Trouw
, 9 oktober 1999Melk! Bij mij? Hoe haal je het in je kop?'
PETER DE BOER
Op het oog is 'Slapen en schooieren' van Peter van Gestel een doodgewoon boek. Het is niet bont en avontuurlijk, maar beperkt zich tot alledaagse belevenissen. Dat de hoofdpersonen, twee katten en een hond, kunnen denken en met elkaar praten zoals mensen dat kunnen, is in de kinderliteratuur ook al de gewoonste zaak van de wereld.
Toch is het ongewoon goed geschreven. Van Gestel heeft zijn sporen als kinderboekenauteur dan ook al ruimschoots verdiend. Menig boek van hem ging met een Vlag & Wimpel-sticker over de toonbank. In 1985 ontving hij al eens de Zilveren Griffel en in 1997 viel zijn 'Mariken' diezelfde eer te beurt, terwijl dat boek ook nog de Gouden Uil én de Jonge Gouden Uil in de wacht sleepte.
In 'Slapen en schooieren' maakt hij zijn reputatie geheel waar. Hoewel heel anders van sfeer dan het kleurrijke Mariken, doet het daar nauwelijks voor onder. Het munt uit in een afgewogen stijl, levendige en soms geestige dialogen, en een knappe portrettering van de personages.
De spilfiguur is het katje Stientje, dat als ze twee maanden oud is naar een wildvreemd huis wordt gebracht, waar zich al een ongenaakbare raskat, prinses Sheherazade, en de vrolijke hond Japie bevinden. Het verhaal concentreert zich op de aldus ontstane driehoek, waarin zich na Stientjes komst nieuwe verhoudingen uitkristalliseren.
Aanvankelijk moet de oude dame Sheherazade niets van het 'rommelkatje' hebben. Ze wil onder de nieuwe omstandigheden bovenal haar waardigheid bewaren. Bij Japie lukt dat moeiteloos. Als die bijvoorbeeld vraagt: ,,Hebt u ooit lol, hoogheid?'', zet ze hem hooghartig op z'n plaats met: ,,Nooit. Wat denk je wel.''
Maar Stientje, door haar jeugd en spontaniteit bij uitstek de figuur met wie de jonge lezers zich kunnen identificeren, weet in haar onbevangenheid trefzeker door Sheherazades deftige façade heen te prikken. Wanneer ze op een nacht uit heimwee naar haar moeder bij de prinses in de mand kruipt en aan haar tepels begint te sabbelen, reageert de wakker geschrokken aristocrate even furieus als kwetsbaar: ,,Melk! Bij mij? Wat vreselijk. Hoe haal je het in je kop?'' ,,Waar zijn uw tepels dan voor?'' ,,Praat niet over mijn tepels'', zei Sheherazade. ,,Niemand praat daar ooit over.''
Als Stientje eens, na verdwaald te zijn geweest, veilig in huis terugkeert, treft ze daar een boze, zowaar ongeruste Sheherazade aan en slaat ze haar met stomheid in het volgende minidialoogje: ,,Bent u kwaad, mevrouw?'' ,,Waarom zou ik kwaad zijn?'' ,,Hebt u daar een waarom voor nodig?'' Op die laatste, intelligent vrijpostige vraag reageert de prinses zonder woorden: ze likt het verkleumde katje schoon en neemt het bij zich in de mand.
Tussen Japie en Stientje klikt het onmiddellijk. Japie is met zijn korte pootjes en dikke lijf een nogal onbeholpen geval, maar hij is aardig en wil altijd met Stientje dollen. Dat hij zich schaamt voor zijn fysiek, dat het hem onmogelijk maakt om fatsoenlijk een trap af te rennen of een teefje te veroveren, wordt heel subtiel in het verhaal verweven, op dezelfde wijze als waarop de lieve kant van Sheherazade in vaak kleine voorvallen gevoelvol wordt aangestipt. De fijngevoelige psychologie en de soepele stijl waarmee dit naar elkaar toegroeiend drietal wordt beschreven bepalen voor een groot deel de charme van dit boek.
De uiterlijke gebeurtenissen krijgen vooral contour via de bijfiguren. Zo maakt Stientje tijdens haar tochten naar buiten al snel kennis met de agressieve hond Grauw. Op een keer drijft hij haar in het nauw en ontspint zich tussen hen de volgende droogkomische dialoog: ,,Probeer je iets te ver zinnen waar je zin in hebt?'' vroeg het katje. ,,Ik wil geloof ik op je jagen.'' ,,Maar je hebt me al.'' ,,Tja'', zei Grauw, ,,dat is het probleem.'' Waarna Grauw haar vrijlaat en zodra zij uit zicht is de jacht opnieuw inzet.
Ook ontmoet Stientje de oude, filosofisch ingestelde kater Simon, die een stille aanbidder van Sheherazade blijkt te zijn. De bedaagde, platonische hofmakerij tussen hem en de oude dame levert enkele luchtig weemoedige scènes op.
Japie beleeft zowaar een heus avontuur wanneer hij op een regenachtige dag verdwaalt en met een paar zwerfhonden op een kermis verzeild raakt. Twee dagen lang schooit hij zijn kostje uit vuilnisbakken bij elkaar. Hij is overigens nauwelijks tegen dit vrije, ruwe leven bestand. Weer thuisgekomen verzoent hij zich met zijn lot: hij droomt liever over stoere zwerfhonden dan dat hij er zelf een is.
Dit is kortom een boek over het kleine, maar zeker niet ongecompliceerde lief en leed van een paar katten en honden. Van Gestel zet ze ieder apart en ook in relatie tot elkaar haarscherp neer en licht zo nu en dan hun maskers op. Dan blijkt Sheherazade dus zo ongenaakbaar niet, en toont Japie meer karakter dan zijn wat sullige gedrag doet voorkomen, want zijn vrolijkheid moet nogal eens op de wanhoop worden bevochten. En Stientje? Stientje weet heel naturel en onbewust het beste in haar mededieren wakker te roepen. Een schrijver die zulke emoties onnadrukkelijk voor kinderen invoelbaar weet te maken, is zijn Griffels dubbel en dwars waard.