Schrijver Hart, Maarten 't
Titel Aansprekers, De : roman van vader en zoon
Jaar van uitgave 1979
Bron Leeuwarder Courant
Publicatiedatum 15-12-1979
Recensent Ab Visser
Recensietitel Vaders en zonen
De vader van Maarten 't Hart stierf in het jaar 1973. Maarten, schrijver en wetenschappelijk ambtenaar, was toen 29 jaar en woonde in Leiden waar hij ook gestudeerd heeft. Hij is getrouwd met ene Hanneke. Onder het halfslachtige pseudoniem (de eerzucht kruipt waar hij niet gaan kan) Martin Hart had hij al een roman Stenen voor een ransuil geschreven, waaruit een argeloze lezer zou kunnen aflezen dat de auteur een homofiele inslag had, hetgeen achteraf niet waar bleek te zijn. Tenminste... Maar hoe moet dat boek op zijn streng gereformeerde vader zijn overgekomen! In het sterijaar van de vader verschenen nog de wetenschappelijke verhandeling Ratten en de bundel Het vrome volk. Pas daarna begon Maarten't Hart onder eigen naam en in snel tempo van veelbelovend debutant een beroemd auteur te worden en een veelschrijver, zeker wat zijn artikelen over muziek en literatuur betreft. Het dunne rag van zijn schuilnaam is van hem afgevallen en meer dan dat: hij heeft intieme betekenissen gedaan (aan Bibeb): hij zou travestieneigingen bezitten en botvieren. Uit zijn laatste roman De aansprekers (De Arbeiderspers, Amsterdam) kunnen we dan nog afleiden dat hij welhaast een masochist moet zijn.
Om te beginnen moet ik zeggen dat deze in traditionele romanvorm geschreven autobiografie een mooi boek is, naar mijn smaak een van de aardigste boeken van Maarten 't Hart en het doet beslist niet onder voor het enigszins overschatte Een vlucht van regenwulpen. Het is zeker even gevoelig en bepaald minder sentimenteel. De titel is onjuist lijkt mij, want het boek handelt niet over aansprekers, doodbidders, kraaien, of hoe ze verder mogen heten. Het boek gaat over een grafdelver. Doodgraver plachten wij zo'n man te noemen, maar de vader van 't Hart wil zo niet genoemd worden; hij haat dat woord. Vroeger was hij tuinder, maar door malaise gedreven nam hij het vaste gemeentebaantje van grafdelver aan. Op zich is het voor een schrijver al een geschenk uit de hemel als je vader er zo'n interesant beroep op nahoudt, want wat moetje beginnen met een vader die kantoorbediende of kruidenier, belastingambtenaar of neerlandicus is. Als schrijver heb je er niets aan. Grafdelver heeft iets sinisters, iets occults, waar je omheen kan fantaseren met gruweleffecten. Maarten vertelt dan ook heel wat interessante dingen over het werk van zijn vader, over het "ruimen " van oude graven, over het schoomnaken ervan en over bizarre ontmoetingen met toekomstige "klanten".
Maar nu dat masochisme. Maarten was dol op zijn vader, maar toch kreeg hij als kind avond aan avond op zijn donder, werd hij geslagen en geschopt, omdat de man een onbezonnen driftkikker was. Een normale jongen zou op een dag in opstand gekomen zijn tegen zijn vader en teruggemept hebben. Niet alzo Maarten, die achter de broek van pappie bleef aandweilen als de zachtaardige jongen - het zachte ei - die hij was. De ouders van Maarten waren zeer vroom, zoals men ze ook elders in ons land aantreft. In de Christelijke kringen van zijn vader converseerde
men de helft van de tijd in bijbelteksten. Als iemand b.v. zei: "Lees Marcus 18:3 maar", dan wist een ander daar met een tekst op te antwoorden. Deze maniakale parate bijbelkennis treft men niet alleen aan op de Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden, maar ook op de Veluwe en zelfs in sommige gedeelten van Friesland, zoals ik uit eigen ijeugd)ervaring weet. De vader van Maarten had liever gezien dat zijn zoon arts ofjurist was geworden in plaats van bioloog en ook in andere opzichten verschilden vader en zoon nogal, b.v. in de keuze van hun lectuur en, uiteraard, in geloofszaken. Toch denkt Maarten met niet aflatende vertedering aan zijn vader, aan de tochten die hij met hem voorop de fiets maakte en aan de gezamenlijke uren op het kerkhof doorgebracht, waar Maarten hem hielp bij het werk.
