FANNY
De kinderen aten vooraf Eerst had zij er niet in
willen toestemmen. Waarom moesten die lievelingen in hunne gewoonten gestoord
worden? Wie niet genoeg van zijn vriend hield om het bijzijn van diens kinderen
te willen verdragen, wanneer hij aan den huiselijken disch genoodigd werd, deed
beter eene dergelijke uitnoodiging niet
aantenemen.
Jan had kalm toegehoord, en haar op
zijn bedaarde manier weten te beduiden, dat hij niet ter wille van zijn vriend,
Frans, maar voor haar zelve de kinderen niet aan tafel wilde hebben. Sinds haar
bevalling at zij heden voor den tweeden keer beneden. Zij was immers nog te zwak
om al die drukte te kunnen verdragen.
Toen had
zij toegegeven, doch was er op blijven staan, dat het eten voor Cleo en Ro niet
naar de kinderkamer zou worden gebracht. De kinderen mochten volstrekt niet het
gevoel hebben, dat zij werden weggestopt of ook maar bij een vreemde
achtergezet.
'In 's hemelsnaam' had Jan
geantwoord, begrijpende dat zij onverzettelijk aan dit laatste besluit zou
vasthouden. Tante Bee, die op zijn beslissing gewacht had, was daarop het
speeltafeltje in de eetkamer gaan dekken, na verzekerd te hebben dat zij alles
wel naar aller genoegen in orde brengen zou. Daaraan twijfelde dan ook
niemand.
Tante Bee heette eigenlijk Berenice;
Cleo en Ro waren afkortingen voor Cleopatra en
Robert.
Voor een Hollandsch burgergezin, dat
gedurende een achttal jaren in een stille straat van een provinciestadje gewoond
had, klonken deze namen zekerlijk ongewoon. Van peetooms of tantes waren zij
niet afkomstig, maar Fanny — die zelve naar Fanny Lewald*
genoemd was, terwijl haar oudere zuster Berenice , als zegenbrengster, heette —
had van haar vader de zonderlinge liefhebberij overgeërfd haar kinderen met
vreemde namen te bedeelen, liefst aan beroemde personen ontleend. Aldus had de
bewondering voor Cleopatra*,
welke zij van haar jeugd af gekoesterd had, den naam harer oudste dochter
onherroepelijk vastgesteld, terwijl haar dwepen met Schumann's*
compositiën den naam van het tweede kind, en haar ingenomenheid met Musset*
dien van nummer drie had bepaald.
Jan had met
leedwezen dezen familietrek in zijn vrouw ontdekt, maar reeds in de eerste
maanden van zijn huwelijk ingezien, dat het verkeerd zou zijn haar daarin
tegentegaan. Haar prikkelbaar gestel moest zooveel mogelijk worden ontzien, en
wel vooral door een groote mate van toegeeflijkheid waar het punten van
ondergeschikt belang gold.
Ro had het amper
opgelet, dat zij vroeger dan anders aten en aan een gedekt speeltafeltje moesten
zitten, terwijl op de groote tafel als gewoonlijk servetten, borden, glazen enz.
prijkten, en zelfs — wat ongewoon was — twee schalen met vruchten en een menigte
kleine snoeperijen. Ro was in het algemeen weinig opmerkzaam, zoodat pa wel eens
nadenkend het hoofd schudde, wanneer hij in de droomerige, blauwe oogen naar een
spoor van verstandsontwikkeling zocht. De dokter echter was niet zoo ongerust
over Ro; de jongen at als een wolf, en kwam op zijn tijd door de noodzakelijke
kinderziekten heen. Een geleerde zou er wel nimmer uit hem groeien, doch wat
deed dat er toe? Minder ingenomen was hij met de bleeke, levendige Cleopatra,
die geheel het tegendeel was van haar stompen, gezonden
broeder.
'Dit wordt nu nog aardig gevonden'
placht hij tegen anderen te zeggen, wanneer Cleo het uitgegild had van plezier,
zonder dat iemand de aanleiding van die opwinding wist te ontdekken, of wanneer
zij de kleine handjes krampachtig samenkneep, blijkbaar onder den invloed van
een te vroeg ontwikkelde fantasie, die haar allerlei zonderlinge beelden voor
oogen tooverde.
'Later beziet men die dingen
uit een geheel ander oogpunt.'
Cleo kon 't maar
niet vatten dat er een vreemde heer zou komen eten. Het verschijnsel was in Jans
huishouden ook ongewoon. Terwijl tante Bee vleesch sneed, nu en dan een blik
naar de groote tafel werpend die zij geheel alleen in orde had gebracht, omdat
Mijntje mevrouw helpen moest, werd zij met vragen bestormd. Wanneer zij dan niet
terstond toeluisterde, riep Cleo immer driftiger: 'tante Bee, tante Bee, tante
Bee! Tante Bee!!' totdat de goede vrouw het levendig nichtje aankeek en haar
vragen beantwoordde:
'En waar heeft die meneer
gisteren gegeten tante?'
'Dat weet ik niet,
lieve.'
'Och! tante, u weet het wel. U moet het
weten tante! Toe, zeg het?'
'Ik denk op reis,
Cleo — Netjes eten Ro, die mijnheer houdt alleen van kinderen die netjes
eten.'
Ro hield even met kauwen op, sloeg de
droomerige oogen omhoog, maar antwoordde niets. Cleo zweeg ook een oogenblik
stil, zij begreep niet goed wat 'op reis' beduidde, maar, zich herinnerend hoe
tante voor het eten verteld had dat er een meneer zou komen, die een vriend van
paatje was, doch heel ver weg woonde, vroeg zij of hij gisteren heel ver weg had
gegeten.
Tante zeide van ja. Heel ver weg, in
een land waar apen en tijgers zijn, zoo als er in Ro's nieuw platenboek staan.
Daar woonde die meneer, en, omdat hij veel van paatje hield — net zooveel als
Cleo van den kleinen Anton, die naast hen woonde — was hij hier
gekomen.
'En komt die meneer nu alle dagen hier
eten, tante, en ontbijten ook?'
'Wel neen,
Cleo, alleen van daag.'
'En morgen, tante, gaat
hij dan weer heel ver weg, naar dat land waar apen en tijgers
zijn?'
'Dat weet ik niet,
kind.'
'Ach! u weet het wel, tante; u wil 't
niet zeggen.'
'Ik weet het heusch niet, Cleo,
maar als bij straks komt, kan jij 't hem zelve vragen. Eet nu je peertjes op, en
dan gaan wij naar boven.'
'Krijgen wij geen
chocolaadje, tante?'
'Ik moet een chocolaadje
hebben,' grijnde Ro plotseling.
'Je zult alles
krijgen als je zoet bent, maar als je huilt, krijg je niets. Wanneer mama, papa
en die meneer gegeten hebben, mogen jelui op het dessert komen en dan zal je
chocolaadjes krijgen.'
Maar half tevreden over
dat uitstel, aten de kleinen hunne peertjes op, waarbij Ro zich rijkelijk met
bessensap besmeerde. Tante Bee had intusschen een blik op de pendule geworpen,
en begon nu de kaarsen van de hanglamp aantesteken, voorzichtig haar dikke hand
ophoudend zoodat er geen uitgebrande stukjes lucifer op den gedekten disch
konden neervallen. Daarna stak zij de twee kaarsen aan, die op den schoorsteen
ter weerszijden van de kleine pendule prijkten. Ook moest het tafeltje worden
afgenomen, waaraan Cleo en Ro hadden gegeten, en eenige kruimels op den grond
weggeveegd, terwijl gedurende die laatste werkzaamheden de kinderen niet uit het
oog mochten verloren worden, wier kleine vingers niets met rust konden laten.
Toen zij ook hiermede gereed was, wierp tante Bee een laatsten blik in de kamer
rond. Zij vond dat het er nu, behagelijk verlicht en verwarmd, in alle opzichten
gezellig was.
Voor hem, die weet hoe een
daagsche zitkamer er gewoonlijk uitziet in een huishouden waar kinderen zijn,
was het duidelijk dat er op dezen dag bijzonder veel zorg aan het eenvoudig
gemeubeld vertrek was besteed. Niet alleen dat er geen speelgoed slingerde, en
dat de kinderstoeltjes met het hobbelpaard in een hoek achter den bonheur du
jour*
waren geschoven, maar de geel katoenen overgordijnen, die nooit werden gesloten,
hingen in statige plooien voor de ietwat vervelooze blinden neer, de kachel, die
tot laat in het voorjaar werd aangehouden om de vochtigheid te keeren, had een
extra-beurt gehad, en geen snippertje papier verontreinigde het tapijt dat
evenwel op de naden al begon te vergrauwen en menige zoogenaamd verdwenen vlek
liet doorschemeren. Ook in het behang waren strepen, plekken en scheuren, doch
hieraan kon tante Bee weinig doen. Zooveel mogelijk had zij er stoelen voor
geplaatst en zelfs de piano met hetzelfde doel een paar palm*
van zijn plaats geschoven. Op den schoorsteen waren alle speldendoosjes,
sigarenpijpen, klosjes garen en uitgeknipte poppen verdwenen, welke de
verschillende leden van het huisgezin gewoon waren aldaar te bewaren. Op het
kastje aan den overkant, dat binnen-in het ontbijtservies, in twee laadjes de
lepels, vorken en messen, boven-op eenige boeken, benevens de laatst aangekomen
couranten herbergde, was alles netjes geschikt en het stof op de ledige plaatsen
zorgvuldig afgenomen. Tante Bee had gaarne ook de boeken eens uitgeklopt, maar
zij kende de grenzen van haar gebied en zette nooit een voet daarbuiten. De
eenige vrijheid, die zij zich van daag veroorloofd had, bestond in het opzetten
van het dessert. Jan had uitdrukkelijk bepaald: 'geen extraatjes voor mijn
vriend Frans. Hij weet dat ik een fijne flesch zal opentrekken, omdat het de
eerste maal na mijn huwelijk is dat hij mij bezoekt, maar allen verderen omslag
zou hij als een beleediging voor onze oude, beproefde vriendschap beschouwen.'
