| Schrijver |
Faber, Basha |
| Titel |
Wisselkind : roman |
| Jaar van uitgave |
1998 |
| Bron |
Het Parool |
| Publicatiedatum |
23-01-1998 |
| Recensent |
Danielle Serdijn |
| Recensietitel |
De wereld regeren vanuit bed |
"Sophie was op haar best in bed. Daar had ze schaamteloos
het leven van man en kind geregeld naar haar wensen. Alleen in bed was ze de
milde heerseres die veilig in haar troon nooit huilde, daarbuiten kon haar
kalmte ieder ogenblik verdrinken in tranen van verdriet of razernij." Een fijne
introductie. De openingsregel stuurt je aandacht net de verkeerde kant uit. Het
bed heeft niets met hartstocht te maken, integendeel. Het is de verblijfplaats
van de hoogbejaarde Sophie die daar haar levensverhaal vertelt. Haar zoon is de
voornaamste toehoorder. Ruim drie jaar gelden debuteerde Basha Faber met De
maagdenmantel. Wisselkind heet haar tweede roman en die is even vertellerig en
avontuurlijk als de eerste. Ter ere van hun vijftigste verjaardag schenkt Sophie
haar zoon en haar half-zuster Katie een reis naar Atjeh: "Dat jullie samen in
augustus Indonesië bezoeken voor het bevrijdingsfeest '45-'95 en naar Atjeh
gaan, waar jullie zoveel banden hebben en geen van beiden ooit bent geweest."
Dat lijkt een aardig geschenk, maar Sophie stuurt haar familie met een doel: ze
moeten de onafhankelijkheid van Atjeh zien te bewerkstelligen. De gedrevenheid
van Sophie blijkt uit een zorgvuldig uitgedacht plan. Van dag tot dag is
vastgesteld wie Katie en Gideon tijdens hun reis zullen ontmoeten. Het
hoogtepunt van deze onwaarschijnlijke onderneming is een in scène gezette
gijzeling. Daarmee hoopt Sophie de vrijheidsstrijd van Atjeh opnieuw onder de
aandacht te brengen. Maar de eigenzinnige oude dame vergist zich in de
medewerking van de niets vermoedende Gideon en Katie. In plaats van door
strijdlust, wordt het tweetal bevangen door angst. Dit bizarre avontuur zou
genoeg stof kunnen leveren voor een afzonderlijke roman, maar in Wisselkind is
het niet meer dan een staartje, bijna een goocheltruc om de vooraf gegeven
onderdelen in elkaar te laten passen. Alsof er met alle geweld nog een
filmachtig spannend element aan toegevoegd moest worden. Meer aandacht neemt
Faber voor de beschrijving van Sophies motieven. Die zijn aannemelijk en
bijzonder genoeg om het zonder de merkwaardige afwikkeling van het verhaal te
kunnen stellen. Kern van het drama is Sophies gespletenheid. Zij is de dochter
van een KNIL-officier en de kleindochter van een Atjehs stamhoofd die zich tegen
de pacificatieacties keert. Na de bezetting door Nederland van de
Gajo-Atlas-landen en Bataklanden in 1904 zijn de standpunten van Sophies ouders
niet langer te verenigen. Moeder Mirah vertrekt. En dat is het moment waarop
Faber losbarst in vertellingen, sprookjesachtige taferelen schetst en
ongelukkige liefdesgeschiedenissen beschrijft. Dat zijn mooie, kleine verhalen
die de vergelijking oproepen met Voor bijna alles bang geweest van Lisette Lewin
of met de nestlucht uit de romans van Carla Bogaards. De combinatie Indië-klein
meisje doet natuurlijk ook aan Ruebsamens persoonlijke geschiedenis Het lied en
de waarheid denken, die afgelopen najaar verscheen, al is daar de politieke
lading van Faber afwezig. Het zijn complexe familieverhoudingen die Faber
beschrijft. Ze heeft het over grootouders, ooms en tantes, moeders, vriendjes,
moeders van vriendjes enzovoort. Iedere nieuwe relatie borduurt voort op dat
patroon van gespletenheid. Iedere relatie geeft Sophie opnieuw een argument om
zich verscheurd te voelen. Zo bevindt zij zich, amper tien jaar oud, na haar
moeders vertrek in een Atjehs bivak. Ze is toevertrouwd aan een vriend van haar
vader, Justus van Weerdenstein, met wie ze later zal trouwen. Hij leert haar
soldatenliedjes: Pak de leuning en Teukoe-Oemar-die-moet-hangen. Maar
Teukoe-Oemar is de verzetsheld van de Atjehers, en, belangrijker, hij is een
neef van Sophies grootvader. Kort na haar verblijf in het bivak brengt Justus
haar naar Tiro, in het gebied van Pidië. Daar maakt zij kennis met familieleden
van moeders zijde: temperamentvolle moslims. Binnen de kortste keren kent
Siophie het koranreciet. Ontroerend is de scène in het kamp waar de moeder van
haar vriendje een klein militair kostuum naait, zodat Sophie het gevoel krijgt
werkelijke een zinnige functie te vervullen. Het aardige aan al die ontmoetingen
is dat ze iets wezenlijks van Sophie weergeven. Onder alle omstandigheden en tot
op het laatste moment blijft het een ongelooflijke eigenwijs. Kleine meisjes en
hoogbejaarden hebben met elkaar gemeen dat hun eigenwijsheid charmant kan zijn
en koket. In Wisselkind is dat zeker de reden dat je sympathie kunt opbrengen
voor dat bekokstoverige typetje dat vanuit haar bed de wereld probeert te
regeren. Zulke mensen zijn op een vreemde manier aangenaam. Je moet naar hun
verhalen luisteren, of je nu wilt of niet. Verbazingwekkend is bijvoorbeeld de
scène waarin Sophie Justus ten huwelijk vraagt. De twee ontmoeten elkaar in
Parijs, maar Sophie is in het gezelschap van haar vader en Justus bracht zijn
toekomstige echtgenote mee. Zonder enige terughoudendheid springt Sophie bij
Justus op schoot en verzekert hem ervan dat ze bij elkaar horen. Geregeld. Ze
trouwen. De kracht van deze roman zit in de eerste plaats in het karakter van
Sophie. Dat Faber serieus betrokken is bij de geschiedenis van Atjeh blijkt uit
de verantwoording op de laatste pagina's van het boek: "...correspondentie die
ik mocht hebben met Tengku Hasan di Trio, leider van het Atjeh/Sumatra
Bevrijdingsfront..." De literatuurlijst met ruim twintig titels is onnodig
zwaar. Want hoezeer het leven van Fabers hoofdpersoon ook is verweven met de
feitelijke geschiedenis van Atjeh, het is de eigenzinnige Sophie die dit verhaal
kleur geeft. Deze figuur kan beslist nog een boek mee. Atjeh niet.