NRC
Handelsblad, 17 september 2004
Het mes is warmer dan de mens
Arnon Grunberg: De joodse messias. Vassallucci,
496 blz. EUR22,50 (geb.), ook verkrijgbaar onder de
titel De Grote Jiddische Roman, als deel 13 in de Jiddische Bibliotheek.
EUR22,50 (geb.)
Pieter Steinz
|
Vergeet Vestdijk. Met acht romans
en even zoveel andere boeken in tien jaar is Arnon Grunberg alias Marek van der Jagt (33) de enige Nederlander van wie je met recht kunt
zeggen dat hij sneller schrijft dan God kan lezen. En zo zou het kunnen zijn
dat God nog bezig was in De asielzoeker, Grunbergs
vorig jaar verschenen en nu voor de AKO-prijs
genomineerde roman, toen gisteren De joodse messias werd gepresenteerd. Misschien was Hij wel
net aanbeland bij de op een na laatste scène van De asielzoeker, waarin de
hoofdpersoon Christian Beck
tijdens een televisie-interview wordt geconfronteerd met de misdaad die die zijn leven een andere wending heeft gegeven. Beck heeft altijd gedacht dat hij per ongeluk een
prostituee een oog heeft uitgestoken; maar plotseling vraagt hij zich af
waarom hij zich dat moment dan als een triomf herinnert. `Misschien is het
bevrijdend,' denkt hij, `om eindelijk toe te laten wat ontoelaatbaar is,
bevrijdend je te laten gaan, alles wat is opgekropt los te laten, vrij van
alle verantwoordelijkheden te exploderen.' |
|
|
|
Becks mijmering had het motto kunnen
zijn van De joodse messias,
een overweldigende, veelomvattende roman waarin Grunberg
de grote thema's uit zijn vorige boeken (eenzaamheid, gefnuikte illusies, de
strijd tegen hypocrisie en autoriteit, de erfenis van de Holocaust)
uitvergroot zonder zich te bekommeren om lange tenen, oude taboes en moeders
porseleinkast. Niet dat de schrijver zich in het verleden veel heeft
aangetrokken van politieke correctheid of andere fijngevoeligheden. Al in
zijn debuutroman Blauwe maandagen (1994) maakte hij de Shoa
- en vooral de gelijknamige film van Claude Lanzmann - tot onderwerp van spot. Drie dagen na de
vernietiging van de Twin Towers
beschreef hij in een column hoe zijn leven in New York
gewoon doorging (`Ik maak me zorgen waar ik vanavond goed kan eten'). En in
de door Marek van der Jagt
geschreven roman Gstaad 95-98 (2002) wekte hij
sympathie voor een oversekste pedofiele moordenaar. De joodse messias, het levensverhaal van
de kleinzoon van een SS'er die zich opwerpt als de trooster der joden (`de
vijanden van het geluk'), zal nog wel meer wenkbrauwen doen fronsen. Vanaf de
eerste zin, waarin de grootvader van Xavier Radek wordt aangeduid als `niet zo'n
slampamper van een opa die achter zijn schrijftafel bleef zitten [...] nee,
een gentleman die het handwerk van de dood verstond', vanaf die eerste lange
zin lijkt Grunberg geheel `vrij van alle
verantwoordelijkheden te exploderen.' En waarom niet, onderstreept de
alwetende verteller in De joodse messias:
`De oorlog was ver weg, die oorlog in ieder geval, andere oorlogen ook, en
tegen de tijd dat [Xavier] zich voor de vijanden
van het geluk begon te interesseren, hadden deskundigen vastgesteld dat de
Tweede Wereldoorlog nu eens en voor altijd een afgesloten hoofdstuk was.' En dus kan de
hoofdpersoon in alle onschuld tegen een rabbijn zeggen: `De joden hebben ook Lebensraum nodig.' Hij kan mopperen over het feit dat
zijn joodse vrienden beantwoorden aan alle clichés die over hen de ronde doen
(`Zoals sommige vrouwen vragen om verkrachting, zo vragen sommige joden