Een ledige tafel had echter iets zoo onvriendelijks in tante Bee's oog, dat zij
zich niet had kunnen bedwingen het overdadig dessert — eigenlijk was zij ook
daarin buiten haar boekje gegaan — aanstonds optezetten om daardoor al het wit
van lakens, servetten en borden een beetje
optevroolijken.
Juist wilde zij met de kinderen
de kamer verlaten, toen Fanny binnentrad.
Als
verblind door het ongewone licht bleef de lange, tengere gestalte op den drempel
staan. Het fijne, bleeke gelaat door een gehaakt katoenen doekje, als een
rozeroode lijst omgeven, beschreef een halven cirkel opdat niets aan haar
verbaasden blik zou ontgaan. Zij had moeite haar boelige huiskamer te
herkennen.
Eerst sloeg tante Bee haar met
eenige ongerustheid gade, maar weldra bemerkte zij dat haar zorgen niet
vruchteloos waren geweest. Fanny's matte blik werd allengs helderder, haar
droevig gesloten lippen vertrokken zich tot een zenuwachtig lachje, en met
blinkende tranen in de oogen stak zij haar lange, dunne hand
uit.
'Dank Bee, dank beste zuster. Wat zouden
wij toch aanvangen zonder jou? Kijk, ik heb het al zoo dikwijls gedacht. Jan had
veel gelukkiger kunnen zijn...'
Zij kon niet
voleinden. Met een uitdrukking van schrik op haar rustig gelaat had Berenice
haar de hand op den mond gelegd.
'Stil, stil!' riep zij uit 'wat zijn dat
voor woorden? Ga nu maar zitten en vermoei je niet met staan. Ik zal de kinderen
eens gauw boven aan het spelen helpen, en dan kom ik
terug.'
Tante Bee ging met Cleo en Ro heen,
Fanny bleef alleen achter. Zoodra het gehaakte doekje was afgelegd dwaalde haar
blik nogmaals de kamer rond, van het glanzend marmer van den schoorsteenmantel
naar het glimmend mahoniehout van de stoelen, van den helderen spiegel in den
bonheur du jour naar het krijtwit tafellinnen en van het blinkend glaswerk
achter de borden naar het lichtend verguldsel van de hanglamp, een geschenk van
Frans in hun huishouden.
Zij kon tevreden zijn,
geen stofje was meer in al dien glans te ontdekken, de kamer blonk van
vlekkelooze onschuld, en met innig welbehagen snoof zij de geuren van boenwas,
schoon linnen en potloodsel op, welke door de klimmende warmte haar uit al die
zelfbewuste reinheid tegenstraalden. Zelden ondervond zij een dergelijk genot;
de kinderen bemorsten en bedierven te veel. Het speet haar slechts dat tante Bee
er de hand in had gehad; zij kon het niet verdragen dat men haar den
veldheersstaf trachtte te ontnemen.
Gelukkig
troostte haar de gedachte, dien morgen uit haar bed zelve de bevelen te hebben
gegeven; tante Bee was in allen gevalle slechts eene uitvoerende macht geweest.
De model-huisvrouw, de model-moeder, de model-echtgenoote bleef zij immer
alleen. Niet licht vatte zij haar taak op, en ongaarne gaf zij er het kleinste
deeltje van uit de handen, maar als belooning eischte zij ook het recht de
onwankelbare overtuiging te mogen koesteren van eigen
meerderheid.
Zij had dus niets aantemerken
gevonden. Geen gedruisch van kinderen leidde haar af. Het was zoo stil in huis,
dat zij het eentonig tiktak van de Friesche gangklok, die Jan van zijn vader had
geërfd, duidelijk hooren kon. Deze kalme maatslag van den rusteloozen tijd,
bracht haar in dien eigenaardigen, mijmerenden toestand, waarin zij zoo gaarne
verviel. Dan sluimerden haar gedachten niet in, of zwierven teugelloos rond
gelijk bij anderen, maar met een buitengewone kracht bleven zij op één punt
gevestigd, en dat punt was altijd dezelfde beschouwing van eigen
voortreffelijkheid, dezelfde vergelijking van eigen deugden met die van anderen
en hetzelfde zoeken naar middelen om altijd hooger te stijgen naar bereikbaar
standpunt, ver boven het menschdom verheven. Wie haar in die overpeinzingen
gezien had, den mond half geopend, den altijd wazigen blik staroogend in de
verte gericht, de bewegelijke armen met de magere vingers slap neerhangend in
den schoot, en de lange tengere gestalte ineengezakt totdat zij bijna den indruk
maakte van dik te zijn, zou eene gelijkenis tusschen de twee zusters hebben
ontdekt, die in gewone omstandigheden niemand opvallen kon. De gezette, goedige
Bee, wier zenuwleven zich niet ver boven het peil der stompzinnigheid verhief,
bracht op den oppervlakkigen toeschouwer zulk een geheel anderen indruk teweeg
dan de slanke, prikkelbare Fanny, wier onrustige geest op elk gebied van kennis
en kunst zwerftochten ondernam, dat hij de lichamelijke overeenkomst welke de
dunne bleeke lippen, de dof grijze oogen met de neerhangende oogleden en de
fijne, beenige lijnen van den neus aanboden, in den regel over het hoofd zag.
—
Het krassend geluid, waarmede een sleutel in
de voordeur werd omgedraaid, stoorde hare overpeinzingen. Zij wist dat het Jan
was met zijn oudsten vriend, dien zij zelfs niet van uiterlijk kende, daar hij
reeds voor haar huwelijk Nederland verliet, en met grillige koppigheid nooit
zijn portret had laten maken.
Zij stond op. De
deur ging open, en de heeren traden binnen; eerst de groote, breedgeschouderde
Frans met den lachenden trek om de frisch rooden lippen, den gullen blik in de
donkerbruine oogen en den oosterschen gloed op het kleine stuk wang dat de
volle, zwarte baard overliet. Achter hem volgde Jans onbeteekenende gestalte,
van wiens vale kaken, door een dun, blond baardje omsloten, de zorgen alle
uitdrukking hadden weggevaagd op die eener groote goedhartigheid na, waardoor
nog steeds het zacht blauwe oog iedereen voor zich
innam.
Met uitgestrekte hand trad Frans op
Fanny toe. Zoodra Jan hem had voorgesteld en hij haar vingers omvatte, die hij
nauwelijks drukken durfde, zoo fijn en breekbaar dunkten zij hem, zeide
hij:
'Mevrouw, wil u aan den oudsten vriend van
uw man...'
'Zeg: besten,' viel Jan hem in de
rede.
'Aan den besten vriend dan van uw man
vergeven dat hij zoo maar tegen het etensuur tot u durft te komen, zonder zich
door een deftig bezoek te hebben
aangekondigd?'
Fanny glimlachte flauw, maar Jan
antwoordde in hare plaats:
'Ben ik je niet zelf
komen uitnoodigen?'
'U hoort het, mevrouw, hij
neemt de schuld op zich. Evenwel, indien mij de tijd niet had ontbroken, zou ik
behoorlijk mijn opwachting hebben gemaakt. Gisteren avond ben ik eerst uit
Parijs aangekomen en van morgen klopte hij al met zijn uitnoodiging
aan.'
Nu eerst zeide Fanny op slependen
toon:
'Tegenover ons behoeft u de regels der
etiquette niet inachttenemen. U is wel beleefd van een uitnoodiging te willen
spreken, terwijl u ons de eer aandoet ons eenvoudig middagmaal te deelen. Wij
behooren niet tot de bevoorrechten die uitnoodigingen kunnen doen. In den
struggle for life moeten wij al hard strijden om het hoognoodige voor de
kinderen te veroveren. Aan een beetje overdaad, waarop wij goede vrienden zouden
kunnen onthalen, is voor ons geen denken. Ons bestaan gaat op in een
aanhoudenden kamp met de kleingeestigste beslommeringen van het leven; wij
slapen langzaam in en verstompen. O! ik kan u
verzekeren...'
'En toch moet je niet denken'
viel Jan eenklaps in, 'dat wij geen onkosten voor je hebben gemaakt. Aanschouw
dit dessert! Sedert onze bruiloft hebben wij zooveel lekkers niet bijeengezien.
Frans, je wordt van snoeplust verdacht en weet je door wie? Door de dame, die
juist binnenkomt. Veroorloof mij je
voortestellen:
'Mijnheer Frans van Doorning,
mijn schoonzuster, algemeen bekend onder den naam van tante Bee, meer bijzonder
door Fanny en mij de goede engel van ons huis
genoemd.'
Tante Bee lachte verlegen, boog en
keek Frans niet aan, maar toen Jan, dreigend een vinger opheffend,
voortging:
'Tante Bee, tante Bee, mijn vriend
Frans neemt je dit prachtig dessert zeer kwalijk,' antwoordde
zij:
'Kom, Jan, als je voor je besten vriend
geen extraatje op tafel duldt, voor wien zal je 't dan
doen?'
'Tante Bee, je hebt gelijk, ik geef mij
gewonnen!'
Ondertusschen had Fanny haar doffen
blik herhaaldelijk van Jan naar zijn vriend en weder terug laten dwalen. Zij kon
niet begrijpen hoe twee mannen die zóó ongelijk door de natuur en door de
fortuin waren bedeeld, dat zij beiden evenver, doch naar verschillende kanten
van de gulden middenmaat schenen aftewijken, ooit dikke vrienden waren geworden.
Toch had Jan haar dikwijls genoeg verteld, hoe zij, door een gril van het lot op
school naast elkander geplaatst, reeds op zeer jeugdigen leeftijd elkanders
vertrouwen hadden genoten en bevriend waren gebleven ondanks de geheel
uiteenloopende wegen, welke de omstandigheden hen genoodzaakt hadden inteslaan.
Van Doorning had gestudeerd en was de wereld ingegaan, Jan was eerst bij de
posterijen geweest, toen gemeente-ontvanger geworden en had het nooit verder dan
Brussel gebracht.
