| Nieuwe bundels van Arnon Grunberg en Serge van Duijnhoven | |
| Jos Joosten | |
| >oëzie is business,
moet uitgeverij Nijgh & Van Ditmar gedacht hebben toen ze Liefde is
business, het poëziedebuut van Arnon Grunberg (1971) uitgaf. Een groot
formaat bundel, chic uitgevoerd kleurenomslag en, volgens het colofon,
,,in een oplage van 1000 exemplaren'': dat overkomt een doorsnee-debutant
niet, dat gebeurt alleen als je een seller als Arnon Grunberg bent,
een schrijver die de uitgeverij eerder verrijkte met uitstekend lopende
(en veelvuldig vertaalde) titels als zijn romandebuut Blauwe
maandagen en Figuranten. Met zo'n achtergrond kun je wel een
zakelijk risicootje lopen. | |
| Ook inhoudelijk is het zeer de vraag of een gerenommeerde
uitgever deze gedichten zou hebben gepubliceerd als ze niet van een
gereputeerde schrijver waren geweest, want - om kort te gaan - de poëzie
van Grunberg stelt érg weinig voor. We krijgen in Liefde is
business de levensloop voorgeschoteld van een hoofdpersonage dat
aangeduid wordt als ,,Hoer C.'' (een naam die onvermijdelijk doet denken
aan het lagere-schoolgrapje van de ondeugendste jongen in de klas die op
verjaardagen na een klassikaal ,,hoera'', de reeks eigenmachtig nog even
voortzette met ,,hoer b'' enzovoort). Gaandeweg vernemen we inzake de
achtergrond van deze Hoer C., een meisje dat vanuit de Nederlandse
Achterhoek in de Verenigde Staten verzeild raakt, alle details die er
clichématig te verzinnen zijn bij prostituees met een rottig leven maar
een goede inborst. Samengevat: ,,Mijn vader dronk en mijn moeder at'', om
Kamagurka eens te citeren. | |
| Ook wat de huidige staat betreft waarin Hoer C. verkeert,
bivakkerend bij een gate op Kennedy Airport, is alles zoals in de
doorsnee Amerikaanse B-film (of misschien eerder C-film). We lezen over
groezelige hotelkamers, goedkope champagne uit plastic bekertjes, over
liefdeloze seks en over het hele repertoire aan uitgekauwde gemeenplaatsen
van de zelfkant - althans: de zelfkant zoals we die kennen van film en tv.
De hoer heeft een gouden hartje, een hypocriete jeugdvriendin en een
minnaar, de concertpianist Tom, van wie zij echt houdt maar die op zijn
beurt vooral aan zijn carrière en zijn echtgenote denkt. Dat laatste gaat
bijvoorbeeld als volgt, wanneer we over het wedervaren van deze Tom lezen:
,,Nu lieten zijn gevoelens zich helemaal niet meer onderdrukken, al
mompelde hij regelmatig, met én zonder kleren aan: 'Wat we doen is
verkeerd'. En ook: 'Dit is de laatste keer'. En, met zijn gulp open, in
een lift: 'We moeten elkaar maar niet meer zien'. Maar het hielp allemaal
niet. En ze neukten alsof God het zo gewild had.'' Natuurlijk moest dit
nog poëzie worden, dus zien we bij Grunberg nauwelijks hoofdletters en
geen interpunctie, en lezen we in de bundel: nu lieten zijn gevoelens zich helemaal niet meer onderdrukken al mompelde hij regelmatig met en zonder kleren aan wat we doen is verkeerd en ook dit is de laatste keer en met zijn gulp open in een lift we moeten elkaar maar niet meer zien maar het hielp allemaal niet en ze neukten alsof God het zo gewild had Zo is de hele bundel opgebouwd. Grunberg verkeert in de veronderstelling dat er met een soortgelijke ingreep vanzelf poëzie verschijnt. Helaas ontbreekt in Liefde is business elke spanning in de formuleringen of elke vorm van uitdagend taalgebruik, en we vinden niet één zin die blijft hangen. Beeldspraak als ,,de badkamer / ruikt naar een kattenbak / die ze verwaarloosd hebben'' doet eerder gekunsteld dan vindingrijk aan, en woorden als ,,pijpen'', ,,neuken'' en aanverwant jargon kunnen de lezers niet meer opwinden of choqueren. | |
| Ook inhoudelijk valt er aan deze bundel weinig te beleven.