kennelijk om een pogrom'). Zijn antisemitische moeder kan beweren dat `de Israeliet van nature een fascist' is, en dat jodenhaat de
enige liefde is die de naam verdient. Zijn orthodox-joodse geliefde kan Mein Kampf omschrijven als een
fascinerend boek (`Het heeft vaart, er zit humor in en volgens mij heeft de
schrijver een verhaal te vertellen'). Voeg daarbij dat Adolf
Hitler in De joodse messias consequent wordt aangeduid als Je-weet-wel-wie, alsof hij de boze tovenaar is uit de Harry Potter-boeken, en dat het
voorlaatste hoofdstuk is getooid met de titel `Het ten onrechte verwaarloosde
gedachtegoed van Streicher en Himmler',
en het zal duidelijk zijn dat Grunberg in zijn
nieuwe roman de provocatie zoekt. Na Auschwitz
kan je geen gedichten schrijven, vond Theodor Adorno; Paul Celan bewees het
tegendeel. Van de jodenvervolging mag je geen melodrama maken, meende men tot
in de jaren zeventig; maar na de televisieserie Holocaust zag niemand daar
meer een been in. Hitler kun je niet tonen als een
gewoon mens, zegt men, maar in Duitsland bewijst de film Der Untergang de zinloosheid van die stelling. Over de Tweede
Wereldoorlog mag je geen grappen maken; Israel mag
je niet kritiseren; met de joden moet je medelijden hebben - allemaal
afgedankte idées reçues
waaraan Arnon Grunberg,
zelf zoon van joodse oorlogsslachtoffers, geen boodschap heeft. Zoals de
vrouw van de Baselse rabbijn in De joodse messias tegen haar man zegt: `Ik
zeg stinkjoden wanneer ik er zin in heb. Ik laat me niet meer door jou de wet
voorschrijven. Wat ik mag zeggen, en wat ik niet mag zeggen.' Grunberg is een auteur provocateur, de Nederlandse pendant van Michel
Houellebecq, die in romans, essays en interviews
meedogenloos tekeer gaat tegen onder meer de generatie van '68 en de islam.
Net als Houellebecq weet Grunberg
goed hoe hij de media kan bespelen - in het geval van De joodse messias niet alleen door het
laten lekken van de explosieve inhoud en het regisseren van de
voorpubliciteit (een zelfgeschreven interview in Joods Journaal, een
interviewtournee voordat de roman in de winkel lag, een presentatie op joods
nieuwjaar in een Amsterdamse shoarmazaak), maar ook door de keuze voor Vassallucci, de uitgeverij van een van de monumenten van
de joodse cultuur in Nederland, de Jiddische Bibliotheek. Sterker nog, de
nieuwe roman verschijnt tegelijkertijd onder de titel De Grote Jiddische
Roman als deel 13 van de Jiddische Bibliotheek, hoewel er zegge en schrijve
zeventig woorden Jiddisch in het boek te vinden zijn: twee zogenaamd door Xavier en zijn geliefde Awromele
vertaalde zinnen uit Hitlers Mein
Kampf. En Grunberg zou Grunberg niet zijn als hij in zijn roman niet ook nog een
scherp aanvalletje op de prestigieuze Jiddische Bibliotheek verstopt had;
namelijk wanneer Xavier naar Jiddische liederen
luistert en daarover opmerkt: `De restanten van een gedecimeerde cultuur
werden zo netjes opgewarmd en in plastic bakjes aan het publiek voorgezet.' Genoeg over het format van De joodse messias, genoeg over de persona
van de schrijver, genoeg over de marketingtechnieken van zijn nieuwe
uitgeverij. (Ter gelegenheid van De asielzoeker voer Grunberg
een week lang met een geit op een boot over de Nederlandse binnenwateren, en
dat liet onverlet dat de roman over een gedesillusioneerde schrijver het
literaire hoogtepunt van 2003 was.) Wat telt is de nieuwe roman, en die is
uniek in de Nederlandse literatuur - hoogstens vergelijkbaar met de romans
van Marek van der Jagt.
