De stille slachtoffers van de literatuur
Al bij mijn eerste brilletje?

Herman Franke
Afgelopen zondag was de Nederlandse schrijver Herman Franke, met De verbeelding winnaar van de Generale Bank Literatuurprijs 1998, te gast op de Antwerpse Boekenbeurs. Zoals zovele schrijvers werd hem de vraag gesteld wat hij van de affaire Brusselmans vond. Een boek verbieden op basis van een uitspraak van een fictief personage, dat kan niet, zei Franke. Ook al, voegde hij eraan toe, omdat een juridisch verbod de ethische discussie over zo'n geval kortsluit. En díe discussie wil Franke wél voeren: de literatuur maakt slachtoffers, het gebruik van andermans leven in een boek stelt dilemma's, en die moeten we niet uit de weg lopen.
Een voorpublicatie uit De tuinman en de dood van Diana, een bundel verhalende beschouwingen die deze week verschijnt.

ESSAY


Het begon te regenen. Wellicht dat ik daarom mijn hoofd iets boog en een beschreven stuk papier op de stoep zag liggen, half verscholen achter het voorwiel van een ouderwetse herenfiets. Op het gebied van het geschreven woord ben ik een onfrisse gluurder. Ik bukte me, raapte het op en stopte het in mijn binnenzak. Pas dagen later vond ik het daar, op zoek naar een ander papiertje, weer terug. Ik las:

Vanwaar de zucht om te verdedigen?
De verslaving aan pruilen.
Habituele wrevel.
Het verlangen naar medeleven.
Waarom niet wat meer genieten?
Hoe is het begonnen?
Al bij mijn eerste brilletje?

Al bij mijn eerste brilletje?
Wat een overvolle lade met treurige associaties trekt deze regel open. De mooiste poëzie ligt op straat, dat zie je maar weer.
Er stond nog wat op het papier gekrabbeld. De auteur vroeg zich af hoe hij de lege accu in zijn innerlijk weer kon opladen. Hij gaf zichzelf de opdracht dagelijks in een dagboek zijn vorderingen te noteren. Bovendien verbood hij zichzelf in april en mei ,,nevenactiviteiten'' (,,cursussen e.d.'') te ondernemen. ,,En ook niet in juni, juli, augustus en september,'' voegde hij eraan toe. ,,Dan lukt 1 januari misschien,'' luidde de optimistische slotzin.
Op de achterkant van het papier stond een getypte tekst. Het bleek een zakelijke brief te zijn waarin op het nakomen van verplichtingen werd aangedrongen. Naam en adres van de geadresseerde stonden links bovenaan. Ik weet dus wie de man is wiens leven ernstig heeft geleden onder het eerste brilletje. Ik zou het bovenstaande zó kunnen opschrijven dat zijn zakelijke relaties, zijn familieleden en zijn vrienden hem erin herkennen. Ik zou zelfs gewoon zijn naam kunnen verklappen. En als ik dit stuk ook nog in een dagblad zou publiceren, is de kans groot dat de auteur zelf leest hoe zijn allerintiemste geheimpjes op ironische toon voor de wolven worden gegooid. Zijn telefoon gaat. ,,Goh, dat jij zo'n last hebt gehad van dat brilletje,'' zegt een vriend die altijd al op een kans zat te wachten om zout in zijn psychische wonden te strooien. Hij voelt zijn accu weer leeglopen.
Ik denk dat iedereen mij een schoft zou vinden als ik de tekst van dat briefje inderdaad op deze manier openbaar zou maken. En waar mensen je een schoft vinden, zijn ethische grenzen overtreden, ook als je je er niets van aantrekt. Daar hoef je geen ingewikkelde boeken over ethiek voor te lezen. Toch doen nogal wat romanschrijvers in meer en mindere mate wat ik zojuist beschreef: zij openbaren op herkenbare wijze de intieme geheimen van mensen die daar niet om gevraagd hebben.
Onder de titel ,,Zou hij mij bedoelen?'' schreef ik in 1995 over dit ethische probleem een artikel in Trouw. Dat stuk vind ik nu te opgewonden en beschuldigend van toon, waardoor het ook mensen aansprak die ik niet wil aanspreken, mensen die een hekel hebben aan elke literaire verbeelding van de werkelijkheid en graag van alles en nog wat verbieden. Maar het schrijversdilemma blijft boeiend en de opening van het stuk kan er qua probleemstelling nog wel mee door: ,,Je kind, geliefde, vriend of collega zal maar schrijver zijn. Dan lees je op een kwaaie dag een roman waarin je intiemste gevoelens, je zwakste momenten en je kwetsbaarste uitspraken open en bloot te schande gezet worden. Weerloos ben je. Vogelvrij. Als op een negentiende-eeuws schavot sta je daar. Naakt. Het grote publiek lacht, bekkentrekt, spuugt en wijst spottend met de vinger naar de lichaamsdelen waarvoor je je altijd geschaamd hebt: je kromme neus, je grote tieten of je afhangende schouders. Je miezerigste zonden en karaktertrekken staan in grote letters vermeld op een bord dat onder je kin hangt. En zelfs als er niet kwetsend maar liefdevol over je geschreven wordt, is je persoonlijke levenssfeer ernstig geschonden. Wie wil graag dat iedereen leest hoe kleinzielig je bent in de persoonlijke omgang? Schrijvers misschien, maar die weten altijd wel een diepe persoonlijkheidslaag aan hun gedrag toe te voegen. Die hebben de woorden zelf in handen.''