Grunberg heeft niks te vertellen en Liefde is business heeft dan
ook de diepgang van een onbemande opblaasboot. Zelfs als Grunbergs
mededeling aan de mensheid geweest zou zijn dát het hele bestaan
gekenmerkt wordt door totale oppervlakkigheid, dan nog wordt die boodschap
in Liefde is business nergens onontkoombaar geformuleerd. Als
Grunberg zou willen beweren dat de werkelijkheid zo ís, dan gaat het hier
om een werkelijkheid die totaal koud laat. | |
| >erge van
Duijnhoven (1970) is één jaar ouder dan Grunberg. Hij manifesteert zich al
langer als dichter en is met Obiit in orbit aan zijn derde bundel
toe. Enige jaren geleden deed Van Duijnhoven al van zich spreken met een
paar handig aangepakte publicitaire stunts (zoals de ,,overval'' op het
podium op de Utrechtse Nacht van de Poëzie), waarbij hij zich profileerde
als woordvoerder van een nieuwe generatie jonge dichters. Nadere
bestudering en vooral nauwkeurige telling leerde dat die hele generatie
voornamelijk uit Van Duijnhoven zélf bleek te bestaan, maar zijn naam was
er in elk geval mee gevestigd. In diverse polemisch getinte artikelen bepleitte Van Duijnhoven de afgelopen jaren een cross-over tussen straatcultuur, house-muziek en poëzie. Zijn samenwerkingsprojecten met DJ's uit het house-circuit zijn daar een uitvloeisel van. Dat zulke combinaties lang niet altijd gelukkig uitpakken, blijkt uit bloemlezingen als Double-Talk waarin teksten van rappers (en van Van Duijnhoven en andere dichters) verzameld zijn en waarin het wel heel hard zoeken is naar een zelfs maar enigszins intrigerende regel. In zijn artikelen, zoals recent nog in het februarinummer van Streven, bepleit Van Duijnhoven een meer open houding van critici ten opzichte van dichters die andere wegen zoeken en bijvoorbeeld samengaan met rappers en andere voordrachtskunstenaars. | |
| Veel te veel, zo meent hij, is de poëzie een gesloten
systeem dat geen plaats biedt aan jonge andere dichters: ,,Het probleem
van de Nederlandse poëzie is niet dat er niets nieuws te vinden is, of dat
er geen jonge dichters zijn. Beide zijn voorhanden. Het probleem is dat
onder de huidige omstandigheden de poëzie zich te sterk vernauwd heeft
volgens bepaalde conventies om het nieuwe een effectieve plaats te kunnen
geven binnen haar muren.'' Dit lijkt me, het poëtisch spectrum in
Nederland en Vlaanderen overziend, flauwekul. Van Lernert Engelberts tot
Paul Bogaert, van Leo Vroman tot Gerrit Kouwenaar, van Dirk van Bastelaere
tot Herman Leenders, van Gwy Mandelinck tot b. zwaal: je kunt veel zeggen
over de hedendaagse poëzie (en ikzelf doe dat bijvoorbeeld graag) maar
niet dat eenvormigheid dictator is en dat het literaire veld vernauwd zou
zijn. Sterker nog: er is zelfs een gevestigde uitgever (de tweede alweer)
bereid om de gedichten van Van Duijnhoven te publiceren. | |
| Ten dele bedoelt Van Duijnhoven natuurlijk iets anders: er
is een soort dichters dat, zijns inziens, de toegang tot de
serieuze poëzie nog altijd ontzegd wordt. En het is op zich een goede zaak
dat hij bepleit de ruimte van het poëtisch leven zo ver mogelijk uit te
breiden. In Streven stelt hij: ,,Hoe dan ook, het is een
onontkoombaar feit dat de poëzie niet alleen bestaat uit gedichten die
'staan' op papier - wat de letterklerken en puristen ook mogen betogen.''