De overeenkomsten met het werk van Grunbergs
favoriete buitenlandse schrijvers - Portnoy's Complaint van Philip Roth, Pippi Langkous van Astrid Lindgren - zijn minder
opvallend dan in Blauwe maandagen of De heilige Antonio
(1998). Het enige boek waaraan ik bij het lezen van De joodse messias herhaaldelijk moest
denken (Mein Kampf
uitgezonderd, maar dan om andere redenen) was American
Psycho van Bret Easton Ellis. Niet alleen omdat
Grunbergs roman dezelfde nihilistische en
karikaturaal gewelddadige sfeer ademt (zo beschrijft hij het frituren van de
voeten van een shoarmatenthouder), maar ook omdat
hij de lezer verplaatst in de geest van een psychopaat die gehoorzaamt aan de
wetten van zijn eigen logica. Xavier Radek,
de zelfverklaarde `trooster der joden' die bezeten is van het lijden in de
wereld, is een jongen met een ongelukkige jeugd: zijn vader, een uithuizige
architect, sterft jong, en zijn moeder is gefrustreerd door een leven van
schamele seks en gesublimeerd antisemitisme. In een psychologische roman zou
dat genoeg zijn om te verklaren waarom de hoofdpersoon zo'n
vreemde toekomst voor zich uitstippelt; in De joodse messias
wordt alleen gezegd dat Xavier `anders was dan
anderen. Geroepen. Gekozen. Gebrandmerkt.' Uit nieuwsgierigheid (en niet uit
puberale recalcitrantie, zoals zijn ouders denken) bezoekt hij vanaf zijn
veertiende een synagoge, een paar jaar later gaat hij zwemmen met
zionistische jongeren, omdat hij ontdekt dat het zionisme een ideaal is `dat
hem als gegoten zat. Een maatpak.' In het licht van de wapenfeiten van zijn
opa ziet hij zichzelf als `de ironie van de geschiedenis';de lezer kan denken
dat het de spirit of place is van Xaviers thuisstad Basel, waar Theodor Herzl immers in 1896
het eerste zionistische congres organiseerde. Plot is ondergeschikt in
De joodse messias, zoals
in de meeste boeken van Grunberg. Het is een
schelmenroman, die wordt aangedreven door Xaviers
ambitie om - als goj - deel uit te maken van het uitverkoren volk en om het
zo veel mogelijk te troosten. Na de fase van het zwemmen met zionisten neemt
hij zich voor om de Grote Jiddische Roman te schrijven, want `wat troost
beter dan een roman in een taal waarvan iedereen zegt dat die aan het
uitsterven is? [...] Xavier zou zorg dragen voor de
laatste maar hartverscheurende stuiptrekking van een bijna dode taal. Precies
zoals het hele leven zou moeten zijn, een laatste maar hartverscheurende
stuiptrekking voor het sterven.' Als hij zich realiseert dat de Grote
Jiddische roman al geschreven is, namelijk door Je-weet-wel-wie, neemt hij zich voor om Mein Kampf dan maar in het
Jiddisch te vertalen - een taak die hem alle vrije tijd van zijn leven zal
kosten, te meer daar hij eerst nog Jiddisch moet leren. Xavier vindt een joodse geliefde, de
onorthodoxe rabbijnszoon Awromele, die hem helpt
bij het vertalen en hem bovendien voorstelt aan iemand die hem goedkoop wil
besnijden. De illegale besnijdenis wordt een drama, maar maakt van Xavier wel een lokale beroemdheid; bovendien inspireert
de teelbal die en passant is afgezet hem tot een carrière in de kunst.
