|
Trouw, 6 november 2004 |
|
|
|
|
|
Alles wat de puber boeit |
|
|
|
|
|
Peter de Boer |
|
|
|
|
|
Hans Hagen is alleen al een opvallende kinder-
en jeugdboekenauteur omdat hij in het verleden zowel bij de Kinderjury (met
zijn Jubelientje-reeks) als bij de professionele
Griffeljury herhaaldelijk in de prijzen is gevallen. Dat is opmerkelijk, want
normaal gesproken bestaat er een vrij grote discrepantie tussen die twee. Dit
jaar 2004 ontving hij voor de verandering maar weer eens twee (!) Griffels:
een Gouden voor 'De dans voor de drummers' en een Zilveren voor 'Zwaantje en
Lolly Londen'. En dat in het vijftigjarig
jubileumjaar van de Kinderboekenweek: dan sta je jeugdliterair toch wel op de
kaart! Hij is bovendien zowel
op proza als op poëziegebied actief. En binnen de poëzie is hij weer in staat
te schrijven voor zowel peuters als voor de grotere kinderen. Oké, hij is de
enige niet die dat kan, maar hij behoort wel tot die minderheid die dat echt
goed kan. Zijn nieuwste bundel 'Maar
jij' is bestemd voor kinderen van een jaar of tien, twaalf. Hij bevat
eigenlijk alles wat deze leeftijdsgroep in potentie kan boeien. Sensuele
verzen waarin de eerste liefdeservaringen de kop opsteken (,,mijn
vingers dansten / op je huid / de eerste borsten / die ik speelde / ademloos
/ het sneeuwde''). Aardig, om even op die
sensuele verzen door te gaan, is dat Hagen daar op andere momenten ook de nog
niet uitontwikkelde, puberale seksualiteit in neerzet die de jonge lezer iets
leert over de dubbelzinnigheid van het fenomeen taal. In 'dromenland'
bijvoorbeeld, waarin van het kussen van een lief meisje wordt gedroomd, maar
de ontnuchterende slotregels luiden: 'haar rode lippen wijken van elkaar met het kussen in mijn hand schrik ik wakker' Door het vrijwel
consequent ontbreken van leestekens en hoofdletters in deze teksten lees je
dat 'kussen' aanvankelijk natuurlijk als een werkwoord dat op die mooie rode
lipjes wordt gedrukt. Maar bij nader inzien slaat 'kussen' (zelfstandig
naamwoord) natuurlijk gewoon op het kussen van het bed, waarin de puberale bedremmeling het treurig ontbreken van de rode lipjes
verbijt! Kijk - zo leer je kinderen iets over taal en poëzie, en máák je ook
poëzie. Wat verder nog in deze
behoorlijk gevarieerde bundel, die overigens, voor ik het vergeet,
schitterend is geïllustreerd door Willemien Min?
Wel, er staat bijvoorbeeld ook een vrij lange cyclus in over de ziekte en het
sterven van de vader. Eerst krijgen we de diagnose: kanker - ,,de rek was uit zijn longen / het is mooi geweest, zei pa
/ mama achterna, adieu / ik ga maar eens op reis''. Mooi en ontroerend is dat
de dag van zijn overlijden als een 'kraamvisite' wordt omschreven, wat de
jonge lezer ook alweer drukt op zo'n
onwaarschijnlijk krachtig poëtisch middel als de paradox! Het mooiste vers
uit deze reeks is het titelgedicht 'maar jij', dat fatale rampen afzet
tegenover dat ene, o zo nabije dode lichaam van de geliefde vader: 'een lichaam levenloos dichtbij zegt meer dan een vliegtuig
onbekenden verdwenen in de mist een dorp gestold in
lava [...] een stad
aardbevend [...] honderden
vermist verre doden kan ik
tegen stemmen niet gehoord en samen nooit
gezwegen maar jij' Deze reeks wordt dan
weer afgewisseld met een paar luchtige gedichten vol taalmagie en
lettergrapjes ('een half rondje te veel bij een l / en je noemt je lief een
dief'), die aan kinderen van deze leeftijd naar mijn ervaring zeer besteed
zijn. Mooi zijn ook de
gedichten, her en der in de bundel verspreid, waarin verstilling de sfeer
bepaalt. Het openingsgedicht 'zonder' bijvoorbeeld, dat inhaakt op het vrij,
ongeremd en zonder schaamte verkeren met een vriendinnetje 'in het riet bij
de rivier'. Niet het sensuele, maar het arcadische, rustieke en tijdloze zijn
hier de grote poëtische aandrijver: ,,zonder tijd en
zonder iets / dat zou ik het liefst / kabbelend water in de zon / een grutto
in de verte / een vlindertje erbij / vrij-en-vrij
en verder niets''. Wie wil dat niet, verdikkeme? Een ander mooi, pregnant
voorbeeld van die hang tot verstilling is het lentegedicht 'pril', dat
eindigt met: 'het lentert pril - ik stil'. En dan heeft Hagen ook
nog gewoon humoristische nonsense-verzen op zijn
lier als 'Ortho': 'ben op jij ook mij ik hou
op ja ben deze liefde staat zo
krom er moet een beugel om'
Geestig toch? Iedere
gebitsregulateur zou dit onmiddellijk op zijn orthodontische
prikbord moeten ophangen. Gevarieerd, subtiel,
en met poëtische effecten die in wezen al heel volwassen aandoen maar voor de
jeugd toch redelijk goed te volgen zijn: zie hier de receptuur van Hagens gedichten. Ik vind het door de bank genomen erg
knap wat deze auteur hier weer presteert. Zoals ik het ook knap ontroerend
vind dat hij zijn dode en gekiste vader in bovengenoemde cyclus 'op handen
naar het graf' laat dragen. Op handen! Ja, zo moet je je
doden dragen! Je hebt eigenlijk steeds de dichtkunst nodig om je van zulke
dimensies bewust te worden. En dat in 'kinderpoëzie'... Griffel maar weer. |
|