Door Tante Bee gewaarschuwd
bracht Mijntje spoedig de soep op tafel, Fanny wees Frans de eereplaats naast
haar aan en duldde niet dat Bee diende, daar zij van heden af hare rechten
hernam. De geduldige zuster liet haar met ijver beginnen; dat zij halverwege zou
moeten inspringen wist zij bij
ondervinding.
Zoodra dit eerste gerecht was
verdwenen, heette Jan met een glas wijn zijn ouden vriend, dien hij heden voor
het eerst aan zijn tafel mocht zien, hartelijk welkom. Fanny volgde zijn
voorbeeld met een glas rood getint water; onvermengde wijn deed haar duizend
hamers in polsen en slapen kloppen. Daarna kwam zij op het thema terug dat Jan
zoo plotseling had afgebroken:
'In vergelijking
met hetgeen u gewend is, mijnheer van Doorning, wacht u een pover maal. Van
geurige champignons, truffels, rnorilles en al wat meer een verwend verhemelte
streelen kan, van Oostersche, Fransche, ltaliaansche en andere vreemde spijzen,
welke de maag opwekken en prikkelen, komt bij ons nooit iets in. Wij moeten het
met de kruimkens stellen die van de tafel des levens vallen, en ik bewonder
inderdaad uw goedheid, die geen verachting toont voor zulk een Spartaansche
eenvoud.'
'Maar mevrouw, gelooft u niet dat het
gezelschap van een vriend, met wien men een leven van tien jaren te bespreken
heeft, een beteren geur aan de eenvoudigste spijzen geeft dan alle morilles,
truffels en champignons der wereld? Bovendien kan ik wel zien dat u weinig heeft
gereisd, anders zou ik het u niet behoeven te verzekeren dat het fijnste
Fransche maal in den besten restaurant nooit de vergelijking kan door staan met
den vaderlandschen pot in den huiselijken
kring.'
'Hoor je 't, Fanny?' riep Jan, met een
ouderwetsche opflikkering van geestdrift
uit.
Fanny hoorde 't, doch geloofde 't niet, en
Frans zag aan haar oogen dat zij hem van een beleefde onoprechtheid verdacht.
Daarom vervolgde hij:
'Wanneer ik — de verwende
reiziger, volgens uw oordeel — morgen een vrouw vind, die veel van een rustig
leven en nog meer van mij houdt, verzeker ik u dat zij binnen weinige dagen eene
uitnoodiging van mij ontvangt om voor de jaren die wij samen nog te leven
hebben, mij elken dag zulk een eenvoudigen huispot te koken. Als zij het
aanneemt huren wij de eerste de beste woning in uw buurt, en zetten — indien 't
van mij afhangt — na onze huwelijksreis geen voet meer over de
grenzen!'
'Dat vind ik een kostelijk plan,'
hernam Jan op denzelfden toon. 'Wij houden je aan je woord. Fanny, wij moeten
naar een vrouw en naar een huis voor hem uitzien. Bij je bruiloft bestijg ik nog
eens mijn Pegasus*
en zing mijn zwanenlied.*
Alle Donderdagen komen wij bij elkaar, dat is afgesproken. Ik zeg Donderdag ter
herinnering aan onze vroegere muziekavonden; je weet wel toen ik nog fluit
blies. De eene week eet jij hier, de andere leggen wij bij jou ons anker neer,
en tante Bee mag altijd mede komen, niet
waar?'
Tante Bee kleurde met neergeslagen oogen
toen Frans haar aanzag en, door het opheffen van zijn glas zijn instemming met
die woorden te kennen gaf.
'Frans heeft
gelijk,' ging Jan voort. 'Er gaat niets boven het huiselijk leven. Een viertal
geliefden te bezitten met wie je licht en schaduw deelt, voor wie je hart klopt
en wier harten voor jou kloppen, die je zwakheden niet breed uitmeten, maar
vergeven, die je goede eigenschappen niet minachten, doch op prijs stellen, die
je gelukkige oogenblikken medegenieten en je sombere dagen verhelderen, dat is
al vroeg mijn dierbaarste wensch geweest.
Ik
heb er zelfs verzen opgemaakt.
Zoo dikwijls ik
mij alleen voelde, verlaten op de wijde wereld, verlangde ik altijd naar een
trouwe borst waartegen ik mijn hoofd kon aanleunen, wanneer het moe was van den
arbeid, of waaraan ik mijn tranen verbergen kon, wanneer ik gegriefd werd in het
maatschappelijk leven.
Een klein plekje op
aarde het mijne te mogen noemen om het tot een paradijs te kunnen maken voor een
wezen dat ik aanbad, dat was de droom van mijn jeugd, dat was het ideaal in mijn
versjes bezongen, dat was het eenig doel waarheen ik
streefde.'
Half mijmerend had Jan gesproken,
zijn oogen in de verte gericht, als zag hij daar dat droombeeld zijner jeugd,
dat ideaal zijner verzen, dat eenig doel terug. Hij had zijn Ievensstrijd op
geen uitgestrekt terrein gestreden, maar in enge, benauwde ruimten woekeren de
zorgen, die schimmelplanten, nog weliger dan elders voort. Die zorgen hadden
vroeg zijn haar doen vallen, zijn wang verbleeken, den glans van zijn oog
verflauwen. Nooit was zijn ideaal verder van hem verwijderd geweest dan
tegenwoordig, en nu Frans het in zijn geheugen terugriep, sprak hij er van op
dien langzamen, mijmerenden toon, waarop hij aan Cleo en Ro zijn geliefkoosd
sprookje uit Andersen*
voordroeg: dat van het verloren paradijs.
Die
toon trof Frans, en plotseling wendde hij den blik naar Fanny heen; een
gedachte, die nog nooit bij hem was opgekomen, stond hem eensklaps voor den
geest... Maar neen, het kon niet waar zijn; er lag niets onaangenaams in den
glimlach waarmede zij hem aankeek. Wel was haar blik zoo dof, dat bij haar van
domheid verdacht; doch een boosaardigen trek ontdekte hij niet op het bleek
gelaat.
Ondertusschen had ieder, door de stille
zorgen van tante Bee, zijn deel aan warm rundvleesch met erwten genoten. Weinig
ontsnapte haar oplettenden blik, en wanneer de meid verzuimde een geschoonde
vork te geven of een tweeden keer met de aardappelen rondtegaan, stond zij
onhoorbaar van haar stoel op en herstelde de fout, zonder dat iemand door hare
zorgen werd gehinderd, of het gesprek zelfs maar een oogenblik werd gestoord.
Bovendien wist zij in de kleine pauzen, die bij te weinig bediening
onvermijdelijk zijn, uitstapjes naar de kinderkamer te maken, en goede tijdingen
van daar rnedetebrengen, die zij bewaarde voor het geval dat Fanny haar
ondervragen zou. Fanny ondervroeg haar echter
niet.
Nu stootte zij Jan aan met de
woorden:
'Zou je nog niet een stukje
snijden?'
De noodzakelijkheid van ten tweeden
male het groote, scherpe voorsnijmes te hanteeren werd den gastheer bespaard.
Tante verzekerde wel dat er op uitdrukkelijk verlangen van Jan niet veel meer
volgde, doch toen deze van den schotel, dien Mijntje iets te vroeg binnen bracht
het deksel afnam, plaagde Frans de goedige tante er mede dat zij het rundvleesch
had aangeprezen uit vrees dat hij anders te veel bloemkool eten zou. Hij wilde
echter de keukenmeid volstrekt niet beleedigen en was dus wel genoodzaakt een
plaatsje voor de bloemkool
opentehouden.
Plotseling merkte Fanny met
schrik op dat zij het zuur hadden vergeten. Onder een stroom van
verontschuldigingen over haar vergeetachtigheid, haar onhandigheid, haar slechte
vervulling van de plichten welke op een gastvrouw rusten, en al wat zij meer
verzinnen kon om zich te vernederen, bood zij het haar gast aan. Zij had hem
gewaarschuwd dat hij 't slecht zou hebben, maar smeekte hem toch haar op elk
verzuim oplettend te maken. Zij wist zoo gaarne hoe of 't hoorde en had zoo
zelden gelegenheid daarin een lesje te nemen.
—
Jan bracht het gesprek op het reizen in het
algemeen en op de omzwervingen van zijn vriend in het bijzonder. Na eerst een
jaar door Amerika te hebben gezworven, was van Doorning acht jaren in Oost-Indië
werkzaam geweest en had hij ten slotte door Italië, Oostenrijk, Zwitserland en
Duitschland nog een tiental maanden rondgetrokken alvorens naar het vaderland
terugtekeeren.
Frans vertelde gaarne en goed.
Hij had veel gezien en er de indrukken frisch van bewaard. Zoodra hij in vuur
geraakte traden de kleinste bijzonderheden van elk tooneel dat hij had
aanschouwd hem met onverflauwde helderheid weer voor den geest, en wanneer hij
dan in herinnering die tien rijke jaren nog eenmaal doorleefde, schilderde hij
met zulk een gloed van verven, dat hij ook minder prikkelbare naturen dan Fanny
gemakkelijk medesleepte.
Spoedig was zij hem
gevolgd, de grenzen over, Europa door, naar Indië heen, en in haar al te
werkzame fantasie overdreef zij elke lijn die hij trok, en versterkte zij elke
tint die hij aangaf tot er een tooverwereld voor haar oogen opdoemde, die haar
even machtig aantrok als ontzet terug deed
deinzen.
Sprak hij van Zwitserland dan zag zij
een eindeloos sneeuwveld waaruit ongenaakbare ijsspitsen zich hoog in den
zwarten hemel verhieven; met doffen donder rolden de lawinen in de peilloze
afgronden neer, de bevrozen beken hingen met lange kristallen over de loodrechte
rotswanden heen, en aan het geloei van den storm paarde zich het gehuil van den
kloosterhond*
die een lijk had opgedolven.
