Er zijn weinig serieuze Nederlandse dichters die een zo groot publiek bereiken als Anna Enquist. En dat is wel te begrijpen. In haar gedichten worden grote emoties bij de naam genoemd en met forse beeldspraak omhangen. Er staat wat er staat in Soldatenliederen, waarmee Enquist (1945), pianiste en psychoanalytica, in 1991 debuteerde en in de bundels die vrijwel elk jaar volgden. Pijn om verlies, spijt om het volwassen worden, woede en wraaklust, agressie jegens het lot - dat is waar haar gedichten over gaan, en het valt niet te ontkennen dat het daar in het dagelijks leven om draait.
De po�zie is vormvast, maar niet subtiel, niet vrij van pathos, maar nooit banaal. Precies het type literatuur dat veel mensen graag lezen, waar ze 'iets aan hebben', en dat is ook precies wat enkele critici Enquist verweten: ongebreidelde gevoelens, gebrek aan dichterlijke beheersing.
De kloof tussen de smaak van het publiek en die van de literaire kritiek werd nog breder bij Enquists romandebuut Het meesterstuk (1994). De rechten van het boek waren al voor verschijning in Nederland verkocht aan een Duitse uitgever en de roman werd hier en in vertaling een verkoopsucces.
De kritiek had er geen goed woord voor over: het zou te schematisch zijn opgezet - naar het verhaal van Mozarts Don Giovanni - en tegelijk te overdadig 'ingevuld'. Een roman met een hoog damesbladgehalte, klassiek-dramatische conflicten en karakters die zo leken weggelopen uit het oeuvre van de Weense toverdokter.
Eigenlijk werd Enquist verweten dat zij zich niet aan de geldende literaire mores hield; haar registers zijn niet die van het Algemeen Beschaafd Literair, haar werk draagt geen sporen van een nijvere letterenstudie. Zij debuteerde laat en heeft iets van een ongeremde puber, in tegenstelling tot veel in literatuur doorknede jonge debutanten die zo'n vroegoude indruk maken.
Nu, met haar tweede roman Het geheim, komt zij tegemoet aan de eisen van haar critici. En dat doet het boek in eerste instantie goed. De stijl is sober en krachtig, de structuur kraakhelder, het onderwerp beperkt. Aan wilde beeldspraak gaat Enquist zich niet te buiten, en waar zij een metafoor gebruikt, is die krachtig, zoals in de openingszin: 'De vleugel hing in de lucht en tekende zich als een geblakerde karbonade af tegen de besneeuwde bergtoppen.' Het muziekinstrument zal inderdaad, eenmaal door de verhuizers binnengehesen, een dreigend element zijn, waaraan de hoofdpersoon haar vingers kan branden.
Psychoanalyse en muziek, deze roots verloochent Enquist ook in deze roman niet. Maar zij worden op een subtielere manier verwerkt. De hoofdpersonen zijn geen freudiaanse archetypen maar bestaanbare mensen op wie wel een analyse wordt losgelaten. Muziek levert hier niet, zoals in Het meesterstuk, het staketsel, maar is het onderwerp. Hoofdpersoon in Het geheim is een vrouw die met woorden weinig kan uitrichten. 'Ze had klanken in haar hoofd. (. . .) Haar muziekgedachten stonden haaks op het weefsel van woorden dat de anderen maakten. Haar enige hoop om iemand te bereiken lag in die klanken.'
Wanda Wiericke is als pianiste geboren. Zij groeide op achter een piano, op schoot bij haar moeder die liedjes zong. Haar moeder was zangeres, en oefende vaak in de achterkamer met meneer De Leon, haar repetitor. Als Wanda groter is, gaat ze ook naar meneer De Leon, voor pianolessen. Alleen in die kamer, vol muziekboeken, is zij gelukkig. Thuis is het dan al niet meer zo leuk. Het is oorlog.
Haar moeder zingt niet langer en heeft haar handen vol aan de verzorging van haar broertje Frank. Frank is een mongool. Hij houdt alleen maar op met krijsen als Wanda piano speelt. Haar vader, achter zijn krant, hoort haar liever niet spelen. En hij ziet haar liever ook niet, denkt Wanda.
