De verbeelding aan de macht. Dertig jaar na de Parijse meirevolutie is die slogan zelden meer gehoord, maar de jury van de Generale Bank Literatuurprijs 1998 blies haar nieuw leven in. Afgezet tegen de heersende stroming in het huidige literaire landschap vormt haar keuze een dissident geluid.
Mijn eerste gedachte bij de zes nominaties was: wat een raar lijstje. Genomineerd zijn de literaire thriller Zwart glas van het schrijversduo Bleeker & Elmendorp, de roman Ante Diluvium van Willem Brakman, de novelle Over het water van H.M. van den Brink, de biografie De gigolo van Irma Ideaal door Frans Denissen, de roman De verbeelding van Herman
Franke en de verzameling reisverhalen Steden van Stefan Hertmans.Vervolgens realiseerde ik mij dat ik geen van de zes uitgelichte boeken had besproken en dat ik er slechts twee - uit interesse - had gelezen: Brakman en Hertmans. De andere titels had ik gemoedereerd laten passeren. Daags na de bekendmaking werden de zes uitverkorenen in een kwaliteitskrant ,,obscuur'' genoemd. Voor wie het belang van een literair werk laat bepalen door de mate van publieksgunst, is dat natuurlijk zo. Maar, voor alle duidelijkheid - ten behoeve van hardhorende uitgevers -, over de intrinsieke literaire kwaliteit zegt het niets.
De zes genomineerden bij de laatste aflevering van de Libris-prijs waren aanzienlijk minder omstreden en het feit dat ze uit de literaire mainstream voortkwamen, speelde daarbij zeker een apaiserende rol. De (semi-)autobiografische roman (J.J. Voskuil, Helga Ruebsamen, Geerten Meijsing) lijkt weliger te tieren dan ooit tevoren in de Nederlandstalige literatuur en ook bij de niet duidelijk autobiografische boeken ligt het accent op een levensgeschiedenis (Nelleke Noordervliet, Arnon Grunberg, Manon Uphoff).
Dat de jury van de Generale Bank Literatuurprijs zich eigenzinniger opstelt, heeft vermoedelijk ook te maken met de samenstelling van het gezelschap. In de Libris-jury nemen naast critici ook hoogwaardigheidsbekleders, hoogleraren en schrijvers zitting - mogelijk vanuit het organisatorisch streven tot een afspiegeling van ,,het gehele veld'' te komen. Een aldus gecreëerde ,,brede'' smaak kan leiden tot van risico verstoken, voorspelbare en daarmee algemeen geaccepteerde bekroningen; niet voor niets is de Libris de laatste jaren in toenemende mate een oeuvreprijs geworden.
De Generale Bank heeft kennelijk minder huiver voor specialisten: op de voorzitter, Jan Hoet, na bestaat de jury uit essayisten en literaire critici. Gevolg hiervan, zeker bij de jaargang 1998, is dat de kloof in waardering van literatuur zichtbaar wordt tussen de kritiek en het grote lezerspubliek. Het is zoals criticus T. Van Deel in het dagblad Trouw onlangs in een strenge bui schreef naar aanleiding van de naderende verkiezing voor de Publieksprijs van het Nederlandse Boek: ,,In de kritiek is I.M. niet met gejuich begroet, maar dat is - denk ook aan Het geheim van Anna Enquist - eerder een aanwijzing voor de mogelijkheid dat het boek wél dan níet de publieksprijs zal krijgen. De literaire kritiek beoordeelt over het algemeen die boeken gunstig die niet een groot lezerspubliek trekken. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals Van der Heijden, Nooteboom of Haasse, maar De Winter, Zwagerman, Giphart zijn, en naar ik vrees ook binnenkort Grunberg, min of meer afgezakt naar het niveau van wat door de literaire kritiek als pulp wordt ervaren.''
Zo gezien doen de in de Generale Bank-jury zetelende critici aan ware - want concessieloze - leesbevordering, al blijft het de vraag in hoeverre deze race met nagenoeg onbekende kanshebbers leeft onder het publiek.
Uiteraard was er een ander - béter - voorkeurslijstje mogelijk - al biedt de longlist van slechts zeventien boeken daarbij niet echt soelaas.
Geerten Meijsings Tussen mes en keel had in ieder geval naast Brakman en Hertmans moeten worden genomineerd, maar de overige titels zijn doorgaans van een redelijke, onderling inwisselbare kwaliteit. Misschien was de oogst in de periode die door de Generale Bank Literatuurprijs bestreken is, gewoon niet zo denderend. Helaas beschik ik niet over een volledige lijst van de 292 ingezonden boeken die de longlist niet haalden. Voskuil had aangekondigd niet meer aan prijzencircussen mee te doen, dus die valt af. Verder lijkt het mij overdreven dat Connie Palmen met haar I.M. ontbreekt, ten gunste van mindere goden als Basha Faber, Rascha Peper en Renate Dorrestein. En dat Hugo Claus' roman Onvoltooid verleden niet is genomineerd, wat zeg ik, dat hij niet eens de longlist haalde, is reden tot honorariumderving van de gehele jury.
Hoe het ook zij, te prijzen valt dat de jury onbevooroordeeld gelezen moet hebben - anders was déze keuze er niet uitgerold. In eerste instantie lijkt de selectie lukraak, maar bij nadere beschouwing staan de zes boeken voor hetzelfde: een erkenning van de literaire verbeelding.
