Een bundel 'verhalende beschouwingen' van Herman Franke
Een gemeend compliment aan zichzelf

Jeroen Vullings

Is het niet in L'Etre et le néant dat een man zich in een etablissement gedienstig vooroverbuigt, een doek in de handen, klaar om de bestellingen op te nemen en de klant enorm ter wille te zijn. Die man is volgens Jean-Paul Sartre een ober die de rol van ober speelt. Iets soortgelijks is er aan de hand met Herman Franke. De gewezen criminoloog vertolkt met verve een schrijver. Hij gelooft in het schrijverschap, modern gezegd: hij gáát ervoor. En daarmee is hij een schrijver.


PROZA

Thomas Rosenboom maakte onlangs op een bijeenkomst van Nederlandse aspirant-schrijvers onderscheid tussen de vaklui en de virtuozen. Reve en Mulisch behoren in zijn optiek tot de laatste categorie, maar Rosenboom zelf moet het hebben van dagelijkse discipline, een schema voor de intrige, een strakke planning en nog wat ouderwets klinkende vakmatige kwaliteiten. Het leek wel alsof hij het over de auteur van de bekroonde roman De verbeelding had: Herman Franke is zo'n harde werker, die het voor negentig procent van noeste inspanning moet hebben.

In de Nederlandse kranten NRC Handelsblad en Trouw is hij regelmatig prominent aanwezig met een keur aan dwarse meningen. Dat bedoel ik niet negatief, Frankes stukken zijn doorgaans hartstochtelijk en in de onderwerpskeuze origineel. In een literair klimaat waar Paars regeert, onderlinge tegenstellingen schitteren door afwezigheid, waar gezapigheid en desinteresse troef zijn, valt Franke op. Hij heeft het heilige vuur van een nieuw-bekeerde. Zijn wetenschappelijke carrière als vooraanstaande criminoloog, meldt de achterflap, gaf hij op voor het schrijverschap. Een moedige keuze, waar we uiteraard slechts respect voor kunnen hebben. Spijtig genoeg is meestal het enige dat beklijft na lezing van een ingezonden Franke-stuk zijn opstelling : die van een schrijver. Als het stuk uit is, ben je er enorm van doordrongen dat er een schrijver aan het woord was.

Franke is tegendraads, hij spreekt zich uit tegen de waan van de dag en dat is altijd nodig. In zijn bundel verhalende beschouwingen De tuinman en de dood van Diana toont hij zich zich een volbloed moralist en dat is zo langzamerhand uitzonderlijk in een veranderende wereld waar juist de waarden en normen in constante beweging zijn. Franke mijmert na het zien van een grensoverschrijdende theatervoorstelling waar liters bloed, urine en sperma in naam van de Kunst hoog opspoten: ,,Dat ik diep in mijn hart nog een lief, onschuldig, moralistisch jongetje ben, denk ik, dat met kloppend hart op Sinterklaas wacht. Ik ben nog geboren voor het einde van de geschiedenis en stam nog uit de tijd van de ideologieën. Ik geloof dat ik vind dat vrijheid misbruikt kan worden. Ook seksuele vrijheid. Ook journalistieke vrijheid.''

De verwording is alomtegenwoordig, roept Franke. Hij zegt regelmatig een nachtmerrie te hebben, waarin alles wat mooi en kwetsbaar en uniek is, om zeep geholpen wordt. ,,Volgens mij is met het verdwijnen van pijnlijke verboden en geboden tevens de angel getrokken uit kunst die zedelijk trachtte te schokken. Wat overblijft is een decadent vertoon van wat we allemaal durven.'' Zo'n tegenstem biedt altijd spektakel, maar Franke laat het vaak bij zo'n schreeuwerige uitroep. De makke is dat hij nogal eens niet ver genoeg doordenkt. Want waarom zou juist een moreel permissief klimaat geen inspiratiebron kunnen zijn voor kunst? A.F.Th van der Heijden bijvoorbeeld laat zijn protagonisten in De tandeloze tijd -romanreeks steeds op zoek gaan naar andere opwinding, andere taboes om te overschrijden nu de oude niet meer van invloed zijn.

Hetzelfde euvel heeft Frankes stuk over het verschil in literaire verwerking van hun WO-II kampervaringen door Yvo Pannekoek en zijn antipode Hellema. Pannekoek doet die doorstane ellende af als een bagatel, zijn toon is vaak jolig, waar Hellema schrijft opdat er niets van de rauwe gruwelen vergeten wordt. Als ware het een misdrijf, reconstrueert Franke hoe Pannekoek tot zijn aanpak kwam. Maar wat daarin ontbreekt is een psychologische verklaring. Pannekoeks handelwijze lijkt mij evenzeer een reactie op traumatische ervaringen als Abel Herzbergs doorgefourneerde, bovenmenselijke pacifisme en vergevingsgezindheid dat was.

In een informatief stuk over Oswald Spengler, auteur van Der Untergang des Abendlandes , toont Franke zich beïnvloed door diens cultuurpessimisme en doemdenken. Wie is volksvijand nummer één? De massamedia. ,,Mensen kun je met de moderne media kennelijk alles wijsmaken, zelfs dat de negentiende-eeuwse soepkomliefdadigheid van en glitterprinses te prefereren valt boven een goed en rechtvaardig georganiseerde verzorgingsstaat. Ja, zelfs dat een prinses die een geliefde zoekt in kringen waar een kil, asociaal kapitalisme hoogtij viert en een beschamende overvloed aan juwelen het oog verblindt, aan de kant van het volk staat.'' Op de dood van Prinses Diana reageert Franke met een welgemeend: ,,Nou, èn?'' Het stelt hem teleur dat ook de kwaliteitspers mee deed aan deze collectieve hysterie. ,,De wereld een hel, zei Schopenhauer. De wereld een soap , is het nu.''