De literatuur maakt vele ,,stille slachtoffers'', schreef ik als ,,advocaat van de duivel'' want tenslotte ben ik zelf schrijver en op dit vlak niet geheel van smetten vrij. Hoeveel lezers uit de kennissenkring van schrijvers menen - terecht of ten onrechte - zichzelf te herkennen in een roman en tobben daarover in de kleine uurtjes als het maanlicht over alle levensvragen toch al een vaag, beangstigend schijnsel werpt? Zou hij mij bedoelen? Ben ik zó egocentrisch? Dus hij heeft me nooit voor vol aangezien! Zo arrogant ben ik toch niet? Hoeveel kennissen van schrijvers menen te weten wie model heeft gestaan voor een verderfelijk personage en vertellen dat, besmuikt lachend, rond op feestjes en in kroegen? Wist jij dat Annie zó geil was? Goh, een harde jongen, die Johan. Nooit geweten dat de vader van Vincent zo'n ploert was.
Uit de reacties op mijn eigen romans en die van bevriende collega's weet ik hoe ver de vermoedens en gissingen kunnen gaan. Mensen aan wie je bij het schrijven geen moment hebt gedacht, voelen zich misbruikt of in hun privacy aangetast. Onthullend soms, maar ook pijnlijk. Nu gaan bij mij autobiografische elementen gelukkig vele malen door de gehaktmolen voor ze gebruikt worden, zodat alleen ikzelf me er nog in herken. Maar hoe zit het met de kennissen en intimi van gevierde schrijvers die hun helden naar zichzelf modelleren en in romans heel dicht bij hun eigen leven zitten, ook al is het fictie?
In Asbestemming toont A.F.Th. van der Heijden zich sterk bewust van dat ethisch probleem. Hij schrijft dat de moeder van het verongelukte neefje dat de aangrijpende hoofdpersoon vormt in Weerborstels onaangenaam getroffen was door de publicatie. Ze had ,,op z'n minst'' een brief van hem verwacht. Als hij later die brief schrijft, gaat hem dat moeilijk af en doorspekt hij zijn uitleg kennelijk met venijnige opmerkingen: ,,Ik merkte dat ik, met mijn vergiftigde brein, mijn door gif gestuurde hand, andere woorden koos dan ik al weken in gedachten had.'' De tante wordt in de hoek gezet van iemand ,,die zo nodig alles in de novelle letterlijk wilde nemen''. Hier wringt de schrijversmoraal en hij weet dat het wringt. Tijdens de crematieplechtigheid van zijn vader vraagt hij zijn tante of ze de brief ontvangen heeft en er misschien nog eens over wil praten. Ze antwoordt dat ze er ,,nooit meer'' over wil praten. ,,Dat is 't 'm nu juist.'' Van der Heijden zegt dan: ,,Dan hoop ik dat je begrijpt dat ik niets gemeens in de zin heb gehad.'' Daarna schudt zij met haar hoofd en loopt door.
Ik vind dit een ontroerende passage, waarin de ethische kant aan het gebruik van andermans leven in de literatuur op de juiste manier gesteld wordt: als een dilemma.
In hetzelfde boek laat Van der Heijden weten dat zijn alcoholische vader zijn boeken niet of nauwelijks las. Maar zijn moeder las ze wel. Ze verzuimde volgens hem niet de boeken aan zijn vader samenvattend na te vertellen, ,,nogal tendentieus, met weglating van de korst van fictie''. En vervolgens zou ze gezegd hebben: ,,Nou, hoe vind je dat nou, als je eigen kinderen zo over die toestanden schrijven?'' Van der Heijden voegt er tussen haakjes aan toe: ,,In haar handen werden mijn boeken een soort zoutbroden waarmee over oude wonden geschuierd werd''. In hetzelfde boek schrijft hij dat hij zich ,,het recht'' voorbehoudt zijn ervaringen ,,zonder anderen te belasteren of moedwillig te kwetsen, net zo lang te bewerken en om te smeden tot ze in een roman kunnen dienen''. Dat recht heeft hij natuurlijk, maar dat neemt niet weg dat zijn boeken onwillekeurig wel degelijk kwetsten, hoe prachtig geschreven ze ook zijn en hoeveel liefde voor zijn ouders er ook in doorklinkt.