Toen Maarten van de dokter hoorde dat zijn vader nog maar kort te leven had, durfde hij hem dat niet te vertellen en dat scheepte hem op met een irreëel schuldcomplex. Het boek gaat dan ook voornamelijk over dat half jaar voor de dood van de vader, aangevuld met enkele flash backs. Tenslotte stierf de vader niet aan de voorspelde kanker, maar aan een hartaanval, 57 jaar oud. Het hele boek cirkelt om de dood en doodsgedachten, die uiteraard nog benadrukt worden door het beroep van de vader, maar op de een of andere manier heeft Maarten 't Hart er de grimmigheid aan ontnomen ("Dood waar is uw prikkel, hel waar is uw overwinning ") en het is geen somber of deprimerend boek geworden. En dat vind ik toch eigenlijk wel heel knap. Origineel is het thema op zichzelf niet. We worden de laatste jaren overladen met autobiografische romans en verhalen over de jeugd, zowel vanuit de protestants-christelijke als vanuit de rooms-katholieke hoek en zowel in Nederland als in Vlaanderen. Maar zoals gezegd, Maarten't Hart had mee het uitzonderlijke beroep van zijn vader, waardoor hij zijn roman het perspectief van de doodsgedachte kon geven. Ook het geloof speelt een grote rol, of liever de afvalligheid van Maarten en de reacties van zijn vader daarop die, zoals we weten, zijn zoon de roede niet heeft gespaard. Daardoor krijgt deze roman, geschreven op een nogal afgezaagd thema, een bijzonder cachet. Voeg daar echter wel aan toe dat Maarten 't Hart een goed stilist is en met zijn beschrijvingen van het stadje (Maassluis), de rivier en de polders een poëtische gloed over alles weet te leggen. De aansprekers is een sympathieke, openhartige en boeiende roman geworden.
De vader-zoon verhouding speelt eveneens een rol in het debuut De Duinroos (Loeb en Van der Velden, Amsterdam) van Olof Baltus, die, zoals we uit de roman afleiden, 33 jaar is. Hij woont als tekenaar en etser, en nu blijkbaar ook als schrijver, in zijn geboortedorp Egmond aan Zee. Dit is ook het dorp waarin zijn roman gesitueerd is, al wordt het nergens met name genoemd. Er zijn enkele punten van overeenkomst tussen de roman van Maarten 't Hart en Olof Baltus. Beide zijn het puut autobiografische geschriften waarin sprake is van een ambivalente verhouding tussen vader en zoon. In beide gevallen is het milieu dat van de kleine luiden. Maar waar de roman van Maarten 't Hart zich in gereformeerde kringen afspeelt, is die van Baltus in roomse kringen gesitueerd.
Het debuut is in een onevenredig lange recensie in Vrij Nederland door Jeroen Brouwers volledig afgekraakt. Brouwers heeft zich als een gek uitgesloofd spijkers op laag water te zoeken. Hij heeft een scheldkanonnade op het boek afgevuurd die doet denken aan een safari -jager die met een voorlader een mug doodschiet. Hij heeft al zijn paranoïde wrok en rancune jegens de uitgevers Loeb en Van der Velden afgereageerd over het hoofd van de debutant Baltus hee, die totaal onschuldig is behalve aan het feit dat hij bevriend is met Guus Luijters en uitgegeven heeft bij Loeb en Van der Velden. Er is op zich niets tegen dat iemand schoon schip wil maken met wat hij als misstanden ziet (vgl. Brouwer's tirade tegen Luijters) maar het is verachtelijk daar een zondebok voor uit te kiezen die part noch deel aan de oorzaken van zijn ongezouten grieven heeft. Brouwers wacht zich er wel voor gevestigde reputaties aan te pakken. Daar is hij, met al zijn uitgekooktheid, te laf voor. Ik vind het betreurenswaardig dat een zo begaafd auteur als Brouwerd het zichzelf toestaat tot zo'n laag peil af te zakken, uit welke motieven van eerzucht, wraak of geldingsdrang dan ook.
