|
Trouw, 20 april 2002 |
|
|
|
|
|
Goed en fout in het belegerde Leningrad |
|
|
|
|
|
ODILE
JANSEN |
|
|
|
|
|
Leningrad,
december 1942. Al meer dan een jaar wordt de stad belegerd door het Duitse
leger. Voedseltransporten zijn alleen mogelijk over het bevroren Ladoga-meer.
De grote vrachtwagens proberen op de witte ijsvlakte de donkere wakken te
mijden. Over die levensgevaarlijke tochten droomt de twaalfjarige Boris elke
nacht. Om steeds wakker te worden op het moment dat hij zijn vader een wak in
ziet rijden en de Dood als een groot waterbeest wegzweeft langs de cabine, op
zoek naar nieuwe slachtoffers. En die zijn nooit ver weg. Als Boris kijkt
naar zijn zieke moeder en zijn broodmagere vriendinnetje Nadja, ziet hij in
de diepte van hun ogen het gedrocht rondzwemmen. In 'Boris'
(1966) van Jaap ter Haar (1922-1998), volgen we Boris en de veertienjarige
Nadja in een stad waar de honger en het oorlogsgeweld hun dagelijkse tol aan
slachtoffers eisen. Ter Haar baseerde zijn boek, waarvan nu de 18de druk
verschenen is, op het verhaal dat de echte Boris, de schrijver Boris
Makarenko hem in 1965 vertelde in Leningrad. Toen ik 'Boris' als tien- à
twaalfjarige las, maakte het een overweldigende indruk. Nu, zoveel jaar
later, blijkt niets daarvan overdreven te zijn geweest. Het boek is hard en
aangrijpend. Hard vanwege de nietsontziende manier waarop de werkelijkheid
van de oorlog beschreven wordt. Aangrijpend omdat het gaat over kinderen die
vroeg met de grote vragen van het leven geconfronteerd worden. Vragen over
leven en dood, goed en kwaad, haat en liefde, die 'Boris' tot een volwassen
kinderboek maken. Indringend
beschrijft Ter Haar het gevecht van de grappige, levenslustige Nadja en de
zachtaardige, zorgzame Boris tegen de alledaags geworden Dood. Dat is vooral
een gevecht tegen de eeuwig knagende honger, die niet gestild kan worden met
de waterige bietensoep uit de gaarkeuken. Subtiel wordt die strijd verweven
met vragen naar goed en kwaad. Is het slecht dat Nadja na de dood van haar
vader en broer op de voedselkaart van haar familie nog steeds vier porties
haalt en niet twee? Geknoei met stamkaarten wordt in de uitgehongerde stad
als een halsmisdaad beschouwd en navenant bestraft. En hoe zit het
met de Duitse patrouille die de uitgeputte Nadja en Boris redden als ze
stranden in Niemandsland op weg naar ingekuilde aardappels? Boris schrikt
zich wezenloos als hij plotseling naast zijn flauwgevallen vriendinnetje een
soldatenlaars ziet. Hoe is het mogelijk dat drie van die gehate Duitsers, de commandant
voorop, het erop wagen om de kinderen terug te brengen naar de stad? De
confrontatie die daarop volgt met een Russische militie levert een van de
mooiste scènes in het boek op. Indrukwekkend zet Ter Haar Boris' woede en
onmacht neer als de commandant neergeschoten dreigt te worden en Boris zich
tussen hem en het geweer dringt met de woorden ,,Hij is mijn vriend!''. De
menselijkheid wint het dan voor een keer in een onmenselijke oorlog. De
Duitsers worden vrijgelaten en stoppen Boris nog voedsel toe. Die ervaring
verandert Boris' wereldbeeld. De werkelijkheid is niet langer zwart-wit. Kort na het
ingrijpende avontuur in Niemandsland leert Boris dat ook de dood niet het
grote verlies hoeft te zijn, zoals hij dacht. Nadat hij Nadja bij de
gaarkeuken heeft gemist, ontdekt hij dat ze gestorven is, terwijl ze schreef
aan haar dagboek. Het ergste verdriet over haar dood verdwijnt als Boris 's
avonds samen met zijn moeder uit het dagboek leest, terwijl het huis op de
grondvesten schudt door een nabije bominslag. Ontroerend
zijn de passages waarin Nadja schrijft over haar plannen om filmster te
worden of dokter, over haar vriendschap voor Boris, de doldwaze spellen die
ze samen speelden en over haar vader, die haar op zijn sterfbed vraagt om van
het leven te blijven houden. Op haar eigen vraag waarom er zoveel ellende is,
weten alleen de sneeuwvlokken het antwoord schrijft Nadja, ,,maar die hebben
er zo'n verdriet over dat ze smelten zodra ze op aarde komen''. Voor Boris,
die op zijn eigen vraag over het waarom van Nadja's dood geen antwoord
krijgt, betekent dit dagboek een troost: iets van Nadja zal altijd bij hem
blijven. Onverwacht
eindigt 'Boris' hoopvol met de naderende ontzetting van Leningrad.
Voedseltransporten zijn weer mogelijk per trein. Overal heerst opluchting in
de stad. Groepjes Duitse krijgsgevangenen worden weggevoerd, een keerpunt in
de strijd is bereikt. Levensmiddelenpakketten worden uitgedeeld. Nog een keer
steekt Boris zijn nek uit door een gewonde jonge Duitser met grote angst-ogen
een stukje chocolade toe te stoppen. Het verontwaardigde commentaar van de
omstanders wordt gesmoord door een oude vrouw. 'Wat hebben we aan de vrijheid
als we moeten leven in haat?', vraagt ze. 'Boris' draagt die boodschap uit
zonder prekerig te worden of larmoyant. En dat is bijzonder. |
|