Schrijvers worden vaak geprezen voor hun durf. Hun diepste gevoelens geven ze prijs aan de openbaarheid en iedereen kan er de spot mee drijven. Maar zijn schrijvers wel zulke helden? Geliefden, familieleden en vrienden van schrijvers krijgen de klappen die de schrijver ontwijkt door het allemaal op te schrijven en voor de wolven te gooien, denk ik wel eens, als advocaat van de duivel. Er bestaat geen schrijversmoraal. Schrijvers zijn parasieten, ze zuigen, soms tot meerdere eer en glorie van zichzelf, iedereen leeg die in hun buurt komt.
Ik heb de overtuiging dat de laatste jaren steeds meer schrijvers onnadenkend of zonder scrupules hun naaste omgeving herkenbaar gebruiken voor hun literaire productie.
,,Natuurlijk! Je zou toch wel een sukkel zijn als je het niet gebruikte! Kom op zeg,'' antwoordde Carla Bogaards in de Volkskrant (13 oktober 1995) op een vraag naar het autobiografische gehalte van haar nieuwste boek over haar zusje dat door Willem Kuipers in dezelfde krant een ,,ongelooflijke truthola'' werd genoemd.
De populariteit van reality fiction hangt zeker samen met de door uitgevers en recensenten uitgedragen voorkeur voor onvervalst realisme, nihilisme en straatrumoer, maar waar de romanstructuur wijkt voor het dagboekachtig noteren van ervaringen en observaties, neemt de herkenbaarheid van personages toe. En daarmee, als ze er slecht van afkomen, hun gekwetstheid. De literatuur wordt meegezogen in de massamediale hang naar het openbaren van de intiemste ervaringen van mensen die pas de day after beseffen wat ze gedaan hebben. Ze zijn psychisch kwetsbaarder en de sociale omgeving is wreder dan ze dachten. Nadat de televisielampen doven, staan ze ook thuis opeens in een psychische duisternis. Naar de slachtoffers van de emotionele pornografie op radio en televisie is al onderzoek gedaan. Het verlangen om één keer op de televisie uit de grauwe anonimiteit te treden met uiterst persoonlijke ontboezemingen, vraagt zijn tol in de vorm van sociale isolatie, relatiebreuken en psychische problemen. Hoe het de vele ,,slachtoffers'' van de autobiografisch getinte reality fiction vergaat, interesseert en weet niemand. Die durven gewoonlijk hun mond niet open te doen want hoon is hun deel, als er al op gereageerd wordt. Zwijgen ze, dan stemmen ze toe; verweren zich dan begrijpen ze niets van literatuur. Als het tegenzit, krijgen ze er in smalend geschreven stukken in dagbladen nog eens extra van langs, zoals de tv-presentator die in Vals licht van Joost Zwagerman als een patserige hoerenloper geportretteerd werd.
De buitenwereld bemoeit zich, of je het als schrijver nu wilt of niet, met de inhoud van je boeken. ,,Laat die beerput toch dicht,'' zei de Groningse familie van Jean-Paul Franssens, maar de kunstenaar verwierp, naar eigen zeggen, deze burgerlijke schaamte en zette zijn hooggeprezen en ontroerende autobiografische serie onverstoord voort. ,,Die dingen zijn gewoon gebeurd. Maar zij noemen dat de vuile was. En vuile was hoor je binnen te houden. Nou, ik hang die vuile was gewoon buiten, dan komt er tenminste een beetje frisse lucht in die gore lappen,'' zei hij tegen een verslaggeefster van HP/De Tijd (21 januari 1994). Achter deze frisse, onomwonden taal zou wel eens meer schuldgevoel verborgen kunnen zitten dan de schrijver wil toegeven.
,,Maar wat als een beschrevene moeite heeft te leven met zijn optreden in Voskuils werk?'' vroeg Joyce Roodnat aan Voskuil tijdens een interview voor NRC Handelsblad (1 maart 1996), waarin hij bevestigt dat hij zich in Het Bureau zeer nauw aan de werkelijkheid houdt (,,Niet één scčne is verzonnen''). ,,Een geďrriteerde trek maakt zijn gezicht ineens oud'', merkt de interviewster op. ,,Het gaat niet om hen, het gaat om mij,'' zegt Voskuil. ,,Om te kunnen leven moet ik beschrijven wat ik heb geleerd van het contact met anderen.'' Maar misschien willen die anderen ,,om te kunnen leven'' juist niet in het openbaar uitgekleed en geridiculiseerd worden. Je kunt je van een ethisch probleem niets aantrekken, maar daarmee is het niet verdwenen. Bij moraal gaat het niet alleen om ,,ik'', maar ook en juist om de anderen. Dat is wat moraal tot moraal maakt.