Hoe dan ook, het is al evenzeer een onontkoombaar feit dat Obiit in
orbit gedrukt en wel op papier voor mij ligt en daar voegt de
bijgevoegde cd weinig aan toe. Eerder omgekeerd. | |
| Op die cd leest Van Duijnhoven een aantal gedichten uit de
bundel nogal vlak en eentonig voor, vaak voorzien van een new age-achtig
muzikaal onderlaagje, uitgevoerd door allerlei bevriende musici. Die
muziek interacteert echter nauwelijks met het gesproken woord. Zo ze al
iets doet, is het de sfeer zetten voor de gedichten. Dat duidt eigenlijk
rechtstreeks op een lyrisch tekort in Van Duijnhovens poëzie. Zijn woorden
zelf zouden immers die sfeer moeten scheppen. De poëzie zou muzikaal
moeten zijn, als haar effect moet afhangen van de muziek dan zijn de
woorden niet doelmatig. | |
| Bovendien is Van Duijnhovens werk /*is namelijk
*/verschrikkelijk tam, zeker in verhouding tot zijn revolutionaire
buitenpoëtische statements. Wie zich beperkt tot de teksten in Obiit in
orbit stelt vast dat deze poëzie heel weinig nieuws biedt. Van
Duijnhoven is een zeer gewone romantische, ,,dichterlijke'' dichter. De
bundel heeft weliswaar een hippe opmaak, en er figureren wat eigentijdse
zaken (een antwoordapparaat) en thema's (een broodje-aapfenomeen als
snuff-movies komt aan bod) in, maar ontdaan van die modieuze franje
blijven woorden over in een traditioneel-poëtische bedding. | |
| Wat toon en taalregister betreft, valt Van Duijnhoven het
best te plaatsen tussen Peter Ghyssaert en pre-Vijftiger Hans Lodeizen.
Met die laatste deelt hij een zekere melancholie en een al dan niet
gespeelde naïviteit. Bijvoorbeeld wanneer hij probeert onbevangen naar de
wereld om zich heen te kijken, en zich afvraagt waarom mannen anders een trui uittrekken dan vrouwen, zich anders wassen ('alsof ze een kruiwagen schoonmaken') en of dit aangeleerd is of instinct en wat dat is instinct en of het wel bestaat of niet en waarom dan waarom Ook kreeg de dichter een flinke tik mee van de poètes maudits en de zwarte romantiek: we lezen over drugsgebruik en horen over dood en verval. | |
| Soms rotzooit Van Duijnhoven maar wat aan, zoals in de
kleine afdeling ,,opgetekend'', met ready-mades uit zijn dagelijkse Gentse
leven. Dat sommige ervan elders in de bundel terugkeren, maakt het
afgezaagde procédé niet relevanter. Veel te vaak ook ronkt de taal eerder
dan dat ze overtuigt, laat staan overdondert. De gedichten gaan nogal eens
/*topzwaar van */gebukt onder Grote Woorden en Formuleringen: ,,In deze
stad die schudt van emotie / waar de kunst van het vergrijp / die van de
liefde evenaart''. | |
| Bijna onvermijdelijk zijn voor de gedoemde dichter tenslotte
de zwerfpartijen langs 's Heeren wegen. In een van zulke passages lijkt
iets van Van Duijnhovens kijk op de wereld aanwijsbaar. langs industrieterreinen met het schroot van idealen reis ik vooral in staat om te verdwalen in een wirwar van verlaten wegen met om de honderd meter borden van een wegsleepzone De dichter zoekt zijn weg door de postideologische werkelijkheid, zou je hierin kunnen lezen. Die essentie leidt ons tot de vraag wat we hiermee moeten. Is dit onsympathiek? Beslist niet. Maar is dit opzienbarend? Evenmin. Is dit virtuoos of uitdagend geformuleerd? Ook niet. We moeten vaststellen dat Serge van Duijnhovens poëzie een stuk dichter bij de Nederkitsch van Acda en De Munnik staat dan bij de ruige rap van de Osdorp Posse. En hoe dan ook vormen de gedichten een schril contrast met de honderden beats per minuut waarmee Van Duijnhoven al jaren de nieuwe dichters - in feite zichzelf - aankondigt en verdedigt. Voor écht baanbrekende poëzie is Serge van Duijnhoven een dichter die veel te graag een Dichter wil zijn. | |
| Terug | |