegenstelling die uit de lucht is gegrepen. Bovendien staat er ergens dat Thomas van Jenny begrepen heeft dat vrouwen die een abortus hebben gehad er altijd een schuldgevoel aan zullen overhouden. Deze misselijke vermenging van twee zaken die niets met elkaar te doen hebben gaat gepaard met een monoloog van Leonie waarin zij vertelt waarom ze zelf kinderen zou willen. Wat zij verteld is heel plausibel:
'Ik wil ze graag hebben omdat ik denk dat het leven de som is van alle doorstane echte ervaringen, en van alle soorten van ervaring is het krijgen en hebben en zien opgroeien van je eigen kinderen misschien wel de alleressentieelste.'
Maar het heeft niets te maken met abortus of met iets als de postnatale depressie. 't Hart is op her rabiate af in de bladzijden over Leonie's bezoek aan het Vrouwenhuis; hij laat er zelfs Turkse vrouwen de afwas doen. Tijdens haar tocht langs de mensen en plaatsen die iets met de verdwijning van Jenny te maken zouden kunnen hebben vindt Leonie belastend materiaal tegen Thomas' onschuld, maar ze houdt het voor zichzelf. Een filmpje, een vrouw op sterk water in het laboratorium en verklaringen van cafébezoekers over Thomas en Jenny wakkeren haar argwaan en jaloezie aan. Ze doet kleine ontdekkingen die de verdenking uitbreiden naar de inspecteur Lambert, naar een vriend van Jenny, een advocaat; ze bedient zich van nauwkeurige observatie en stelt cafébezoekers vragen die tot het hoofdstuk 'kunstgrepen' behoren. 't Hart stelt de ontknoping lang uit en komt het laatste kwart van de roman nog met nieuwe gegevens die de nieuwsgierigheid gaande houden. Zonder iets essentieels over de ontknoping te onthullen kan worden gezegd dat 'de kroongetuige' uit de titel het kind is dat Leonie en Thomas niet hebben kunnen krijgen. Ook Leonie zelf is, op een andere manier, een kroongetuige. 't Hart heeft het
verhaal gelardeerd met steeds terugkerende details die iets suggereren, zoals de witte laarsjes van Jenny, de stropdas van inspecteur Lambert, de knechtenrol van Meuldijk, de opera Otello van Verdi en venijnige steken over verspilling van geld aan de universiteit. Leonie laat hij bang zijn voor spinnen en de indruk wordt gewekt dat dat iets te maken heeft met haar kinderloosheid: ooit was haar een eng verhaal verteld over een vrouw die in een spin veranderde. Ook de overgebleven blaadjes in theekopjes spelen een rol. Al dit raffinement moet het opnemen tegen het gat in de plot (Thomas afgesloten van contact met de buitenwereld), tegen de plantkundelessen die de lezer krijgt, de citaten uit liederen, gedichten en opera's die zowel bij Thomas en Leonie zomaar opkomen, tegen krukkige dialogen, heilige coïncidenties, zoals het gedicht van Leigh Hunt over een andere Jenny die hij gekust heeft. Vooral in het eerste hoofdstuk blijkt 't Hart nog steeds niet met de innerlijke monoloog overweg te kunnen, zodat we staaltjes van zijn uiterlijke monoloog krijgen die steeds beginnen met
'Overwoog ik', of 'ging door niij heen', of, 'mompelde ik' of 'dacht ik'.
Nog steeds heeft niemand dilettantische betrekkelijke bijzinnen van 't Hart gecorrigeerd, dus beginnen ze nog steeds met 'welke', alsof 'die' niet bestaat. Als hij 'die' gebruikt gaat het mis. In dialogen wordt herhaaldelijk 'wacht' gezegd, iets dat men nooit zegt, behalve in de boeken van 't Hart. Onheilspellend zijn zo langzamerhand de puntjes in de dialogen als iemand zijn zin niet durft af te maken. 't Hart gebruikt in één zin vaak zowel 'want' als 'omdat', een verklaringswoede die nergens voor nodig is. Het woordje 'ja' aan het begin van een antwoord is bij 't Hart meestal overbodig, evenals 'Nu', als iemand iets begint uit te leggen.
Kinderen
Bepalingen van plaats, aard en hoeveelheid staan bij 't Hart veel te vaak aan het begin van een zin. 't Hart houdt vaak een pleidooi voor dialogen in romans, maar de gesprekken die hij in De kroongetuige laat voeren zijn vaak knullig en dilettantistisch. Iets anders waar hij veel waarde aan hecht, dat de verschillende karakters in een roman ook verschillend spreken, lukt hem in De kroongetuige daarentegen wonderwel. De taal die hij inspecteur Lambert, de advocaten tijdens het proces, de buurvrouw van Jenny's vriend Robert, haar vriendin Arianne, de advocaat Robert zelf en vele andere laat spreken behoort tot het betere proza in de roman. Een veel algemener bezwaar tegen De kroongetuige is dat de essentie van de roman niij koud laat. 't Hart probeert de gevoelens en gedachten op te roepen van iemand die graag kinderen wil en ze niet an krijgen. Het komt veel ter sprake en Leonie is er dagelijks mee bezig, maar het blijven woorden. Er komen twee kinderen in De kroongetuige voor: een op het schilderij Le tóton van Chardin dat Leonie zich herinnert in het Louvre gezien te hebben en dat haar hevig ontroerde, en de kleinzoon van de man die Thomas op de bewuste nacht het laboratorium binnen zag gaan. Dat is te weinig om zulke fundamentele gevoelens mee te verbinden en daardoor blijft het iets abstracts waar Leonie naar verlangt. Zij denkt over kinderen als iets dat tot het leven behoort, als een onderdeel van het pakket zorgen dat een mens moet hebben gehad, niet als iets afzonderlijks. De verhouding Leonie/Thomas blijft eveneens schimmig en abstract. Wat hen aan elkaar bindt is iets dat ook in De droomkoningin uiteindelijk de essentie was: trouw en loyaliteit door dik en dun. Persoonlijker wordt het ook in De kroongetuige niet. Dat kan ook niet want Thomas sluit zich daarvoor af, als hij in de cel is terechtgekomen is hij blij weer bij zichzelf te zijn:
'mijn oude stoïcijnse, koppige, in zichzelf gekeerde ik dat geen bindingen had met andere mensen, dat zonder verplichtingen, zonder sociaal gevoel, zonder hoop, zonder liefde, zonder medelijden leefde, maar dat wel gelukkig, wel kalm, wel vergenoegd was, en wel weer iets proefde van datgene wat Nietzsche had omschreven als de "gelijkmoedigheid van de
voormiddaglijke ziel ".'
Velen spreken in De kroongetuige hun eigen taal, maar Leonie denkt en schrijft zoals Thomas. Ze verschilt alleen van hem in haar voorkeur voor een bepaalde componist en in het feit dat zij soms terugvalt in haar oude geloofsgewoontes, en dan ineens weer op god vertrouwt. Daarmee eindigt zelfs de roman, wat niet zonder hetekeni" iq Zii -;nreekt een ahc;tract-cfeëmotioneerde taal
waardoor De kroongetuige wel een authentieke toon krijgt, maar dat is slechts een zakelijke constatering. De kroongetuige is even knap als onhandig, even ambitieus als mislukt. Een vreemde hybride.