Het wijzen op deze ethische keerzijde van het autobiografisch schrijven werd mij in het land der letteren niet door iedereen in dank afgenomen. Ik zou schrijvers monddood willen maken. Ik zou censuur bepleiten. Droogstoppelig gezeur en saai gezever, een kunstenaar onwaardig, waren termen die gebruikt werden om de lastige moraal onschadelijk te maken. Arnold Heumakers schreef in de Volkskrant (2 november 1995) dat mensen het een eer moeten vinden om in een goede roman te fungeren, ook als ze daarin psychisch uitgekleed of bespot worden. ,,Een goede roman strekt ook het slachtoffer tot eer,'' aldus Heumakers. Maar wat heb je aan die eer, als in de goede roman juist jouw eer en goede naam zijn aangetast? Heumakers' argument lijkt sterk op de hooggestemde leugen waarmee sinds jaar en dag arme sloebers ertoe gebracht worden voor God en vaderland te sterven op het slagveld. Het is een eer, jongen, vergeet dat niet.
,,We leven in een harde wereld, al doet een bloeiende klaag- en therapiecultuur haar uiterste best om overal de scherpe kantjes van af te halen. Frankes artikel past daarin,'' schreef Heumakers ook nog. Ik zou geen oog hebben voor de weerbaarheid van de literair gekwetsten. En daarna volgde een flauwe passage over dat ouders hun schrijvende kinderen kunnen onterven en dat vrouwen de bijslaap kunnen ontzeggen aan hun schrijvende echtgenoten. Nou, ik ben weerbaar genoeg en voor de duivel niet bang, maar ik moet er niet aan denken dat een schrijvende vriendin mij herkenbaar portretteert met al mijn zwakheden, tekortkomingen en potsierlijke vrijgewoontes. Als ik pech heb, is zij ook nog een heel goede schrijver die mijn gevoel en mijn gedachten genadeloos weet door te prikken in een klassiek boek dat ook mijn kinderen en kindskinderen zullen lezen. Ik zou het haar buitengewoon kwalijk nemen. Maar ik zou er het leed dat is geschied niet mee kunnen terugdraaien.
De ex-vrouw van Jef Geeraerts voelde zich verraden toen hij in de ins and outs van hun mislukte huwelijk in Het zevende zegel (1977) openbaar maakte. Ze verweerde zich met een eigen roman, maar dat tegengif werkte natuurlijk alleen maar als olie op het vuur. Onder de titel ,,Het fictionele ongemak'' (CPNB-Boekenweekmagazine Familie-album, maart 1999) verzamelde Hans Renders nog meer voorbeelden van familieleden die tot hun woede in autobiografische romans geportretteerd worden. ,,De Nederlandse literatuur zit vol met echte of vermeende afrekeningen. Je doet er als geportretteerde niets tegen,'' aldus Renders.
Heumakers en anderen beweerden ook dat wie zich iets aantrekt van zijn omgeving geen schrijver moet worden. Een schrijver staat buiten de wereld van goed en kwaad, zo luidde de communis opinio. Bij literatuur telt slechts de esthetische kwaliteit van het resultaat. Je mag de werkelijkheid nooit met de inhoud van een roman verwarren. Dat laatste is natuurlijk waar, maar de meeste lezers doen het nu eenmaal wel. Aan de esthetische kwaliteit hebben ze soms helemaal geen boodschap. En juist met die lezers hebben personen te maken die in een roman herkenbaar geportretteerd worden.