Was de tropische
nacht zijn onderwerp dan zag zij een vurige zon ondergaan aan den roodgloeienden
hemel. Van het onbewolkt uitspansel zonk een luwe koelte bedwelmend zacht op het
geschroeid aardrijk neer. Zoete sluimering sloot aller oogen; een zonderling
lied ruischte door de hooge kruin van den palm boven haar hoofd, een ongekend
genot doorstroomde haar ziel... O! waarom kon zij thans niet
sterven?
Maar Frans sleepte haar voort naar den
Bromo*
en zij hoorde den onderaardschen donder in den vulkaan. De lava rees omhoog en
gloeide haar tegen, heete fonteinen sprongen rond haar op, duizenden voeten
hoog, vurige steenen snelden ten hemel en ploften neer, de aarde dreunde en
spleet... dat was de jongste dag!*
Zoo
reisden zij van Indië naar Italië, van Italië naar Indië terug, van het carnaval
naar het tijgergevecht en van het tijgergevecht naar de eeuwenheugende ruïnen
van Egypte, over de blauwe zeeën voerde hij haar naar de stilte van het zengend
zuiden, en over de grauwe golven leidde hij haar het gewoel van de stad der
nevelen*
binnen. Eensklaps riep zij uit:
'O! welk een
heerlijkheid dat alles te kunnen zien en genieten, zorgeloos in die wijde wereld
rondtedolen, als een vlinder uit elke bloem de zoete geuren zuigend en zich
koesterend in den gloed der zon. Zulk een leven is slechts voor weinigen
weggelegd. Niet bij elke wieg staat de fee van het geluk om den pasgeborene door
een kus te wijden tot haar dienst!'
De
zenuwachtige opgewondenheid waarmede zij deze woorden uitte, welke meer op een
citaat uit een geliefkoosden schrijver dan op een plotselinge ontboezeming van
eigen gevoel geleken, verbaasde Frans zoodanig dat zich de lust van hem meester
maakte tegenover die overdreven bewondering een opsomming van al de
ongeriefelijkheden van het reisleven te stellen, die niet minder indruk maakte
dan zijn warme schildering van het rijke genot. Hij eindigde met de
woorden:
'En wanneer u daarbij bedenkt dat het
voor hem, die veel gezien heeft, ten slotte onmogelijk wordt immer sterke
indrukken te krijgen, omdat al wat hij aanschouwt gelijkt op zooveel wat hij
reeds dikwerf* onder de oogen
heeft gehad, dan kan u wel begrijpen dat het voortdurend samenzijn met menschen
die u volkomen onverschillig blijven, het gestadig dreigend gevaar van ziek te
worden ver van allen die u dierbaar zijn, overgeleverd aan de vermomde dieven
die den naam van hotelhouders en gidsen dragen, het lijden van honderden
ontberingen, die als weelde-artikelen betaald moeten worden, uitloopt in een
vurig verlangen naar een goed, rustig, gezellig
leven.'
Fanny begreep het volkomen — O! zij kon
zich zoo goed in elken toestand verplaatsen. — Maar was het daarom niet dubbel
waar dat iemand, die in het dagelijksch leven evenveel ontbeerde als de
reiziger, die de gestadige zorgen als zoovele gevaren steeds voelde dreigen, die
ter wille van een huishouden niet alleen met onverschillige, maar zelfs met
haatdragende, hardvochtige, slechte menschen te doen had en in geen enkel genot
vergoeding vond, even sterk naar de vrijheid en den rijkdom van het reisleven
moest verlangen als de verzadigde naar rust en
gezelligheid?
Bij elk woord dat zij uitsprak
was Fanny's opwinding verergerd; haar blik werd helderder hare wangen rooder.
Haar handen grepen zenuwachtig elk voorwerp aan dat zich in haar bereik bevond,
om het terstond weder lostelaten en een ander optenemen, te verzetten of
omtedraaien. Jan, die er steeds op bedacht was den loop harer gedachten
afteleiden, zoodra hij bemerkte dat zij dien zelve niet langer beheerschen kon,
en het oogenblik naderen zag, waarin zij zich in haar eigen woorden verwarren
zou, brak nu, tot groote verwondering van zijn vriend, het gesprek eensklaps af
door den uitroep:
'Waar blijven de kinderen,
tante Bee?'
'Wij zijn nog zoo ver niet, Jan. Er
komt nog een Bavaroise.'
Lachend keerde de
huisheer zich tot Frans:
'Je ziet het: er was
niets aan te doen, uithalen moesten wij.'
'Maar
Jan,' hernam tante Bee op eenigszins verwijtenden toon, terwijl zij de Bavaroise
op tafel plaatste, 'Een schotel dien ik zelve gemaakt heb...
!'
'Moet met aandacht genoten worden,' vulde
Frans aan, die zich zoo gaarne dankbaar toonde wanneer men het goed met hem
meende.
Aan tante Bee iets te verwijten lag ook
in Jans bedoeling niet, daarom stemde hij er terstond in toe het kunststuk van
zijn schoonzuster naar waarde te schatten, en noodigde haar uit nu de fijne
flesch te geven, die bij zulk een uitgezocht gerecht paste. De zorgzame had den
wijn achter de kachel gezet en bracht het groenlak te
voorschijn.
Zorgvuldig ontdeed Jan den hals van
lak, trok toen de stoffige kurk er uit en schonk Frans in. De dames
bedankten.
'Dat deze keer de eerste van velen
moge zijn,' zeide de gastheer plechtig, terwijl hij met zijn vriend
klonk.
'Als mevrouw het vergunt zal het aan mij
niet haperen,' antwoordde Frans.
'Laat nu de
kinderen komen, tante Bee.' —
Cleo, als de
oudste, stapte het eerst binnen, maar het was haar aan te zien dat zij reeds te
veel tijd had gehad om zich zelve bang te maken voor den vreemden heer, die zoo
onverwachts uit het land der apen en tijgers in haar leven opdoemde. Hoewel in
den regel niet verlegen, durfde zij thans niet naar Frans toegaan, maar drukte
zich tegen Fanny aan, zonder haar onderzoekenden blik van hem aftewenden, en met
kinderlijken tact om een stukje taart bedelend ten einde zich een houding te
geven.
Robert was driester. Hem spiegelde geen
al te vroeg ontwikkelde verbeelding onbekende gevaren voor; aan een gedresseerd
hondje gelijk stapte hij recht op Frans aan en stak zijn hand uit. Toen deze hem
op de knie genomen had, en, over het slanke, blonde haar strijkend, vroeg:
'vertel mij nu eens hoe je heet?' sloeg hij de slaperige oogen even op, maar
antwoordde niet. Een paar volgende vragen hadden geen betere uitwerking, en
nadat hij eindelijk: 'taart!' geroepen had, werd de kleine door Jan
overgenomen.
Paatje gaf aan zijn oudsten zoon
een groot stuk van de begeerde snoeperij, noemde hem zijn beste ventje, en vroeg
waarom hij zijn naam niet had willen zeggen, maar hij waagde 't niet naar zijn
vriend optekijken; want het was hem of hij in diens blik lezen zou: is dat nu
het kind waarop je eenmaal zoo trotsch waart, waarvoor je een geheel systeem van
opvoeding hebt uitgedacht, in welks oogen je het kiemend verstand al meendet te
ontdekken toen het nog in zijn wieg te schommelen lag? Hij voelde dat Frans
medelijden met hem hebben moest, en dat gevoel deed hem
zeer.
Hij vergiste zich echter. Frans zag niet
met één oogopslag wat den vader na vele jaren elken dag duidelijker werd. De
gezelligheid van dit vriendschappelijk maal, de kalmte van dezen huiselijken
kring, de blozende wangen van die twee nette, fijne poppetjes, dat alles gaf hem
te zamen een indruk van stil geluk, die te zeer in overeenstemming was met zijn
eigen stemming van zwervenszatheid en zijn behoefte aan een rustig leven om hem
niet al de schaduwzijden in het leven van zijn vriend zonder moeite over het
hoofd te doen zien. Ook leidde Cleo hem af, die zich in een fluisterend gesprek,
niet zonder heftige tegenkantingen, door Fanny had laten bepraten om haar vrees
te overwinnen en meneer een handje te geven. Frans was dol op kleine meisjes en
slaagde er spoedig in met Cleo op zeer vertrouwelijken voet te
komen.
Halfweg het dessert werden Fanny een
paar woorden door tante Bee in het oor gefluisterd. Met een kleinen schrik, als
herinnerde men haar plotseling aan iets onaangenaams, stond zij op, verzocht
Frans haar te verontschuldigen en ging heen. Zoodra zij de kamer had verlaten
knikte Jan tante Bee toe. Deze knikte terug en
zeide:
'Zij is bijzonder rustig van daag.
Mijnheers reisverhalen hebben haar wat afleiding bezorgd. Dat is wel eens heel
goed.'
Frans vroeg niet waarom.
—
'Willen wij nu boven een sigaar gaan rooken?'
vroeg Jan, nadat de fijne flesch geledigd was, en de kinderen van alle
schaaltjes hun aandeel hadden genoten.
'Ik ben
tot je dienst,' antwoordde Frans.
* *
*
Jans kamer
lag aan den achterkant van het huis. Zij was bitter klein, maar hij zat er ook
zelden. In den zomer kon hij op Zondag-ochtenden — wanneer het geen noordenwind
was — door het eenig venster Cleo en Ro in het tuintje zien spelen, dat, behalve
een paar vruchtboomen, slechts een berg wit zand rijk was, waarin de kinderen
zich met kleine spaden en vormpjes vermaakten. Van dat raam tot aan de deur
bestond het vertrek slechts uit een nauwen gang, voor de eerste helft geheel
tusschen boeken ingesloten, voor de tweede links met de voortzetting der boeken,
rechts met een kleinen schoorsteen en een schrijftafel
bezet.
Tante Bee had gezorgd dat de vaalroode
overgordijnen, die ook hier nooit werden gesloten, voor dezen keer het gemis aan
blinden verborgen, en dat op de schrijftafel een lamp, laag neergedraaid, was
aangestoken. Voor een canapé zou er geen plaats zijn geweest in deze pijpenlade,
daarom bood Jan den leuningstoel, die bij de schrijftafel behoorde, zijn vriend
aan, en zette een geopend kistje sigaren op het met leder bekleede blad
neder.