De provocatieve titel van Herman
Frankes monomane turf kan achteraf dan ook als programmatische jurybril worden gezien. Maar de écht verrassende zet - dwars tegen de nivellerende tijdgeest in - is de gedurfde keuze voor de bedreigdee diersoort Willem Brakman (1922), wiens onverwisselbare werk sinds jaar en dag als antidotum tegen de literaire middelmaat geldt.Deze writers' writer belichaamt een genre op zich: dat van een onnavolgbaar en virtuoos, opslokkend leesavontuur voor de geest, waarin weldadige lachlust en hijgerige poging tot zingeving om voorrang strijden. De titel van zijn drieënveertigste boek Ante Diluvium wijst naar een mythologische oertijd, een bepalende - want: traumatische - periode uit het leven van de verteller.
In deze magnifieke flauwekul vol akelige schooljongens, sadistische onderwijzers en tot leven gekomen figuren uit Karl May's jongensboek De dood van Winnetou resoneren allerlei beelden en archetypen krachtig en dringend mee. Het vanbinnenuit tot wasdom gekomen, postmoderne verhaaluniversum van Brakman is extreem, want de stilistische franje is tot in het absurde gehypertrofeerd en de verhaallogica is in een grijs verleden overboord gezet.
Ook in de andere genomineerde, alle door het postmodernisme aangeraakte boeken heeft de verbeelding vrij spel, al zijn de verschillen in aanpak en stijl groot. Het minst beviel de debuutroman Zwart glas van Bleeker & Elmendorp me, waarin de verbeelding zich nestelt in een overzeese wereld van liefde, misdaad en spionage. De tegen de achtergrond van de Ierse burgeroorlog spelende, nogal wat genres in zich verenigende roman is beslist onderhoudend en gehaaid in elkaar gezet, maar de suspense staat, zeker tegen het slot, uitdieping van de aangesneden ,,zware'' problematiek in de weg.
In het eerste hoofdstuk van Herman
Franke s derde, uiterst ambitieuze roman De verbeelding komt het standbeeld van admiraal Horatio Nelson op Trafalgar Square tot leven en dat gegeven fungeert in de rest van de roman als de verteltechnische motor voor alle overpeinzingen van de zeeheld en die van een enorme stoet personages - Franke leeft zich als een bezetene in, hanteert verschillende registers en zwiert door de verschillende tijden. Een sterke vondst, maar de woekering van ruim vierhonderd kunstige pagina's wordt niet voldoende gelegitimeerd door Frankes schrale, pathetische thematiek van de aardse zinloosheid, oftewel ,,het ijdele geluk en het vergeefse lijden van alle mensen''.Van den Brink s sobere, geserreerde, filosofisch angehauchte kleinood Over het water moet het daarentegen juist van de suggestie en de thematiek hebben. Het in de jaren dertig en in oorlogstijd spelende verhaal gaat ogenschijnlijk alleen over de sportprestaties van twee roeiers. Maar in dit ,,sportboek'' wordt heel wat meer omgewoeld: het vooroorlogse standsverschil, de behoefte aan een ander leven, de wil om aan jezelf te ontstijgen, het leed van de gedeporteerde joodse burgers. Het belangrijkste is, via de roes van de pijn en het zelfverlies tijdens het roeien, Van den Brinks poging een geluksmoment uit te drukken. Geluk is gelijk aan het opheffen van tegendelen, ,,niet door gelijkheid maar door innige omhelzing van verschillen''.
Ook Frans Denissen overschrijdt de grenzen van het genre in zijn André Baillon-biografie De gigolo van Irma Ideaal . Tegelijk met het levensportret van de (eveneens door hem vertaalde) vrijwel vergeten, gedoemde Franstalige auteur Baillon brengt hij de eigen fascinatie voor zijn onderwerp in kaart. Het is aangenaam leesvoer, want Baillon was een heel slecht mens en vooral zijn gemanipuleer en geharrewar met vrouwen liegt er niet om - regelmatig barst Denissen in morele verontwaardiging uit, zoals hij ook het genre van de biografie problematiseert en structureel zijn twijfels kenbaar maakt. Aan Denissens boek kleeft helaas één nadeel: deze gepassioneerde biografie van de marginale auteur Baillon maakt hem als schrijver niet minder marginaal.
In zijn gefingeerde autobiografische roman Naar Merelbeke (1994) lapte Stefan Hertmans al lustig pasticherend de begrenzingen van het verkozen genre aan de laars, maar dat is nog niets vergeleken met zijn subversieve behandeling van het reisverhaal in Steden. Verhalen onderweg . Lezing levert de merkwaardige sensatie op daadwerkelijk met Hertmans mee te lopen en te denken tijdens zijn tochten door Marseille, Bratislava, Wenen, Triëst, Sydney, Dresden en andere steden.
Dan rijst ook de vraag waaruit Steden eigenlijk bestaat: uit verhalende essays, reisimpressies, intellectuele, soms polemische standpuntbepalingen, stadsgewijze verkenningen naar de literaire erfenis van bewonderde voorgangers, existentiële confrontaties met zijn jongere zelf, herinneringen, clichés, enthousiasmerende waarnemingen van plek en vrouw, cultuurfilosofische analyses, liefdesverklaringen en bezweringen van de vigerende leegte? Het antwoord: dat alles tezamen en meer. Of in Hertmans' woorden: ,,Reizen is vaak achteraf iets vinden wat je niet had gezocht.''
Welke genrevernieuwende grensoverschrijder moet aanstaande zondagmiddag in het leuterprogramma De Plantage de hoofdprijs winnen? Een bekroning van de oeuvrebouwer Brakman kan vanzelf nooit losstaan van een oordeel over de rest van zijn boeken en dan is de P.C. Hooftprijs de enige juiste beloning. Die ontving hij al in 1980, dus het wordt tijd die prijs nog maar eens aan hem uit te reiken. Als de Generale Bank-jury alleen let op het beste boek, wint Steden .