In mijn roman Weg van loze dromen (1992) speelt het inktzwarte gedachtegoed van de Duitse filosoof Eduard van Hartman (1842-1906) een belangrijke rol. Volgens Von Hartmann bestaat het meeste geluk uit het ontbreken van ongeluk. Geluk pur sang is buitengewoon zeldzaam. Per saldo, zo becijferde hij in zijn driedelige Philosophie des Unbewussten, zal er in de wereld altijd veel meer ongeluk dan geluk zijn. Een Berlijnse arbeidersjongen trok aan het eind van de vorige eeuw uit Von Hartmanns pessimisme de conclusie dat hij zijn boezemvriend uit het aardse tranendal moest bevrijden. Hij sloeg hem dood en was trots op deze daad van naastenliefde. De dader kwam in een psychiatrische inrichting terecht, maar Von Hartmann werd voor de rechter gedaagd. De jongeman zou het slachtoffer van zijn filosofie geworden zijn. Er werd beweerd dat andere jongeren zelfmoord hadden gepleegd na lezing van Von Hartmanns boek, zoals dat een eeuw eerder gebeurde na het verschijnen van Goethes Die Leiden des jungen Werthers. In zijn roman wordt in verschillende vormen de vraag gesteld wie er schuldig is aan de desastreuze gevolgen van dwingende gedachtestelsels. Von Hartmann onttrok zich voor de rechter hooghartig aan elke verantwoordelijkheid. De filosofie moest volgens hem rücksichtslos naar de waarheid zoeken, ook als daardoor de aardse illusies van eenvoudige mensen vernietigd worden.
Aan deze gevoelloze arrogantie moest ik denken toen in 1997 weer een felle discussie oplaaide over de ethische kant van Voskuils Het Bureau. Een oud-medewerker van Voskuil op het P.J. Meertens Instituut toonde zich moreel zeer gekwetst op de opiniepagina van NRC Handelsblad (10 juni 1997). Zijn vertrouwen was geschonden, vond hij. Hij schreef over ,,de wraak van Voskuil''. Daarna kreeg hij onder uit de zak van lezers en columnisten, maar volgens hem deden alle argumenten ,,niets af aan het moreel-verwerpelijke van Voskuils onderneming'' (5 juli 1997).
Arnon Grunberg deed een parmantige duit in het zakje door een literaire moraalfilosofie te ontvouwen waar de honden geen brood van lusten. ,,Ik ben van mening dat op deze wereld geen klimaat van vertrouwen heerst en kan dit met argumenten staven. Een klimaat dat niet heerst, kan ook niet geschonden worden. Dat betekent dat alles mag, want niets dat waardevol is, heerst,'' schreef hij in NRC Handelsblad (28 juni 1997). Je ziet de schrijver genietend achteroverleunen in zijn stoel. Zo, die zit, ik bevind mij hier eventjes heel krachtig jenseits Gut und Böse. Het treurigste is dat hij nog steun kreeg ook. Stephan Sanders vond in de Volkskrant (5 juli 1997) zelfs dat de hele discussie na de wijze woorden van Grunberg niet meer bestond. ,,Game, set and match,'' aldus Sanders.