Frans ging niet dadelijk zitten, maar
nam eerst de hoog opgestapelde boeken in oogenschouw, als zocht hij er oude
bekenden onder terug. Daarna bekeek hij ook de menigte photographische
portretten van vrienden en kennissen, welke Jan boven zijn schrijftafel met
spelden in het behangsel had bevestigd, enkelen achter glas, de meesten
onbedekt, een paar bijzonder goede vrienden in afzonderlijke lijstjes op de
tafel zelve.
Ondertusschen was Jan bij het
venster gaan zitten, van waar hij dikke rookwolken naar de lage zoldering blies,
die weldra de kleine ruimte met damp vulden en vergeefsche pogingen deden om
door de geopende deur van de kleine potkachel te
verdwijnen.
'Het wordt tijd dat jou zwarte
baard onder al die physionomieën eens de eereplaats komt innemen,' zeide hij
eindelijk, om de lange pauze te breken, die na het aanbieden van stoel en sigaar
was ontstaan.
'Denk je nog altijd aan dat
portret?' luidde het antwoord. 'Je weet hoe onaangenaam mij het poseeren is. Ik
hoopte dat je mij die pijniging sparen
zou.'
'Integendeel. Het hindert mij elken dag
meer dat je er niet bij bent. Ik stap niet van mijn rechtmatigen eisch af en
verlang na zulk lang wachten zelfs twee exemplaren, een voor boven en een voor
beneden.'
'Als je er zoo aan hecht zal 't
gebeuren, en dan maar hoe eer hoe liever door den zuren appel
heengebeten.'
Wederom volgde een lang
stilzwijgen. Zoo iets had zich voorheen nooit tusschen hen
voorgedaan.
Het was of zij voor de eerste maal
in hun beproefde vriendschap geheimen voor elkander hadden en den moed misten er
over te spreken. Toch had Jan zooveel op het hart, dat hij altijd gemeend had
slechts mondeling aan zijn vriend te kunnen mededeelen.. Hij zag alleen niet in
op welke wijze hij aan die bekentenis beginnen zou. Van zijn kant had Frans bij
al de lichtpunten, die hij in het huwelijk van zijn schoolkameraad geloofde te
ontwaren, eenige raadselachtige schaduwvlekjes bemerkt, welke dringend
opheldering vereischten. Hoe echter zijn vragen interichten? Wist hij zelf wel
goed waarin eigenlijk het raadselachtige bestond dat
hem opgevallen was?
Fanny had hem enkele zeer geëxalteerde antwoorden gegeven. Jan had soms
plotseling haar rede afgebroken. Eindelijk hadden Jan en Bee uit gemaakt dat
Fanny bijzonder rustig was, hetgeen de laatste toeschreef aan de afleiding die
hij — Frans — haar bezorgd had. Dit alles was wel vreemd maar hoe zou hij het
vreemde er van onder woorden brengen? Bovendien moest hij voorzichtig zijn,
onwillens raakte men soms zeer gevoelige snaren aan. Zou het niet verstandig
wezen deze punten voorloopig te laten
rusten?
Om iets te zeggen vroeg hij Jan hoe het
met de literatuur ging.
'De poëzie behoort tot
de afgezworen goden' antwoordde zijn gastheer met een ietwat pijnlijken
glimlach, 'een huishouden is de dood voor de kunst. Mijn eigen dichtader heeft
opgehouden te vloeien. Ongelukkig is sinds dien tijd mijn belangstelling in
hetgeen anderen werken ook verdroogd.'
'Dat is
toch jammer, kerel.'
'Wat zal ik je er van
zeggen? Er zijn talentvolleren ingeslapen! De kunst verliest niet veel in een
priester van mijn begaafdheden. je begrijpt dat er weinig tijd voor
liefhebberij-studiën overblijft, wanneer je den geheelen dag achter je lessenaar
doorbrengt en 's avonds de kinderen moet
bezighouden.'
'Houdt je vrouw zich dan niet met
hen bezig?'
'Wel zeker, als zij niet ziek is,
maar dikwijls genoeg moet ik inspringen. Na haar laatste bevalling bijvoorbeeld
is dit de eerste avond dien ik op mijn kamer
doorbreng.'
'Zij is toch gezond, je vrouw, niet
waar?'
'Ja, en neen. De zenuwen, dat is een
lastig ding, waarde vriend. Kalm houden, zegt de dokter! Heel mooi in theorie,
maar in de practijk eenvoudig eene onmogelijkheid. Je moet zoo iets ondervonden
hebben om je er een voorstelling van te kunnen maken. Twee dagen zal je met de
grootste moeite je vrouw voor alle aandoeningen weten te beveiligen, op de
derden valt zij in onmacht van schrik omdat er een vogel tegen het venster
aanvliegt. En dan de kinderen! O! die begrijpen het zoo goed dat mama rust
behoeft! — Ik verzeker je dat ik mijn best doe om alles uit den weg te ruimen
wat haar hinderen kan, maar gemakkelijk is die taak niet, en er hoort wilskracht
toe om het hoofd altijd boven water te houden. Fanny noemt dat den struggle for
life. Wij zouden vroeger gezegd hebben: pompen of verzuipen. Je hebt we eens je
meening uitgesproken Frans, dat voor een gelukkig huwelijk de eerste voorwaarde
was de goede gezondheid der echtgenooten, blijf bij dat gevoelen; ziekelijkheid
is de dood voor die liefde.'
Er sprak een
somber sarcasme uit Jans woorden, de bitterheid van een lange worsteling tegen
overmacht. Reeds 's morgens was Frans de verandering van zijn trekken
opgevallen. In het vrienden-album, dat hij op jeugdigen leeftijd had aangelegd,
en waarin elk later portret zijn voorganger niet verving maar vergezelde, had
hij zoo vaak opgemerkt hoe het leven zelfs op het lachendst kindergelaat den
stempel drukt van ontzettenden ernst. Thans maakte hij die opmerking op het
levend model en zij trof hem dieper dan ooit te voren. Hij begreep dat Jans
brieven hem slechts de zonzijde van zijn bestaan hadden leeren kennen, en dat er
een diepe schaduw achter dat blijde licht aansleepte waarin hij nu een blik zou
moeten werpen. Evenwel, hij kende het
huwelijk alleen uit de boeken, en vatte
dus ook dien somberen kant veel te dichterlijk op zooals bleek uit zijn
vraag:
'Ben je niet
gelukkig?'
'Ik zou een ondankbare zijn indien
ik dat beweerde,' antwoordde Jan met vuur. 'Herinner je hoe je mij verliet,
gedrukt als ik was onder de kille ellenden van een al te goedkoop
vrijgezellen-bestaan. Ik, die altijd behoefte heb gehad aan genegenheid, verloor
mijn besten vriend. Spoedig daarna leerde ik mijn vrouw kennen, wier vader
korten tijd geleden krankzinnig naar Meerenberg was overgebracht. Ik had innig
medelijden met de moeder en de twee dochters, die bijna onverzorgd achterbleven.
Ik kwam bij hen aan huis, en de gemoedelijke ernst, die in dat gezin heerschte,
trok mij machtig aan. Ik kan niet zeggen welke van de drie, het liefst voor mij
was; zij schonken mij, al was het slechts voor korten tijd, een tweede
ouderlijke woning. Je weet hoe er een eind kwam aan dien gelukkigen tijd. Fanny
werd de mijne. — Neen, nooit had ik gedacht dat een vrouw zooveel van mij zou
kunnen houden! Je had die opgewondenheid moeten zien, wanneer ik haar de verzen
voordroeg, die ik nu en dan op haar of op ons toekomstig geluk maakte. Dan riep
zij uit dat ik een groot dichter worden zou, over de geheele wereld bekend, en
als wij voorbij een winkel kwamen waar de portretten van beroemde mannen waren
uitgestald, liet zij nooit na mij te zeggen: ik verlang naar den dag dat ik jou
daar ook zien zal.
Ik zelf heb mij nooit veel
luchtkasteelen van die beroemdheid geschapen. Ik wist wel dat ieder, die op zijn
tijd eens een vers maakt, daarom nog geen dichter is, doch ik wil maar zeggen
dat een man, die de vrouw zijner keuze bezit, een paar gezonde kinderen heeft en
voor gebrek is gevrijwaard, geen recht of reden kan hebben zich over zijn lot te
beklagen.'
Zoo luidde ongetwijfeld de
verstandige redeneering, die aan een vader van drie kinderen paste, maar hoe ver
stond de man die vrede had met zijn lot, omdat hij zich zelven het recht van
beklag ontzeide, van den jongeling, die in zijn versjes het plekje grond had
bezongen, dat hij tot een paradijs wilde maken voor een aangebeden
vrouw.
Frans schrok eensklaps bij de gedachte
dat Jan op zijn gelaat het medelijden zou kunnen lezen waarvan zijn ziel op dat
oogenblik vol was, en riep daarom zoo luidruchtig mogelijk
uit:
'Je bent toch nog altijd dezelfde
dweper!'
Maar Jan had geen vrede meer met dezen
titel. Dat bij gedweept had ontkende hij niet, maar de ontnuchtering na die
geestelijke dronkenschap had hem zoo aangegrepen, dat hij liever aan het bestaan
vasthield van het beetje geluk, hetwelk hij door vergelijking met anderen in
zijn leven ontdekt had, dan zich nogmaals in droornerijen te verdiepen, welke te
veel van de werkelijkheid verschilden om haar niet ondragelijk te
maken.
'Neen Frans,' antwoordde hij, 'het
dwepen verteer je in het huwelijk. Als het leven je van den morgen tot den
avond, jaar in jaar uit met zijn kleine speldenprikken achtervolgt, die je
oplettendste zorgen niet kunnen voorkomen terwijl geld alleen ze kon verzachten,
dan verzink je langzamerhand in een toestand van berusting, die elk denkbeeld
van verzet en van vooruitgang, zij het dan ook in de verste toekomst
uitsluit.'
