|
Trouw, 4 oktober 2003 |
|
|
|
|
|
Pa is altijd in de plooi |
|
|
|
|
|
Peter de
Boer |
|
|
|
|
|
De
kinderboekenauteur Peter van Gestel legt de literaire lat in zijn boeken
graag hoog. Hij heeft een stijl om je vingers bij af te likken en elk boek
wekt de indruk dat er geen woord te veel in staat. Hij is minder een
verteller dan een uitbeelder van vaak hooggespannen emoties tussen de
personages onderling. Daarbij zijn zijn alom
geroemde dialogen van groot belang. Zijn personages geven zichzelf
hierin vaak bloot, maar zelden eenduidig: er blijft voor de lezer veel te
raden over. Boeken van dit type, waarin niet alleen de inhoud maar ook de uitgekiende vorm
voor spanning zorgt en het verhaal altijd iets onopgelosts blijft houden,
zijn lang niet bij alle kinderen populair. Te moeilijk, te 'literair'. Bij de
Kinderjury is Van Gestel dan ook nooit in de prijzen gevallen. De
volwassenenjury's schatten zijn werk daarentegen
hoog. Zo ontving hij de afgelopen paar jaar een
Zilveren Griffel, de Gouden Uil, de Woutertje Pieterse
Prijs en de Gouden Griffel. Van Gestels nieuwe boek 'Die dag aan zee', dat zich afspeelt
in een kustplaats, zet meteen hoogliterair in met een motto van A. Roland Holst: ,,en gij zult met de zee alleen zijn'. En de eerste zin geeft
gelijk een van de dramatische hoogtepunten weg: ,,Mijn
broer Cham verdronk terwijl ik lag te slapen'. Na zo'n openingszin heb je heel wat vakmanschap nodig om het
boek naar nieuwe hoogtepunten op te voeren en daarin slaagt Van Gestel
voortreffelijk. De roman schetst het
relaas van Chams zusje Sip. Zij is twaalf en Cham zeventien op de dag dat de laatste verdrinkt. Via
flashbacks haalt zij herinneringen op aan het gezin tot aan het fatale moment
waarop Cham verdrinkt. Het laatste kwart van de
roman beschrijft de weken na Chams dood en Sips
felle, soms cynische en hysterische reacties daarop. Het is een moeilijk
communicerend gezin waarin Sip leeft. Pa, 'onze torenhoge vader', is
kunstschilder. Hij trekt zich steeds terug in zijn atelier en maakt
piepkleine, 'griezelig nauwkeurig' gepenseelde schilderijtjes waarop de
'mensjes' uitdrukkingsloos als zombies figureren. Zowel feitelijk als
artistiek lijkt hij dus tot weinig inlevingsvermogen in staat. Cham heeft dat haarscherp in de gaten wanneer hij een onaf schilderijtje, met daarop alleen een grijze vlakte en
twee benen, becommentarieert met: ,,Wie begint er nu met de benen. Wie dat
doet heeft geen gevoel voor mensen.' Niettemin worden pa's schilderijen door
het publiek gewaardeerd. Maar de man is altijd in de plooi, strak in het pak
en mét stropdas, en nooit blij of kwaad, hooguit af en toe 'verstoord'. Sip en Cham hebben hem ook nooit
zelfs maar in zijn pyjama gezien... Zoon Cham
is het andere uiterste, vaak door het dolle heen, maar in wezen net zo
eenzelvig als zijn vader. Hij laat zich helemaal gaan en is dol op de zee,
waar hij vaak naar toe gaat. Ooit heeft hij, in Sips bijzijn, verkleed als
goochelaar aan de vloedlijn eerbiedig zijn hoge hoed afgenomen en een diepe
buiging voor de zee gemaakt. In later jaren is hij
een eenzelvige puber die veel spijbelt, vecht en zuipt en zo, op onhandige
wijze, de aandacht en liefde van pa probeert te trekken. Zijn ouders hebben
hem niet in de hand, Sip daarentegen is juist
'stapel op hem', al kan ze ook uiterst krengig tegen hem zijn. Een en ander culmineert
de dag voor Chams dood tijdens de opening van een
expositie van pa's schilderijen. Stomdronken voegt Cham
zijn vader in een volle zaal toe: ,,Je schilderijen
zijn mij nog steeds iets te groot, pa, maak ze nou alsjeblieft zo klein dat
ik ze niet meer kan zien.' Hij zet, net als de bijbelse Cham,
zijn vader te kakken en luidt daarmee misschien zijn noodlot in. Na zijn vertrek
is er consternatie uiteraard, waarbij Sip van pure schrik zich voor het eerst
van haar leven bedrinkt. De volgende dag gaan Sip en Cham naar het
strand. Op een stil stuk trekt Cham zijn kleren uit
en loopt met zijn rode zwembroek het water in. Sip
heeft een kater en is nauwelijks in staat wakker te blijven. Ze zwaait nog
naar hem, valt in slaap, en als ze wakker wordt is Cham
nergens meer te zien. Zijn kleren liggen nog op een hoopje naast haar. Het laatste kwart van de
roman, waarin Sip in het reine moet komen met haar schuldgevoel (ze sliep
toen haar broer verdronk!) en de vraag: zelfmoord of niet? - ga ik niet
verklappen. Alleen deze ene scène aan het slot, wanneer Sip van pa te horen
krijgt hoe hij zelf het lijk van Cham 's nachts
heeft gevonden en, alleen met zijn dode zoon, nog vergeefs heeft geprobeerd
met mond-op-mondbeademing Cham te reanimeren. De
slotzinnen van het boek luiden: ,,Op het strand had
pa Cham eindelijk gekust. Ik moest er de hele tijd
aan denken. Van alles maken we ten slotte een mooi verhaal.' De geestige, ironische,
soms cynische wijze waarop Sip haar verhaal vertelt
voorkomt dat dit boek een inktzwarte tragedie wordt. Het is veeleer een
diepzinnige tragikomedie met nog vele lichte partijen. Vlijmscherpe dialogen
doen de bewolking voortdurend even optrekken. En letterlijk alles staat in
dienst van het menselijk krachtenveld dat hier in
wonderbaarlijk stilistisch vuurwerk tegen een fraaie nachthemel wordt
afgestoken. Daarbuiten is niets: je zit er midden in. Literatuur inderdaad,
jeugdliteratuur; daar hebben die volwassenenjury's in elk geval gelijk in. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|