JEF GEERAERTS
Goud
Antwerpen/Amsterdam:
Manteau
148 blz.
595 fr.
Met Goud heeft Jef Geeraerts zijn tweede 'literaire' roman op rij geschreven, na met De CU Chi Case (1993) zijn (voorlopige?) afscheid van de misdaadroman te hebben aangekondigd. Zoals we dat van hem gewend zijn staat 'literair' ook hier weer synoniem voor 'autobiografisch'. In zijn 'literaire comeback' De nachtvogels (1994) hulde die autobiografie zich nog in een - weliswaar transparante - fictionele mantel, in Goud lijken de verteller en de (schrijvende) mens Jef Geeraerts weer helemaal samen te vallen - zoals in de Gangreen-cyclus en met de restrictie dat een schrijvend ik toch altijd wezenlijk een ander is, natuurlijk.
Het verhaal van Goud situeert zich op twee niveaus, op twee tijdstippen, in twee continenten. Er is het heden, Vlaanderen anno 1995, waarin de schrijver ons in dagboekachtige notities een selectieve blik gunt in zijn privé-leven. En er is het verleden, Kongo anno 1955, waarover Geeraerts zijn vrouw Eleonore en ons lezers een verhaal vertelt 'dat hij nog nooit iemand heeft verteld zoals het echt gebeurd is'. Dat opgespaarde verhaal is de eigenlijke 'Goud'-geschiedenis.
Hierin krijgt de lezer een synoptische beschrijving en verklaring van alles wat de ex-koloniaal Geeraerts blijvend fascineerde aan het donkere hart van Afrika (en van hemzelf). Dat laat zich in hoofdzaak herleiden tot de paradoxale, want bevrijdende regressie van cultuurmens tot natuurmens, van door christelijke metafysica geconditioneerd (en verziekt) westerling tot overtuigd beoefenaar van een animistisch hedonisme. Niks nieuws onder de (tropische) zon dus, voor wie een beetje vertrouwd is met Geeraerts' vroegere werk. Het 'goud' uit de titel is (niet meer dan) de rode draad waaraan deze - vaak verrassend discursieve, rationaliserende, soms zelfs pseudo-wetenschappelijke - beschouwingen over het leven in het Afrikaanse paradijs, het 'prehistorische continent' worden vastgeknoopt. Assistent-gewestbeheerder Geeraerts ontdekt samen met de broer van zijn (illegitieme, uiteraard) zwarte vrouw Mbala - stoeipoes par excellence, de verpersoonlijking van de levenslust - een goudader in een rivier. Dit is het begin van een reeks onaangename verwikkelingen die de verteller uiteindelijk in een lastig parket brengen en die uitdraaien op chantage, moord en verstoorde relaties. Ook de Afrikaanse nobele wilde blijkt niet opgewassen tegen het altijd weer corrumperende materialisme, 'De verordeningen des Heren zijn kostelijker dan goud' (Psalm 19: 11), zoals een wel enigszins verrassend motto van de roman ons leert.
GERT DE NUTTE