'Maar daarvan meldden je brieven
niets.'
'Zulke kleingeestige wederwaardigheden
zijn niet te beschrijven. Dat Cleo reeds binnen het eerste jaar van ons huwelijk
hare intrede in de wereld deed heb ik je geschreven, dat Fanny in het tweede
jaar met eene ongesteldheid te kampen had, die haar nog veel ruwer aangreep, dat
het derde ons kinkhoest bracht, het vierde mazelen en zoo voorts, elk jaar een
nieuwe worsteling bereidde, zonder ons ooit tijd te laten er lichamelijk en
geldelijk boven op te komen, van dat alles behelsden mijn brieven de getrouwe
kroniek, doch had ik daarbij nog melding willen maken van die aaneenschakeling
van toevalligheden, teleurstellingen, ongesteldheden van kinderen, bedriegerijen
van leveranciers, onaangenaamheden met dienstboden, hatelijkheden van
hoogergestelden en kwalijknemerijen van gelijkstaanden, mijn epistels zouden tot
boekwerken zijn aangegroeid. Dat alles ondermijnt het hechtst geluk en te
verwonderen is het dus geenszins dat Fanny's zenuwachtigheid er niet op
verbeteren kon. Herhaalde malen heeft de dokter mij aangemaand haar prikkelbaar
gestel te ontzien, alsof ik dag en nacht iets anders deed. Mijn God, zij zijn
bij al hun geleerdheid zoo verbazend kortzichtig, die mannen van de
wetenschap!'
Frans had het antwoord ontvangen
op de vragen, die hij niet te stellen wist, en hij zag de kleuren tanen, waarmee
zijn zelfzuchtige fantasie van oud vrijgezel zijn eigen huwelijksverschiet
geschilderd had. Het werd hem zoo benauwd in het enge studeerkamertje, als zonk
er een geheel leven van onafgebroken angst, verstompend zorgen en wanhopend
strijden met verpletterende zwaarte op zijn borst
neer.
Jan zag hem aan wat er in zijn ziel
omging, en riep nu op vroolijken toon
uit:
'Kom, laat ons beneden een kop thee gaan
drinken. Ik begin met mijzelven het recht tot morren te ontzeggen en mor ten
slotte toch. Dat komt omdat ik oud word, het moet jou al opgevallen
zijn.'
Zoodra zij de achterkamer binnentraden,
waar alle sporen van het middagmaal verdwenen waren en Fanny hen achter het
theeblad verbeidde, terwijl Cleo naast haar aan een schoon-schrift bezig was,
voer hij voort tot zijn vrouw:
'Kindlief, Frans
heeft er eindelijk in toegestemd zijn portret te laten maken. Wij krijgen nu
twee afdrukken, een voor boven en een voor
beneden.'
Fanny toonde zich zeer voldaan over
dit bericht en terwijl zij thee schonk, liep het gesprek over het onaangename
van het zitten voor een photograaf, de mogelijkheid van slechte gelijkenis eener
photographie, het wit worden van sommige kleuren, het zwart worden van anderen,
enzoovoorts. Fanny liet het kaartje kijken waarop Cleo en Ro hand in hand waren
afgebeeld, maar het levendige kind geraakte in zulk een opgewondenheid daarbij,
dat Jan het noodig oordeelde haar vroeger dan anders naar boven te doen
vertrekken. Een kwartier later kwam tante Bee terug, die de kinderen naar bed
bracht zoolang Fanny zich nog rustig houden moest.
—
Nu werd het stil in huis; het theewater
alleen zong zijn eentonig lied, waarvan de gangklok de maat aangaf, bij
tusschenpoozen kraakten de meubels. Het was een stilte, die geen schel kwam
verstoren, geen gedempt straatrumoer onopgemerkt blijven deed, maar die tevens
iets angstwekkends had, als ware zij de stilte der ziekenkamer waarin de
benauwde ademhaling van den lijder ons zoo pijnlijk
aandoet.
Er lag afgernatheid in dit einde van
den dag.
Was dan het loon van al dat zorgen en
strijden slechts rust, het voorspel van den
nacht?
Jan, wien anders die rust zoo welkom
was, werd zij heden onaangenaam. Hij gevoelde dat zij op Frans een indruk van
saaiheid en verveling maken moest. Daarom riep hij eensklaps
uit:
'Kom, Frans, wek eens oude herinneringen
op, en speel ons wat voor. De kinderen slapen aan de voorzijde; je behoeft dus
je vuur niet te matigen, zooals voorheen na negenen, als de kleinen van de
jufvrouw naar bed waren gebracht. 'Och ja,' stemde Fanny in, 'Jan heeft mij
zooveel van uw spel verteld dat ik van nieuwsgierigheid brand er eens een
staaltje van te hooren.'
'Jan is wel goed,
mevrouw, mij in de gelegenheid te stellen een gek figuur te maken. Ik ben altijd
een zwak dilettant geweest. In de Oost maakte ik haast nooit muziek, en pas
dezen winter heb ik in Duitschland weer eens het een en ander te hooren
gekregen.'
'Niet hengelen,' wierp Jan hem
tegen, 'ik beweer niet dat je een Rubinstein*
bent. Je waart een kranig liefhebber en ik heb mijn vrouw niets dan de waarheid
verteld. Je moogt niet weigeren nu daarvan het bewijs te
leveren.'
Frans was er in het geheel de man
niet naar zich lang te laten bidden. Wanneer hij wist dat zijn spel iemand
aangenaam kon zijn, was hij altijd bereid zoo lang te spelen als men begeerde,
zonder op eenige toejuiching aanspraaktemaken. Daar hij zich niet geregeld
oefende bleef vingervlugheid zijn zwakke zijde en speelde hij zelden bepaalde
pianomuziek. Zijn grootste genoegen bestond in het fantaseerend doorloopen van
een opera of oratorium, waarbij zijn verbazend geheugen hem uitnemend te stade
kwam.* Regelrecht
uit Parijs komend zweefde hem natuurlijk de Fransche muziek voor het oogenblik
het duidelijkst voor. De eerste thema's die hij aangaf waren allen aan
Meijerbeer*
ontleend.
Fanny had gehoor en gevoel voor
muziek, doch te zelden gelegenheid iets te hooren om geen bijzonder genoegen te
scheppen in de melodieën, die Frans op de piano, zoo goed en zoo kwaad het ging,
teruggaf. Zij luisterde met de grootste aandacht, en toen tante Bee, na zwijgend
een wijnflesch op tafel te hebben gezet, voorzichtig met omwasschen begon, ging
zij bij Frans staan, als vreesde zij een enkelen toon van de behagelijke
harmonieën te missen.
Langzamerhand zonk haar
hoofd op de borst neder. Men zou gezegd hebben dat zij staande sliep. Toen het
slotaccoord de melodieënreeks besloot, scheen zij wakker te schrikken uit een
lichte sluimering.
'Zingt u niet, mevrouw?'
vroeg Frans, van het pianokrukje
opspringend.
'Het zingen behoort tot de
liefhebberijen, waarvan ik afstand heb moeten doen, mijnheer van
Doorning.'
'Verbeeld je,' zeide Jan, 'het heeft
weinig gescheeld of in plaats van mijn vrouw ware Fanny eene diva van de opera
geworden!'
'Een illusie van mijn jeugd, ik
ontken het niet, die echter nu begraven is bij haar vroeg gestorven zuster. Het
leven verwezentlijkt onze droombeelden niet, maar vernietigt ze. Daarom benijd
ik ieder die er geen heeft. Eigenlijk is het ook goed zoo. Wij zouden anders al
te gelukkig worden, en dat geluk zou ons egoïst maken. Wij moeten leeren voor
anderen te bestaan. Dan alleen is het leven te dragen, wanneer wij er in
geslaagd zijn ons zelve geheel weg te denken, en op te gaan in de wezens, die
wij liefhebben. O! dat is geen gemakkelijke taak, en er moet hard gestreden
worden voordat wij het eigen ik zoover ten onder hebben
gebracht.'
'U maakt verschrikkelijke
gevolgtrekkingen uit een jeugdige opwelling, mevrouw. Iedereen wordt, geloof ik,
in zijn jeugd meer door een zekere ijdelheid dan wel door redeneering en
zelfkennis in de keuze van zijn levensloopbaan geleid. Ik wil u wel bekennen dat
mijn jongens-ideaal er al bijzonder dwaas uitzag. Stel u voor, dat ik mij op
achttienjarigen leeftijd niets mooiers kon voorstellen dan in vrije liefde met
een gevierde kunstenares te leven. Ik besefte waarschijnlijk dat ik met eigen
krachten weinig vermocht en wilde mij dus aan de glorie van een ander
warmen.'
'IJdelheid,' hernam Fanny, die de
laatste woorden amper gehoord had. 'Ik had dit nog nooit zoo overdacht, maar dat
is het juiste woord. 't Is waar wat u zeide, 't is ontzettend waar! IJdelheid
alleen drijft ons voort. Daarom is het goed, heel goed dat ons de gelegenheid
ontnomen wordt aan die ijdelheid gehoor te geven. Wie weet welke nog veel
grievendere teleurstellingen ons op dien weg hadden
verbeidt!
Toch was het leven zoo mooi dat ik
mij indacht: Ik had het aan de kunst gewijd. Altijd was de zaal eivol wanneer ik
optrad. Op het oogenblik dat ik moest verschijnen heerschte er een doodelijke
stilte, men kon een speld hooren vallen, en in dit plechtig zwijgen trilde de
eerste toon van mijn gezang door de zaal. De angst voor het voetlicht was mij
onbekend; de menschenmassa ontnam mij geen oogenblik mijn zelfvertrouwen. Dat
kwam omdat ik die rol niet maar als een lesje van buiten had geleerd, doch haar
doorleefd had en telkens weer doorleven moest om zulk een diepen indruk te maken
als ik teweegbrengen wilde en kon. In elke noot die ik zong, in elk woord dat ik
uitsprak schonk ik een deel van mijn ziel weg, en elke schrede die ik op het
tooneel zette was er door mijn hartebloed geteekend. Ik veroverde toejuichingen,
ik tooverde tranen in ieders oogen, ik werd overladen met bloemen, maar wanneer
ik buigend heenging vermoedde niemand hoe bitter er geleden moest worden om zoo
te kunnen spelen!'