Gelukkig waren er ook lezers die begrepen dat een probleem zich niet laat oplossen door het te ontkennen. Mensen die iets doen wat niet door de beugel kan, hebben vaak de neiging elke moraal te ontkennen, want dat ontlast het geweten op aangename wijze. Je hoeft je voor niets meer verantwoordelijk te voelen. Je neemt gewoon een biertje of een pilletje. Geen gelul, moraal bestaat niet want de hele wereld is slecht. Maar altijd komen dan de slachtoffers van de niet-moraal vroeg of laat opdagen. Ook zij gaan hun verhaal aan de grote klok hangen en dan is de moraal weer terug van weggeweest, gezond en wel. Opeens belt er een man met contactlenzen aan. ,,Door uw verhaal over mijn eerste brilletje is mijn accu weer helemaal leeg en lukt 1 januari niet,'' zegt hij. En daar sta je dan. ,,Ach, rot toch op meneer, alles mag, want niets dat waardevol is, heerst,'' zou Grunberg zeggen. Ik zou er ethisch niet eens veel problemen mee hebben als die man dan zijn brilletje afzette en zijn vuisten liet spreken.
Ton D., die in Voskuils boeken voorkomt als de ziekelijke, ongemotiveerde Ad Muller, sprak zich in een pagina-groot interview in de Volkskrant (16 mei 1998) uit over hoe pijnlijk hij deze typering vindt. Voskuil was twintig jaar zijn baas. Hij ervaart de boeken als ,,een schending van vertrouwelijkheid''. Uit het interview rijst een man op die met angst en beven het volgende deel tegemoet ziet en zich tevergeefs tracht te verweren tegen al het naars dat er over hem in Het Bureau gezegd wordt. Het knaagt aan hem en pas in september 2000, als het laatste deel uitkomt, is het voorbij.
,,Als ik zelf niet in Het Bureau voorkwam dan zou ik er intellectueel plezier aan kunnen beleven. Maar nu, zo gauw het in mijn buurt komt begint het te wringen. En dat went niet hoor. Dat went niet,'' zo eindigt het interview. Ik ken nog twee mensen die op het P.J. Meertens Instituut gewerkt hebben en er in Het Bureau niet best afkomen. Als Voskuil ter sprake komt zie je woede, angst en schaamte in hun blik. En als je vervolgens hoort hoe ze passages uit de cyclus als onwaar bestempelen, krijg je tranen in je ogen want ze vechten kansloos tegen een fictieve werkelijkheid die toch geheel op waarheid berust. Hun gehoor luistert geamuseerd toe. Om Orwell-achtige nachtmerries van te krijgen.

