Schrijver Friedman, Cari
Titel Tralievader
Jaar van uitgave
1991Bron Trouw
Publicatiedatum 13-02-1992
Recensent Inez van Eijk
Recensietitel Kamp? herhaal ik met grote ogen
In veertig 'schetsen' - dit ouderwets aandoende woord is hier het best op z'n plaats - zet de auteur een naoorlogse vader neer die een Duits concentratiekamp heeft overleefd. Zijn gedrag en zijn verhalen worden door zijn dochtertje en twee zoons geregistreerd.
"Veel meer nog dan een plaats is het kamp een toestand. 'Ik heb kamp gehad', zegt hij. Daarmee onderscheidt hij zich van ons. Wij hebben waterpokken gehad en rode hond. En Simon heeft, nadat hij uit een boom was gevallen, wekenlang in bed gelegen met een hersenschudding. Maar kamp hebben wij nog niet gekregen."
Hoezeer de kinderen ook hun best doen er iets van te begrijpen en zich een voorstelling proberen te maken van zo'n kamp, het blijft bij registreren en observeren - terwijl vader hun toch stof te over biedt want hij kan er maar niet over ophouden. Het kamp maakt nog steeds zijn dagelijkse werkelijkheid uit. Zijn oudste zoon verwijt hem dat hij niet van zijn kinderen houdt maar van zijn beulen, zijn SS-ers:
"Als wij eten begin jij over honger. Als wij verkouden zijn, begin jij over vlektyfus. Andere vaders voetballen op straa@ maar als ik een keer een vriendje meebreng, zit jij over het kamp te praten."
Van de kinderen raakt deze zoon nog het dichtst bij de kern van zijn vaders kampverleden, maar hij kan het alleen maar op een rationele manier benaderen en dus lopen zijn pogingen uit op aanvaringen; de vader is helemaal niet toe aan enige rationalisatie en distantie. De twee jongere kinderen bouwen de kampverhalen om tot hanteerbare elementen voor hun eigen werkelijkheid. Zo stelt het meisje zich na een onderduikverhaal voor dat hij onderin het keukenkastje zit,
"overdwars in het afdruiprek, met de vaatkwast in zijn nek."
Op
school tekent ze gevangenen die voor straf moeten kijken naar een gehangene. Om de juf een enthousiastere reactie te ontlokken, maakt ze dan maar een tekening van vijf kabouters in de sneeuw en één in een wachttoren. De verhaaltjes in 'Tralievader' (een vervelende gekunstelde titel trouwens) zijn allerminst lannoyant. De dochter beschrijft haar vader eigenlijk niet als een ziefige man, terwijl hij op zijn slechtste momenten toch een menselijk wrak is, gekweld door slapeloosheid, angstaanvallen en nachtmerries. De verpleegster in het sanatorium waar hi'behandeld wordt voor zijn tbc vindt hem maar hinderlijk : zo'n man die anderen 's nachts wakker schreeuwt. Je zou de manier waarop de vader over het kamp vertelt anekdotisch kunnen noemen,
ongeveer zoals een dienstplichtige sterke verhalen vertelt uit zijn rekrutentijd in Ossendrecht. De dochter plaatst zijn 'anekdotes' in het kader van haar kindertijd en geeft niet zelden een grappigbittere wending aan hun hefimeringen. Een schoolvriendinnetje zit bij de Kabouters (een afdeling van de Padvinderij):
52t
Ik mag niet bij de Kabouters', vertel ik de volgende dag aan Nellie. 'Jammer', zegt zij, 'want danmis je een heleboel film en speurtocht bijvoorbeeld. En kamp.
'Kamp?' herhaal ik met grote ogen."
Het onderscheiden van haar eigen werkelijkheid en de door haar vader opgeroepen wereld kost het meisje nog de meeste moeite. Vader en kinderen maken een tochtje met de auto. Bij een bos stopt hij.
"Mooi bos om in te vluchten. Zo dicht en diep. Hier vinden ze je nooit, geen schijn van kans." Als hij uitstapt en het bos inloopt, antwoordt het meisje op de vraag van haar broertje wat hun vadergaatdoen: "Gewoon,eenbeetjevluchten."Evenlaterkomtvaderterugmetbramen. "Gelukkig hebben ze je niet gevonden", verzucht de dochter. "Wie?" vraagt de vader dan verrast, zichzelf op dat moment blijkbaar minder serieus nemend dan zijn dochter doet. De kampwerkelijkheid van hun vader lijkt de kinderen niet te belasten, ze vinden het op z'n hoogst nogal hinderlijk. "Vertel eens een verhaal", vraagt het broertje Simon op een zomeravond als de hele familie in de tuin zit. En vader begint. Over hoe de gevangenen gestolen hondevoer aten, gemaakt van botten en bloed. "'Dat is toch geen verhaal', bromt Simon teleurgesteld, 'Dat is echt!"' Vervolgens vertelt vader over Roodkapje die op weg is naar haar grootmoeder die met tyfus in het Revier ligt. "Nee', zegt Simon, 'zo hoeft het niet"'
De verhalen van de vader zijn in de verleden tijd gesteld, de waarnemingen en reacties van de kinderen in de tegenwoordige tijd. Daarmee maakt Friedman het zich niet gemakkelijk. Zij balanceert op de rand van de argeloze kinderfijke waarneming en de interpretatie van de volwassene achteraf, want ze is er niet helemaal in geslaagd die commentaarloze kinderblik intact te laten. Nfisschien wilde ze dat ook niet, maar dat is dan niet altijd helemaal duidelijk. Friedman (1952) geeft in dit prozadebuut (ze publiceerde eerder gedichten) overtuigend blijk van vakmanschap. Haar onnadrukkelijke woordkeus doet recht aan het onderwerp dat geen mooischrijverij of effectbejag toelaat.