De oogen, die uit hunne
doffe sluimering ontwaakt van ongewoon vuur gloeiden, in eene eindelooze verte
gericht, de rechterhand uitgestrekt als voelde zij de planken van het tooneel
reeds onder de voeten, teekende Fanny het beeld, dat zij al vele jaren geleden
van haar loopbaan als kunstenares ontworpen had. Zoo verlokkend had het haar
immer voor oogen gezweefd, dat zij aan een roeping had kunnen gelooven, en welke
pogingen zij ook had aangewend om het uit haar geheugen te verbannen, immer was
het weer met nieuwe levendigheid opgedoemd, en bij zijn schitterend coloriet
waren alle genietingen van het werkelijk leven tot vale schimmen verdoofd, en
gestorven.
Verwonderd had Frans de verandering
in haar trekken gadegeslagen, en den exstatischen toon gehoord waarop zij hare
hallucinaties beschreef; maar ook Jan had zijn aandacht niet van haar afgewend,
en zoodra het oogenblik gunstig was riep bij
uit:
'Kom, Frans, laat ik je eens een glas wijn
inschenken.
Je hebt hem gestoord, Fanny; dat is
jammer, hij was zoo goed op weg. Voorheen placht hij te zeggen: mijn vingers
moeten eerst warm worden. Nu waren zij juist warm en zijn misschien reeds weer
bekoeld.'
Een medelijdende glimlach speelde om
Fanny's mond. Zij zweefde te hoog boven de wereld om niet met verachting op haar
man en zijn alledaagsche scherts neer te zien. Terwijl Jan de glazen vulde, ging
zij fluisterend tot Frans voort:
'Hij heeft
zich daar nooit in kunnen verplaatsen. Voor hem was de kunst slechts een
tijdverdrijf. Hij had geen roeping en daarom legde hij aanstonds de bijl er bij
neer. Nooit heeft hij het lijden gekend dat heerlijker is dan het zoetst
genieten en vreeselijker pijnigt dan de wreedste smart. Wie de kunst werkelijk
liefheeft moet afstand doen van het leven en aan de nachtegaal gelijk worden,
waarvan Heine*
zegt: 'unbekümmert um die ganze Mitwelt ist nun die rothe Rose ihr einziger
Gedanke und Ihr einziges Leid, sehnsüchtig umflattert sie die rothe Rose, und
stürzt sich begeistert in die geliebten Dornen, und blutet und
singt!'
Frans was nooit sentimenteel geweest,
Fanny's ontboezemingen kwamen hem onzinnig voor. Dat een jong meisje nog aldus
raaskalde, maar een getrouwde vrouw, een moeder van drie kinderen! Hij kon de
opmerking niet weerhouden:
'Maar, mevrouw, met
zulk een roeping begrijp ik niet dat u in het huwelijksbootje heeft plaats
genomen.'
'Weet u dan niet dat de kunst
reuzenkrachten eischt en dat ik zwak ben? Ieder, die 't goed met mij meende,
ried het mij af, en ik zag in dat zij gelijk hadden. Ik heb mij weten te
beheerschen. O! het heeft moeite gekost, maar ik ben er in geslaagd. Wat
beteekent een mensch, die geen meester is over zich zelven? Hoe zal een moeder
een kind kunnen leiden, wanneer zij begint met aan den leiband van haar eigen
hartstochten te loopen? Neen, niet toegegeven; gestreden moet er worden zoolang
er leven is! Plicht alleen kan een mensch staande houden. Voor dien plicht heb
ik een altaar opgericht en elken dag, elk uur, elke minuut op dat altaar mijne
offeranden neergelegd. Wanneer er van tijd tot tijd een zonnestraal in mijn
leven verdwaalt, dan durf ik gerust zijn glans genieten, want ik weet dat ik er
een recht op heb. 'Hoogmoed is de moed om hoog te staan,' zegt Multatuli. Welnu,
ik heb den moed om de geheele menschheid te verachten in het fiere bewustzijn,
dat niemand in staat zou zijn vrijwillig het offer te brengen dat ik heb
gebracht: het offer van al mijn idealen!'
Frans
wist niet wat hierop te zeggen. Zooeven nog had Jan Fanny's warme liefde geroemd
en thans beschreef zij zelve haar huwelijk als een langzame offerande van alle
idealen. Had zijn vriend hem een blinddoek voor de oogen willen binden of hield
zijn vrouw hem voor den gek? Gelukkig kwam Jan hem te hulp door de herhaalde
vraag of men niets meer te hooren kreeg. Hij zette dus het glas neer, dat hij
nog immer in de hand hield, en nam wederom aan de piano plaats, blijde voor een
oogenblik bevrijd te zijn van de overdreven zelfbewierooking dier zonderlinge
vrouw.
Hij speelde nu geen Fransche
opera-melodieën meer. Het eerste thema dat hij aansloeg was uit Beethovens
zevende symphonie genomen; vervolgens kwam hij op de Leonore-ouverture*
en daarna op de Fidelio.*
Fanny,
die in een hoek van de kamer op een stoel was neergezonken, wendde haar blikken
niet meer van hem af. Zij legde zich de vraag voor hoe het gekomen was dat zij
dien man na een kennismaking van weinige uren haar geheimste gedachten had
geopenbaard. Zonder één noodiging van zijn kant, had zij hem verteld wat zij
zelfs voor haar man verzweeg, die wel wist dat zij zangeres had willen worden,
maar nooit de kracht van haar roeping had gekend. Na een jaren lang stilzwijgen,
waarin zij haar dierbaarste gevoelens met ongeloofelijke hardnekkigheid had
weten te verbergen, legde zij eensklaps vrijwillig haar geheele ziel bloot, met
geen ander doel dan opdat Frans haar kennen zou zooals zij gekend wilde
worden.
Was de muziek de schuld van dit alles?
Hadden zijn reisverhalen haar zoo opgewonden? Was het zijn levendig oog dat tot
die vertrouwelijkheid had verleid?
Zij vond
geen antwoord op al die vragen. Zij maakte Frans tot een raadsel, waarvan zij de
oplossing zich nog niet bekennen wilde.
Maar
weer speelde hij, en thans was het wel degelijk de muziek, die haar als in een
toestand van dronkenschap de oogen sluiten deed. Alle begeerten en gevoelens uit
haar jeugd leefden weer op; de ideale wereld, waarin zij zich op de vleugelen
des exstase wist te verheffen, omgaf haar met onverflauwde pracht van kleuren,
en zij voelde het lijden dat heerlijker is dan het zoetst genieten en
vreeselijker pijnigt dan de wreedste smart.
O!
zij leed, maar zij leefde nu ook weer! Acht jaren lang had zij als een plant
geslapen, nu was zij ontwaakt, weer vatbaar geworden voor elken prikkel van pijn
en genot.
'Kent u het Schicksalslied van Brahms
voor koor en orkest?' vroeg Frans, terwijl hij zonder het antwoord aftewachten
de eerste maten aansloeg.
Zij begreep de
inleiding niet, maar daarna kwam de zang waarvan hij zacht de woorden
neuriede:
'Ihr wandelt droben im
Licht
Auf weichem Boden, selige
Genien!'
Droben im Licht! Die woorden troffen haar. Door een zee van
licht omstraald zag zij zich zelve op de weeke wolken zweven. Engelenkoren
daalden tot haar neer en rezen omhoog. Uit millioenen monden ruischte een
hemelsche melodie. ja, indien er een paradijs was moest het zoo zijn, enkel
licht en enkel harmonie.
Maar Frans was al
verder gekomen, en hij zong:
'Doch uns
ist gegeben
Aufkeiner Stätte zu
ruhn;
Er schwinden, es
fallen
Die leidenden
Menschen
Blindlings von
einer
Stunde zur
andern
Wie Wasser von
Klippe
Zu Klippe
geworfen,
Jahrlang in 's Ungewisse
hinab.'
Nu werd het haar donker voor de oogen. Uit dien hemel van
licht stortte zij neer op de wentelende aarde in een woestijn van zand en steen.
Het was of een stem riep: voort, voort! en zij stond op en stormde voort. De
rotsen rezen naast haar op en werden tot muren, die den hemel schenen te dragen.
Het steenige pad, dat haar de voeten verwondde, leidde al dieper en dieper in de
duistere aarde omlaag. Het werd nacht om haar henen, haar voet weigerde haar te
dragen, maar de onverbiddelijke stem riep: voort, voort! en blindelings holde
zij door, van rots tot rots, Jarhlang in 's Ungewisse
hinab!
Angstig had Jan zijn vrouw gadegeslagen.
Hij kende die vreeselijke spanning op haar gelaat, waarvoor de dokter hem zoo
vaak had gewaarschuwd, en wist geen middel haar tot kalmte terugtebrengen. De
muziek, die hij als een afleiding had begroet, was eensklaps een verschrikkelijk
vergif geworden, dat al haar zenuwen in krampachtige siddering gespannen hield.
— Zou hij Frans verzoeken uit te scheiden, en hem doen begrijpen wat hij nog
waande verborgen te hebben gehouden? Maar dat zou haar boos maken, om meer
muziek doen vragen, en indien hij dan weerstand bood werd de zaak er slechts
erger door. Hij zon op iets anders; te dikwijls reeds had hij kleine listen
moeten gebruiken, ten einde Fanny's zenuwen te sparen, om daarin niet
vindingrijk geworden te zijn. Spoedig viel hem iets in. Terwijl Frans nog
speelde, tante Bee ijverig voortborduurde en Fanny reeds lang niet meer
toeluisterde, als in een droom aan de werkelijkheid ontrukt en voortgesleurd van
beeld naar beeld, stond hij op, bereikte onopgemerkt den schoorsteen, en draaide
den grooten wijzer der pendule met een snelle handbeweging eenmaal
rond.