Drijvend in een potje met sterk water wordt de blauw uitgeslagen bal,
bijgenaamd Koning David, een vast element in de
schilderijen die Xavier van zijn moeder maakt en op
grond waarvan hij zelfs wordt toegelaten tot de Amsterdamse Rietveld
Academie. Lang houdt hij het ook daar niet uit, en aan het eind van het boek
vinden we Xavier en Awromele
terug in Israel, waar ze een bliksemcarrière maken
in de politiek, culminerend in een door premier Radek
aangezwengelde wereldkernoorlog die verdacht veel lijkt op het bijbelse
Armageddon. Is Xavier
in het eerste deel van De joodse messias
een jonge Hitler, met zijn ene bal en zijn rancune
tegen de kunstacademie die hem te kennen gaf dat hij beter een bloemenzaak
kon beginnen, in de laatste honderd bladzijden wordt hij meer getekend als
een Israëlische Pim Fortuyn
(`de kiezers wilden geen leider zonder fouten. Ze wilden een van hen, althans
een man van wie ze konden denken dat hij een van hen was. [...] Dat iemand
met zijn geaardheid minister-president van de joodse staat kon worden vond
men een hoopvol teken'). Anders dan Hitler of Fortuyn heeft Xavier weinig met
de werkelijkheid te maken. Hij is de voornaamste marionet in de grand guignol die De joodse messias is; iemand op wie geen lezer zou willen
lijken en van wie hij van tijd tot tijd zal walgen, maar die niettemin een
boek lang blijft boeien omdat zijn motieven zo menselijk en herkenbaar zijn. Xavier leeft voor een ideaal - en weigert
zich erbij neer te leggen dat het zionisme voor hem, als telg uit een
antisemitisch geslacht, niet de handigste keuze is. Hij wil liefde - maar
moet zijn levenspartner delen met honderden anderen omdat de mooie Awromele een allemansvriend is (`Mijn moeder zegt: wij
joden hebben al zo'n slechte naam, daarom moeten we
op het meeste ja zeggen'). Hij wil communiceren met de wereld - en kan hij
het helpen dat communicatie voor hem in de eerste plaats pijn is? Hij is
bereid zich op te offeren, net als de pelikaan, die volgens de christelijke
traditie zijn jongen met zijn eigen bloed voedt - een parallel met Jezus. Xavier Radek, de roman laat er
geen twijfel over bestaan, is de messias
van de joden, en het is de ironie van de geschiedenis dat hij hen
uiteindelijk samen met de rest van de wereld zal vernietigen. In zijn zelfinterview in
Joods Journaal beaamt Arnon Grunberg
dat er in zijn boeken geen normaal mens voorkomt, en haast hij zich te zeggen
dat de normale mens net zo'n mythe is als de nobele
wilde. Xavier is dan ook niet het enige personage
in De joodse messias
waaraan een steekje los zit. Wat te denken van de bijna-blinde
besnijder die zijn huis vol met koosjere kazen heeft liggen omdat daar meer
handel inzit dan in het weghalen van voorhuid? Of van de autistische rabbijn
die zich opgelucht toont als hij geconfronteerd wordt met het oplevende
antisemitisme (`Het was hem op bepaalde dagen niet meer duidelijk of hij op
de komst van de Messias of op die van de antisemiet wachtte')? Of van de
moeder van Xavier, die behalve de joden ook haar
enig kind blijkt te haten, en die zó teleurgesteld is in haar vriend dat ze
seksueel soelaas zoekt in zelfverminking met een roestvrijstalen keukenmes -
onder het motto `Het mes is warmer dan de mens'? Xavier Radek
beweegt zich in een waanzinnig universum, dat zal geen fan van het werk van Grunberg verrassen. Juist de als volkomen logisch
opgediste absurditeiten maken De joodse messias
tot een wild grappig boek. Een besnijdenis die op een bloedbad uitloopt, een
potenrammer die Kierkegaard citeert, een religieus leider die God dankt voor de redding van zijn