De Duinroos staat stilistisch niet op het peil van De aansprekers. Het boek heeft ook niet dat diepere, filosofische perspectief dat de roman van 't Hart heeft. Toch is het een geslaagde autobiografische roman geworden, in een onopgesmukte eerlijke stijl geschreven. En de bewustwording van kind tot gerijpte puber is psychologisch verantwoord weergegeven. De auteur noemt zich, evenals Maarten 't Hart, in zijn roman met naam en toenaam. Het milieu is zoals gezegd, rooms en naar het mij voorkomt nogal vroom rooms. De vader van Olof houdt er een bloemenzaak. De Duinroos geheten, op na, tegenover de kerk zijn beste klant. De zaak is noodlijdend en elk dubbeltje moet in het gezin twee keer omgedraaid worden en dat geeft nogal eens aanleiding tot conflicten. Deze splitsen zich dramatisch toe in de scène waarin Olof een schetsboek heeft gekocht om de Kruiswegstaties in te tekenen. De vader, hoewel trots op het tekentalent van zijn zoon, is zo boos over de "onverantwoorde" aankoop van het schetsboek, dat hij de tekeningen verscheurt en in de prullenbak werpt. Olof stelt zich niet, zoals Maarten't Hart, masochistisch op tegen zijn vader. Zijn ontwikkeling van normale jongen verloopt in traditionele lijn tot een seksuele bewustwording via pin-up plaatjes in de tijdschriften bij de kapper. Een en ander maakt het boek van Baltus natuurlijk minder interessant dan dat van 't Hart, maar er blijft voldoende in over om te waarderen. Er zit humor in en de karakterbeschrijvingen zijn genuanceerd. Het geploeter van het gezin om waardig het hoofd boven water te houden is in zijn soort boeiend weergegeven. Aardig is ook de passage over het verhuren van kamers aan voornamelijk Duitse badgasten. Al met al kan men zeggen dat De Duinroos een geslaagd debuut is met een eigen toon en dat de scheldkritiek van Brouwers zijn doel volkomen voorbijschiet.
Bij Elsevier te Amsterdwn verscheen van Peter van Gestel de roman Rosie. De auteur die in 1937 geboren werd publiceerde eerder de roman Buiten de grens, benevens een paar verhalenbundels. Voor een daarvan, Drempelvrees, werd hem in 1962 de Reina Prinsen Geerligsprijs toegekend. Verder schreef hij hoor- en televisiespelen .
Rosie is niet geschreven op het vader-zoon-thema. Het is een love-story. Het boek is verdeeld in drie hoofdstukken, naar de drie personages die er in spelen. Het eerste lange hoofdstuk heet "Freek", het tweede "Willem " en het derde "Rosie". Pas wanneer we de roman ten einde hebben gelezen zijn we in staat ons een duidelijk beeld van de driehoekssituatie te vormen. We weten dan dat Freek een rijkeluiszoontje en een experimenteel dichter is, die behalve een boel geld de villa van zijn ouders heeft geërfd, temidden van een bosrijke omgeving. Daarin woont hij met zijn vrouw Rosie. Kinderen zijn er niet. De derde persoon, Willem, is de vriend van Freek, maar hij komt uit een arm nülieu en heeft zich uitsluitend door zijn superintelhgentie op kunnen werken tot arts. Hij kent Rosie al heel lang en is verliefd op haar. Maar hij is ook haar huisarts. Rosie lijdt aan een ongenoemde, maar slopende ziekte en op een zondagmorgen wordt Willem bij Rosie geroepen. Terwijl hij zich naar de villa begeeft krijgt hij autopanne en besluit het weekend bij zijn vrienden te blijven logeren. Het wordt dan een subtiel spel tussen de drie. Freek is een mooie, sportieve man. Willem daarentegen een nogal onooglijk kereltje. De afzijdigheid waarmee Freek Rosie behandelt - niet uit gebrek aan liefde maar uit angst voor haar breekbaarheid - drijft haar bijna in de armen van Willem. Het eerste deel van het boek onder de titel "Freek" is volstrekt onbegrijpelijk en irritant. Juist wanneer men de moed opgeeft wordt het boek, bij het tweede deel "Willem " beter en in het derde deel tenslotte goed. Peter van Gestel is een geraffineerd en uitstekend stilist en hij weet sfeer te scheppen. Het is alleen jammer dat zijn roman op zo'n onbegrijpelijke experimentele manier begint. Hij had eigenlijk dat deel later moeten herschrijven, zodat het in helderheid zou aansluiten bij het tweede en derde deel. Rosie is, wat niij betreft voor tweederde een geslaagde roman.