Het verbijstert Franke dat de culturele smaak nu ook in de hogere kringen in belangrijke mate wordt gevormd door de commerciële massacultuur. Hij rept zelfs van een ,,culturele genocide''. Franke verzet zich tegen de verwatering van de cultuur door het opheffen van de grens tussen high and low , hij toont zich een voorstander van kunst met een K. In het sterkste stuk uit zijn bundel, ,,Van Multatuli naar Multilul'', keert hij zich heel overtuigend tegen het beleid van Rick van der Ploeg, de mediageile Nederlandse staatssecretaris van Cultuur. Van der Ploeg noemt zich een socialist, maar daar verstaat hij iets anders onder dan Franke die eveneens prat gaat op zijn linkse sympathieën. De staatssecretaris toont openlijk minachting voor verheven kunst en rekent eerbiedwaardige culturele instellingen op de hoeveelheid jongeren en allochtonen in de zaal. Franke vindt Van der Ploegs publieksgerichte knieval voor de commerciële wansmaak verwerpelijk en laf: ,,Hij zou, kortom, elitair moeten durven zijn want culturele volksmenners zijn er al genoeg.'' In een ontroerende passage vertelt Franke dat hij uit een eenvoudig, ongeletterd milieu komt en dat hij dankzij educatie en het besef van verheven cultuur, anders dan zijn ouders, heeft leren genieten van klassieke muziek.

Toch, het spijt me om te moeten zeggen bij een stuk waarmee ik zo instem, wie echt wat wil weten over de opvattingen van Van der Ploeg, kan beter een andere, recente essaybundel lezen: Paul Kuypers' In de schaduw van de kunst. Een kritische beschouwing van de Nederlandse cultuurpolitiek . Kuypers geeft een heldere analyse van Van der Ploegs denkbeelden en optreden; met diens relativering van het begrip artistieke kwaliteit maakt deze omstreden politicus ruim baan voor een populistische cultuuropvatting. In vergelijking met Kuypers aanpak omkleedt Franke zijn gepeperde mening slechts met retoriek. De pummels met poen, de cultuurbarbaren rukken op. Kunnen we dan nog iets van de kunst verwachten? Franke: ,,De kunst had in de visie van Spengler al in de negentiende eeuw haar laatste hoogtepunten gekend. Kunst maken was daarna een gewoon beroep geworden. Wat in de civilisatiefase overbleef waren volgens hem maniertjes, stijltjes, loze vorm, mode. De ziel is eruit. Die innere Notwendigkeit fehlt. De kunstenaar van tegenwoordig ontwerpt wat vroeger gewoon uit het hart kwam. Literatuur verwordt tot oppervlakkig Feuilletonismus en Weltliteratur die iedereen smaakt en daarom geen smaak meer uitdrukt.Daar zit wat in, maar er zijn uitzonderingen.''

Die uitzondering heet Herman Franke, schrijver. Hij heeft de oplossing: de verbeelding . Onder andere daarom keert hij zich tegen het genre van de autobiografie. ,,Een schrijver die zijn ik het belangrijkst vindt, is geen schrijver. Voor een schrijver is zijn ik gewoon een van zijn personages.'' Nogal wat autobiografische of realistische romans blijven steken in de wereld van het krantenbewustzijn, oordeelt hij terecht. Fictie lijkt hij superieur te achten aan de autobiografie. Fictie schrijven, da's pas een avontuur: ,,Het plaveisel is de gladgestreken, gecensureerde autobiografische werkelijkheid [...], het moeras is vogelvrije fictie en zie daar maar weer eens uit te raken als je erin terechtkomt.''

Interessant is dat Franke het opneemt voor de slachtoffers van de literatuur. Romans zowel als romanschrijvers staan in zijn optiek niet boven de moraal. ,,Ook in kranten verschijnen interviews die de vorm van eigenhandig opgerichte schandpalen hebben. En in autobiografische romans zetten schrijvers met toenemend gemak zichzelf, familie, vrienden en collega's te kijk.'' De praktijk van bepaalde romanschrijvers om op herkenbare wijze de intieme geheimen te openbaren van mensen die daar niet om gevraagd hebben, acht hij verfoeilijk én een bewijs van onkunde. Een echte schrijver weet die herkenbaarheid weg te werken met behulp van zijn verbeeldingskracht.

De tuinman en de dood van Diana leest als een gemeend compliment van Franke aan zichzelf voor de juistheid van zijn keuze om vanuit de verbeelding te schrijven. Als om dat bevestigen bevat de bundel essays én verhalen, waarvoor Franke de verzamelnaam ,,verhalende beschouwingen'' hanteert. Ook hier is Frankes verbeelding dus eigenzinnig aan de macht. De lezer voelt zich bij dit alles soms wat overbodig, maar paradoxaal genoeg niet buitengesloten. De overdaad aan prikkelende, kort-door-de-bocht meningen maakt De tuinman en de dood van Diana immers een ideaal boek om zélf met de aangesneden onderwerpen aan de haal te gaan.

HERMAN FRANKE, De tuinman en de dood van Diana. Verhalende beschouwingen, Podium, Amsterdam, 274 blz., 900 fr.

Terug

Siteplan
Colofon
© Copyright | De Standaard Online 2000
Design en realisatie door Icon
Hosted by www.Geocities.ws

1