Het probleem dat ik hier aansnijd, bestaat natuurlijk al langer dan vandaag. In 1904 publiceerde Jacob Israël de Haan zijn autobiografische roman Pijpelijntjes, waarin zijn homoseksuele verhouding met schrijver en criminoloog Arnold Aletrino openlijk en voor iedereen herkenbaar beschreven werd. Destijds - nog geen tien jaar na de ondergang van Oscar Wilde - kon dit dodelijk zijn voor een maatschappelijke carričre. Aletrino verbrak woedend zijn contact met De Haan en kocht zo veel mogelijk exemplaren van Pijpelijntjes op, maar enkele tientallen raakten toch in omloop. De Haan bracht daarna een nieuwe versie van het boek uit, waarin de openlijke verwijzingen naar Aletrino en hemzelf ontbraken (de Volkskrant, 2 juli 1999). Dat had hij dus ook meteen kunnen doen.
Na het verschijnen van Blank en geel in 1894, waarin Lodewijk van Deijssel het leven van zijn nicht Mia Cuypers als inspiratiebron gebruikte, bleek die nicht niet zo onder de indruk van ,,dat je me de eer!!?? (hm-hm) aandoet me te willen beschrijven.''
,,Karel, Karel!'' schrijft ze. ,,Je weet, ik heb altijd je schrijftalent bewonderd. Hoe kon je nu zoo'n pathetische, rijke, ware geschiedenis vol romantiek in zoo'n alledaags feuilletonnetje verknoeien! Wat gaf je het recht hiertoe? hadde je 'my story' willen schrijven dan hadt je je liever aan mij om opheldering in de aan je onbekende punten moeten wenden voor dat het in druk kwam. Was het alleen als een product van je fantasie bedoeld, dan verzet ik me tegen het recht dat je je aanmatigt die schepping met mijn uiterlijk te bekleeden.''
Om dit leed van een ,,slachtoffer'' van de literatuur kan ik ook nog wel lachen. Het blijkt dat ze zich er vooral aan gestoord heeft dat Van Deijssel haar in zijn roman als ,,alledaagsch'' typeert. Maar het kan erger. Kort na de dood van Ischa Meijer deed zijn zus een boekje (Mijn broer Ischa) open over het effect van Meijers Brief aan mijn moeder. ,,Voor mijn moeder is dat heel moeilijk te verwerken geweest. Zoiets had ze absoluut niet verwacht'', schrijft ze. En in een interview (NRC Handelsblad, 6 maart 1996) over zijn biografie van Thomas Mann zegt Klaus Herpprecht dat Mann ,,ijskoud'' elke ervaring, elke emotie uit zijn omgeving voor zijn literaire werk gebruikte. ,,Zijn zes kinderen leden er allemaal onder,'' zegt Hepprecht. Hij voegt eraan toe dat Manns streven naar ,,grootheid'' als morele categorie, waaraan alles mocht worden opgeofferd, een tijdperk afsloot in de Duitse culturele geschiedenis, waarin ,,de uit de achttiende eeuw stammende cultus van het geniale centraal stond''. Gelet op zijn bijdrage aan de Voskuil-discussie heeft Grunberg dit tijdperk weer nieuw leven ingeblazen.
Het meest schrijnende voorbeeld van het leed dat autobiografische romans kunnen aanrichten, zag ik op aangrijpende wijze beschreven in The Silent Woman van Janet Malcolm (Londen, 1995). In dit boek beschrijft Malcolm de lotgevallen van Sylvia Plath en Ted Hughes. Sylvia Plath pleegde zelfmoord en werd postuum beroemd met The Bell Jar (De glazen stolp), een schitterend boek over de psychische en relationele problemen van een jonge vrouw. Voor Hughes hadden Plaths zelfmoord (nadat ze uit elkaar waren gegaan) en de roman, een verwoestende werking op zijn leven. Hoewel hij zelf het initiatief nam tot publicatie van The Bell Jar kreeg hij in kritieken en biografieën langzaam maar zeker de schuld voor Plaths ondergang in de schoenen geschoven. Ook zijn tweede vrouw pleegde zelfmoord en alleen God weet hoe de gebeurtenissen in deze tragedie samenhangen. Hughes meed elke publiciteit over het drama. Pas vlak voor zijn dood in 1998 liet hij iets los over zijn kant van de ,,Plath-history'' in Birthday letters.