Op een dag moet zij van haar moeder een briefje brengen naar meneer De Leon. Een briefje met een geheim onderduikadres. Maar zijn kamer is overhoop gehaald en ze ziet hem in een rij mensen met gele sterren, die zwijgend worden meegevoerd.
Het verhaal over Wanda's jeugd wordt afgewisseld met passages waarin de bijna 60-jarige Wanda aan het woord is. Na een leven vol roem en applaus heeft zij zich teruggetrokken in de Pyrenee�n. Haar vingers zijn gekromd door reuma; zij speelt niet meer.
De derde verteller is Bouw, een ruim 60-jarige arts die ooit Wanda's broertje Frank heeft behandeld. Wanda en Bouw hielden van elkaar, maar het ging niet. Zij probeerde het: een 'vrouw in een huis' zijn, praten met elkaar, een kind krijgen. Maar muziek bleek het enige dat telde. Ze vertrok zwijgend op tournee en kwam nooit meer terug. Ze zien elkaar dertig jaar niet. Naar aanleiding van een recensie van een van haar cd's besluit Bouw haar op weg naar een congres op te zoeken. De reis erheen, en Wanda's wachten op zijn komst, vormen aanleiding voor lange bespiegelingen over liefde, ambitie en roeping.
Deze drie stromen in de roman geven samen een mooi beeld van hoe het in een leven kan gaan, van een levenslot dat onomkeerbaar is bepaald door aanleg en omstandigheden. In die zin is Het geheim bijna een klassieke naturalistische roman. Een keurige meesterproef.
En dat is meteen ook de zwakke kant ervan. Alles klopt uiteindelijk. In geen van de beschreven levens komt het goed, maar in de roman komt alles op zijn pootjes terecht. Dat Wanda zich alleen bij De Leon thuisvoelde, haar zwarte haar, haar afwijzende vader, haar angst voor het moederschap - al die dingen waren voortekenen van 'het geheim', dat ten slotte voor alle duidelijkheid wordt onthuld. Dat is jammer, maar intussen is er niets mis aan de manier waarop Enquist de gevoelens van de hoofdpersonen beschrijft. Het afgewezen kind, de eenzame volwassen Wanda, de teleurgestelde Bouw, ze worden precies en overtuigend neergezet. Anna Enquist heeft verstand van gevoel.
Toch zijn het mooist de passages waarin het verhaal even wordt stilgezet en het bewijsmateriaal achterwege blijft. Dan speelt Wanda. Zoals tijdens haar eerste soloconcert, gedirigeerd door haar jeugdvriendje Lucas. Een erotisch discours: 'Als een goddelijke schipper heerst Lucas over bark en elementen; hij weet de uitbarstingen steeds net op tijd te beheersen en damt de orkestklank in tot een fluistering v��r elke piano-inzet. Wanda voert met hem een gesprek dat in woorden nooit mogelijk is. (. . .) Zij voegt zich naar het lied van Lucas, zij neemt het woord en dwingt het orkest te luisteren. Zij stormt en zingt en beitelt, terwijl zij geen moment vergeet waar zij het tempo wil terugnemen, waar de belangrijkste modulatie komt, op welke plek de armspieren even moeten ontspannen. Haar brein staat zo wijd open dat al deze zaken er moeiteloos in passen. Na het slotakkoord blijft ze even als verdoofd zitten.'
'Het heeft geen zin om netjes piano te spelen. Meaningless', bijt een lerares de jonge Wanda toe. Enquist is ook gebaat bij dit advies dat ze zelf bedacht. Beheerst onbeheerst, zo zou zij kunnen schrijven, het past bij haar. En op de beste momenten in Het geheim lukt dat ook. Het echte geheim in deze roman is de magische grens waarboven de kunst het ambacht overstijgt.
Aleid Truijens
Anna Enquist: Het geheim.
De Arbeiderspers; 203 pagina's; � 34,90.
ISBN 90 295 1497 3.
Uit de Volkskrant van 17 januari 1997