zoon door drie dagen lang niet naar een massagesalon te gaan en tot het eind
van de maand niet aan transseksuelen te denken - Grunberg
beschrijft het allemaal droogjes, in de hem typerende stijl die lange
ademloze zinnen afwisselt met laconieke dialogen en (quasi-)filosofische
monologen met komische oneliners. Wie niet al op bladzijde
14 begint te grinniken om de reactie van Xaviers
ouders op zijn synagogebezoek (`Ze hadden liever
gehad dat hij naar de hoeren was gegaan, als hij dan toch het exotische moest
opzoeken, maar je kon niet alles hebben'), doet dat wel vijf pagina's later
wanneer Xavier geconfronteerd wordt met zijn eerste
maaltijd aan een joodse tafel: `Verfijnd was het niet, ze moesten nog zeker
veertig jaar door de woestijn zwerven voordat ze bij de nouvelle cuisine
zouden uitkomen, maar ze hadden een gezonde eetlust.' Stijl is Grunbergs belangrijkste kwaliteit. Hij is net als Gerard Reve iemand van wie het
literaire DNA doorschemert in elke alinea die hij schrijft. (In Grunbergs geval is dat zelfs wetenschappelijk bewezen,
toen een Italiaans computerprogramma hem in 2002 op basis van objectieve
tekstvergelijking aanwees als de schrijver van Marek
van der Jagts roman De geschiedenis van mijn
kaalheid.) Het is in de compositie, in het vasthouden van de spanning, dat er
aan de romans van Grunberg vaak iets schort. Dat
was al bij Blauwe maandagen, dat na 120 sublieme bladzijden verzandde in
eentonige schetsen van het hoerenlopersleven. Het
was ook zo bij Figuranten en Fantoompijn, die tegen het einde een beroep
deden op het ploegvermogen van de lezer. En zelfs in Grunbergs
beste roman, De asielzoeker, zijn passages aan te wijzen die het verhaal
ophouden en de aandacht doen verslappen. De joodse messias, net als het beste werk
van Grunberg/Van der Jagt
een knappe aaneenschakeling van tragikomische scènes, heeft ook zo'n
schoonheidsfoutje: de laatste hoofdstukken, die breken met het ritme van de
rest van het boek doordat ze in minder dan zestig pagina's (iets meer dan een
tiende van het totaal) de rest van Xaviers leven en
zijn carrière in Israel samenvatten. Het leest vlot genoeg weg, en het is zeker niet minder
grappig dan de rest van Xaviers belevenissen; maar
ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat de schrijver hier in de zesde
versnelling ging omdat hij niet goed wist hoe hij er een eind aan moest
maken. De apocalyps
waarmee het boek besluit heeft dan ook veel weg van een deus ex machina. Maar een boek leeft niet bij plot
en slot alleen. Grunbergs `Grote Jiddische Roman' is veel meer dan een variatie op het
oude verhaal van een jongen die denkt dat hij de Messias is: het is een feest
van mooie citaten en sick jokery;
een polemische afrekening met de omzichtige manier waarop in Nederland met de
joden en het joodse verleden wordt omgegaan; en vooral een nachtmerrieachtige
blik op de hardheid van de wereld en de eenzaamheid van de moderne mens. In
al die opzichten is De joodse messias
een synthese van de romans van Arnon Grunberg (met al hun tragische slapstick) en van Marek van der Jagt (met hun
perverse wereldverbeteraars in de hoofdrol). Opwekkende kost is het niet, met
hoeveel humor de gruwelijkheden ook worden opgedist. Maar zoals premier Radek zegt tegen de Hamasleider
met wie hij onderhandelt over spreiding van zelfmoordaanslagen en
vergeldingsacties: `Een beetje bang maken is goed, dat is de taak van de
kunst. De toeschouwer een beetje leren griezelen, de deelnemer het lachen
doen vergaan, maar de anderen moeten nog wel hun huis uit kunnen om
boodschappen te doen.' |
|
|