Deze voorbeelden geef ik niet om schrijvers de mond te snoeren, maar om te illustreren dat romans niet boven de moraal staan. Zoals alle handelingen van mensen een morele dimensie hebben, zo hebben de romans die zij schrijven dat ook. En zolang het je creatieve vrijheid en uitingsdrang niet bedreigt, is er niets op tegen om ook als schrijver bij de ongewild pijnlijke, wellicht vermijdbare effecten van je werk stil te staan.
Kristien Hemmerechts wijdde haar Albert Verwey-lezing aan fictie en werkelijkheid in haar verhalen (NRC Handelsblad, 3 mei 1996). Zij geeft zichzelf het recht autobiografische gegevens in haar verhalen te verwerken, maar ze toont zich zeer bewust van het ethische probleem: ,,De schrijver is altijd ook een verrader. Berekent met een kil oog hoe hij of zij deze of die intieme ervaring kan gebruiken. Zelfs als hij dat niet wil. Het gebeurt misschien volstrekt onbewust. Uit zelfverdediging bijvoorbeeld. Misschien hoopt hij of zij zichzelf tegen de gebeurtenissen te wapenen door erover te schrijven. [...] Maar welke verzachtende omstandigheden ook voor dit verraad kunnen worden ingeroepen, een wijze man of vrouw hoedt zich voor schrijvers.'' Ik vind dit standpunt ethisch te prefereren boven de bottebijlverdediging van Grunberg.
Dat autobiografische romans vaak ethische problemen opleveren, kan dus moeilijk ontkend worden. Ik geloof in het onder ogen zien van ethische vraagstukken en niet in het verdonkeremanen ervan achter bureaucratische stelregels zoals: je mag nooit romans met werkelijkheid verwarren. Of: voor een schrijver bestaan geen ethische grenzen. Dat is hol retorisch bedrog want er zit heel veel werkelijkheid in veel romans en er zijn in de ogen van hun ,,slachtoffers'' nu eenmaal wel ethische grenzen voor een schrijver. Je zou er als neerlandicus een boeiend promotie-onderzoek naar kunnen doen met schrijnende interviews als empirisch materiaal en de moraalfilosofie van Kant tot Rorty als theoretisch kader. Misschien luidt het onderzoeksresultaat dat in de praktijk de trots over het geportretteerd worden in een roman de ellende en ergernis overtreft. Een antwoord op de morele vragen die autobiografische romans oproepen, zou daarmee nog niet gegeven zijn. En geen enkele filosoof zou het moreel juiste antwoord kunnen geven. Dat antwoord moet de schrijver zelf geven, achter zijn bureau, werkend aan passages waarvan hij weet dat mensen zich erin zullen herkennen. Heeft zijn roman het bijvoorbeeld nodig dat een vroegere minnares herkenbaar als een frigide trut wordt afgeschilderd? Met een beetje verbeeldingskracht is dergelijk leed toch te vermijden? Je maakt van haar een man die briefjes verliest op straat. En je laat haar denken: hoe is het begonnen?
Al bij mijn eerste brilletje?
Ik zou graag een duidelijker standpunt innemen en bijvoorbeeld willen zeggen dat een schrijver zich van niets en niemand iets moet aantrekken. Ik zou stellig willen beweren dat het werkelijkheidsgehalte van literatuur er niets toe doet, never ever. Maar dat vind ik niet. Het gebruik van andermans leven in literatuur heeft ethische aspecten die niet verdoezeld hoeven te worden. En verder weet ik het ook niet. Het blijft natuurlijk afwachten wat Petrus ervan vindt aan de hemelpoort, maar hier op aarde kun je op dit punt als schrijver niet veel anders dan een beetje sjoemelen met werkelijkheid en moraal.

  • HERMAN FRANKE, De tuinman en de dood, verschijnt bij Podium, Amsterdam, 274 blz., 898 fr.

    Terug

    Siteplan
    Colofon
    © Copyright | De Standaard Online 2000
    Design en realisatie door Icon
  • Hosted by www.Geocities.ws

    1