|
Trouw, 14 december 1994 |
|
|
|
|
|
'Dicht bij de bossen, ver van het geluk' |
|
|
|
|
|
LIEKE VAN DUIN |
|
|
|
|
|
Peter van Gestel: 'Lieve Claire',
Fontein, 172 p, fl. 27,50,
vanaf 13 jaar. Of misschien wórdt hij
wel zo bijzonder door de manier waarop Peter van Gestel hem laat zijn wie hij
is. Aan het begin van de grote vakantie krijgt hij van Claire,
het meisje op wie hij verliefd is, het volgende briefje: 'Bob, Nee hoor, ik maak geen
afspraakjes met je. Je praat zo raar. En nou ga ik naar Griekenland. Dááááág! Claire Buidel' Deze drie in een vloek
en een zucht neergekrabbelde zinnetjes inspireren Bob - Bo
genoemd - tot een antwoord dat de rest van het boek beslaat. Twee weken lang
schrijft hij door, uren per dag, vanuit het oude huis dat zijn ouders voor de
vakantie gehuurd hebben, 'dicht bij de bossen, ver van het geluk'. Een brief in
afleveringen, waaruit blijkt wie Bo is en hoe hij
over de liefde denkt. Een brief waarin de bijzondere relatie tussen hem en
zijn zeven jaar oudere stiefzusje Theodora op de voorgrond staat. Belangrijk daarbij is hoe
Bo Theodora noemt: in
zijn verhalen over vroeger heet ze steevast Thea,
en in zijn verhalen over het nu tante Door, als om haar op afstand te houden.
Bo schrijft met veel
zelfspot en realiteitszin, als een volwassene die haarscherp, zonder enig
filter, zijn jeugd aan zich voorbij ziet trekken, die tot in detail
beschrijft - soms in al z'n ontroerend-lelijke
trivialiteit - en mild relativerend, berustend, van commentaar voorziet. Niet voor niets
citeert Bo tante Door in het begin van zijn brief
zo: 'Jij zult nooit een ouwe man worden, Bo, jij
bent al een ouwe man'. Het is maar goed dat Van Gestel Bo
nadrukkelijk zo'n uitzonderlijke geestelijke
rijpheid heeft meegegeven. Daardoor wordt zijn psychologisch (zelf-)inzicht aannemelijk. En daardoor wordt het
geloofwaardig dat een vijftienjarige zo'n
uitgebalanceerde schrijfstijl kan hebben: verhalend, levendig, vol
glasheldere flash-backs, met veel ad rem dialogen, droog-humoristisch en vinnig soms, maar ook impliciet
beschouwend. Die twee weken
schrijven zijn bepaald geen weken van ascetisch alleen-zijn
voor Bo. Nee, tante Door, die op hun huis en
huisdieren zou passen en langskomt met een zieke kat, sleept hem ongewild mee
in haar avonturen. Bo beschrijft tante Door als dik
(ze heeft altijd honger), ordinair en hoerig. Maar tegelijkertijd laat hij
zien dat hij veel om haar geeft. Toen haar moeder overleed kwam ze bij Bo's grootouders in huis. Zij was het die Bo verhaaltjes voorlas en bij wie hij als kleine jongen
in bed kroop. Over haar vader, met wie haar moeder ooit een kortstondige
relatie had, heeft ze haar leven lang gehoord: 'Het is beter dat je het niet
weet.' Een antwoord dat juist maakte dat ze altijd naar hem op zoek was.
Ontroerend mooi is bijvoorbeeld het verhaal over Sneeuwwitje dat Bo als kind van haar hoorde: Sneeuwwitje haar moeder was
dood, haar vader was weg en haar stiefmoeder maakte haar lelijk met vuur:
'Sneeuwwitje had overal wonden van vuur - van die roze met bubbels, waar je
pijn van krijgt als je ze ziet.' Als Bo net aan zijn brief voor Claire
begonnen is, komt ze 'met veel bombarie' binnen en vertelt over haar nieuwste
vrijer. Ze heeft van de zojuist overleden, veel oudere zus van haar moeder
een kaartje gekregen met een adres erop: het adres van haar vader, die 'in- en verkoper in fijne vleeswaren' moet zijn. Tante
Door hoeft Bo maar aan te kijken of hij weet: wij
gaan hem zoeken. Nu. Samen. De ontmoeting, in een
klein provinciestadje, is ontluisterend. Tante Door sjanst haar verdriet weg
in de plaatselijke disco en Bo wordt in elkaar
geslagen, omdat hij voor een homo wordt aangezien. Ziek en met een
dichtgeslagen oog maakt Bo zijn brief af. Met net
zoveel humor als daarvoor. Tante Door vertrekt met haar vrijer naar Frankrijk
en Bo besluit met: 'Jij bent hier niet. Tante Door
is hier niet. Toch heb ik mijn handen vol aan jullie. Basta.' De brief wordt niet
gepost. Dat hoeft ook niet meer, hij heeft zijn werk al gedaan, voor Bo en voor de lezer. Bo voelt
zich een toevallige voorbijganger in Claire's
leven, maar spreekt haar tussen zijn verhalen door wel steeds aan. Hij
beschrijft hoe hij verliefd op haar werd toen hij haar haar
voeten zag wassen: 'Het meisje wast haar voeten, meer is er niet aan de hand,
maar hij heeft aan weinig genoeg.' Een beeld dat herinnert aan Eric Rohmers film 'Le genou de Claire'.
Het meisje inspireert hem, maar hij vermoedt ook dat ze oppervlakkig is: 'ze
wordt zenuwachtig als ze een dag niet gewinkeld heeft'. En jaloers vraagt hij
aan het begin van zijn brief: 'Laat je je, terwijl
je sabbelt aan een colaflesje, door een of andere Nikos insmeren met een sjieke zonnebrandcrème die je op de luchthaven gekocht
hebt?' 'Lieve Claire' is rijk aan contrasten en subtiele observaties,
aan gevoelens en gedachten. De poging tot poëzie van Bo:
zijn onhandige, soms dubbelzinnige kwatrijnen. Het contrast tussen de
elegante Claire en de plompe, winden latende
'tante' Door, tussen stad en platteland. Het gevoel te houden van iemand die
tot in haar genen anders is dan je zelf bent, al weet je dat het altijd
liefde op afstand zal blijven. De gedachte dat het leven gaat zoals het gaat:
wreed voor de een, zoet voor de ander, en dat je er
maar mee moet zien te leven. Een beetje troosten kun je: anderen en jezelf. Bo troost zichzelf met zijn lange brief, die in een
uitgewogen dosering van liefde en humor tot een gaaf stukje levenskunst
wordt. Toch blijft Bo ondanks al zijn vroeg-wijze
gedachten ook een gewone jongen, die nog braaf met zijn ouders op vakantie
gaat en zonder eigen plannen de wereld op zich af laat komen. Dat alles maakt 'Lieve Claire' tot zo'n
zeldzame jeugdroman, die én zeer toegankelijk is, én de lezer gaandeweg een
stukje boven zichzelf uittilt. |
|