Het middel gelukte. Het uurwerk sloeg elf
slagen, Frans wendde er onwillekeurig den blik heen en sprong ontsteld op. Jan
liet hem den tijd niet zijn horloge uit te
halen.
''t Is laat geworden,' zeide hij en
begeleidde die woorden met een beweging van het hoofd naar den kant waar Fanny
zich bevond. Frans begreep dien wenk, zag haar ineengedoken op een stoel zitten
met de oogen strak naar den grond gericht, en meende dat zij van vermoeidheid
was ingesluimerd. Haastig greep hij naar zijn handschoenen en maakte Jan zijn
verontschuldigingen over het vergeten van den tijd. Daarop ging hij naar Fanny,
die hem slaapdronken aankeek, stak haar de hand toe en dankte voor de
vriendelijke ontvangst. Zij nam echter zijn hand niet aan; met moeite bracht zij
een glimlach op haar gelaat te voorschijn, sprak hem met matte stem een tot
weerziens toe, en stond niet op. Tante Bee groette even schuchter beleefd als
altijd, en Jan liet zijn vriend uit.
'Goeden
nacht,' dat was al wat hij nog zeide.
Toen hij
in de achterkamer terugkeerde waren de beide vrouwen verdwenen. Zacht sloot hij
de piano, verzekerde zich dat de kachel was leeggebrand, en draaide de lamp uit.
In den gang stond het blakertje waarmede hij gewoon was zich ter ruste te
begeven. Onder het aansteken schudde bij het hoofd en bromde in zich
zelven:
'Het was weer mis van avond.'
* *
*
Tegen negen
uur kwam Jan 's morgens beneden. Het ontbijt van Cleo en Ro was dan reeds
afgeloopen; achter hunne ledige eierschalen en bekruimelde borden zaten de
kinderen geduldig te wachten dat tante Bee voor paatje de twee traditioneele
boterhammen sneed.
In tante's gezelschap waren
de kleinen altijd voorbeeldig zoet. Zij hielden veel van haar, eigenlijk meer
dan van hun moeder. Met Fanny wisten zij niet hoe zij 't hadden. Van daag werden
zij aangehaald, met lieve woorden en geschenken overladen, morgen werden zij
teruggestooten, hard aangesproken, zonder reden gestraft of wel met zeldzame
onverschilligheid aan hun lot overgelaten. Sedert tante in huis was gekomen
waren zij meer en meer van Fanny
vervreemd.
Dezen morgen had Berenice hun
ernstig op het hart gedrukt heel stil te zijn omdat maatje lang wilde slapen, en
met kinderlijke overdrijving hadden zij zelfs beneden aan het ontbijt den
fluisterenden spreektoon bewaard.
De
genegenheid van de beide kleinen voor tante Bee was wederkeerig. Het goede
schepsel was in te veel opzichten kind gebleven om geen algemeene kinderliefde
in haar hart te koesteren. Daaraan paarde zich zulk een sterke behoefte aan
toewijding, dat zij na den dood harer moeder er over gedacht had zuster van
liefdadigheid te worden. Toen was Jan tusschenbeiden gekomen met de bede dat zij
bij hem haar intrek zou nemen. Eerst had zij geaarzeld; het was toch maar waar
dat zij heel veel van Jan had gehouden en het een bittere teleurstelling voor
haar was geweest te moeten bemerken, dat hij om Fanny zoo dikwijls haar
ouderlijk huis bezocht. Zij had het hem niet euvel geduid; daarvoor wist zij te
goed hoever Fanny in verstand en geest boven haar stond, maar om nu met hem
samen te gaan wonen en elken dag te moeten aanzien dat hij Fanny liefkoosde, was
te veel van haar lijdzaamheid gevergd. Jan had haar aarzeling bemerkt, doch niet
begrepen, en haar zin voor zorgen en verplegen kennende, bekende hij ronduit dat
zij hem de zware taak van huisvader met een vrouw als Fanny niet weinig zou
kunnen verlichten. Daarop had zij niet langer geweifeld, maar was met pak en zak
bij hem ingetrokken en binnen korten tijd de goede engel geworden van zijn
huis.
Nadat Jan zijn schoonzuster den gewonen
morgengroet en zijn kinderen ieder een kus geschonken had, vouwde hij zwijgend
het Handelsblad open, dat naast zijn bord lag, en begon te lezen. Bee stoorde
hem niet; zij wist hoezeer hij aan dit rustig oogenblikje gehecht was. Immer
slaagde zij er in de aandacht van de kinderen tot aan zijn vertrek met het een
of ander bezig te houden, zoodat in de stille achterkamer, die op het dorre
tuintje uitzag, geen enkel gedruisch hem afleiden kon, want het zware tiktak van
de oude gangklok hoorde hij al lang niet
meer.
Reeds had hij zijn tweede kopje thee
uitgedronken, en een vijftiental minuten oplettend doorgelezen, terwijl tante
Bee fluisterend aan Cleo en Ro bekendmaakte dat zij na het koffiedrinken, als
het mooi weer bleef, uit zouden gaan. Daar vloog plotseling de deur open en
Fanny trad haastig binnen, het grijze oog stralend van ongewone
levendigheid.
'Mijn God,
Fanny!'
De woorden waren Jan ontsnapt voor hij
er aan dacht, maar zij berouwden hem onmiddellijk. Het was of Fanny zich had
voorbereid op eene aanmerking betreffende haar vroegtijdig opstaan, zoo rad
rolde het antwoord haar van de lippen.
'Dacht
je misschien dat ik nog langer de zieke zou willen spelen ten pleziere van een
dokter, die het noodig oordeelt ons nog eenige visites te laten betalen? 't Is
inderdaad of ik je ongelegen kom. O! maar ik begrijp het wel. Ik ben altijd de
persoon, die de kalmte komt storen. Ik ben zenuwachtig, ik ben opgewonden, ik
ben overdreven. Weet je wel dat het mij veel gemakkelijker zijn zou heel rustig
te blijven en Gods water maar over Gods akker te laten loopen, maar dan zou je
eens zien wat er van het huishouden terecht
kwam!'
'Lieve kind,' antwoordde Jan met die
zachte gemoedelijkheid in zijn stern, waarmede hij nu reeds jaren lang
vruchteloos poogde de aanhoudende spanning van Fanny's zenuwgestel te doen
bedaren, 'wij willen allen niets liever dan je weer den geheelen dag in ons
midden zien, maar indien je nu niet de noodige rust neemt moet je daar later
weer voor boeten.'
Fanny, die haar kinderen met
onstuimigheid aan haar borst gedrukt en gekust had, eischte haar plaats aan het
theeblad terug, die tante Bee in de laatste weken had ingenomen. Zoodra deze
naar de vensterbank was verhuisd, ging zij
voort:
'Wie dan leeft, dan zorge. Ik gevoel mij
nu sterk genoeg, en bovendien behooren wij niet tot de menschen, die maar bij de
pakken kunnen neerzitten, omdat zij rijk genoeg zijn anderen voor zich te laten
werken. Uns ist gegeben auf keiner Stätte zu ruhn. Wij moeten zelven de handen
uitsteken en dat is goed ook. Het verdrijft de dwaze gedachten. Wij menschen
hebben altijd dwaze gedachten, die wij van ons af moeten zetten, en daarom is
het een wijze beschikking dat ieder zijn deel heeft in het zwoegen en slaven. Ik
zou mij schamen langer verzorgd en opgepast te worden; ik heb ook mijn taak op
de wereld en die taak wil ik vervullen ten einde toe of tot ik de bijl er bij
neerleggen moet en bezwijken in den
strijd!'
'Kind, kind,' hernam Jan op dien
eigenaardigen, wanhopenden toon, welke in zwakke naturen het besef verraadt dat
zij elken kamp met onvoldoende wapenen moeten aanvaarden. 'Het is nog zoo vroeg;
houd je in 's hemelsnaam kalm.'
'Ik zou niets
liever wenschen dan mij kalm te kunnen houden. Ik weet het dat alleen kalme
menschen gelukkig zijn; doch wanneer er zijn, die tot een plantenleven kunnen
insluimeren, dan moeten er ook zijn die als lastdieren arbeiden. Ik voel dat
elke zenuw aan mij leeft en leven wil. Daartegen helpt niets dan voortdurende
plichtbetrachting, werken van den morgen tot den avond. O! ik beweer niet dat
die arbeid iets beteekent! Ik laat er mij niet op voorstaan iets bijzonders te
zijn! De wereld is vol tegenstellingen. Naast den adelaar, die zich boven de
hoogste bergtoppen verheft, leeft de rups die onopgemerkt over de aarde kruipt!
Wie weet of de rups geen adelaar zou willen zijn. Wij kunnen onze idealen hoog
stellen en toch gedoemd zijn in de laagte te blijven. Als kind reeds droeg ik de
overtuiging met mij om, dat er slechts twee wegen bestaan om gelukkig te worden:
te leven voor den roem of te leven voor de liefde. Boven alle hartstochten te
staan of een hartstocht inteboezemen zoo machtig dat hij u hoog verheft, boven
al wat laag en alledaagsch is. Maar dat zijn illusiën! Juist in dat lage, in dat
alledaagsche wentelen wij rond van den dag af dat het levenslicht onze oogen
treft tot op het oogenblik dat het laatste stuk van ons geraamte is
verteerd!'
Zoo dikwijls zulk een vlaag van
opwinding Fanny overviel, wist Jan bij ondervinding dat elke poging om hare
woorden te stuiten vruchteloos was. Haar fantasie moest voorthollen totdat zij
afgemat geen, nieuwe beelden meer scheppen kon waarin zij telkens dezelfde
jammerklachten belichaamde.
Na een paar malen
vergeefs getracht te hebben haar in de rede te vallen, was Jan in zijn stoel
neergezonken, ten einde raad. Een blik vol vertwijfeling naar tante Bee geworpen
baatte evenmin, want die goede vrouw, welke nooit iets van de ontboezemingen
harer zuster begrepen had, las bij het raam gezeten fluisterend aan de kinderen
uit een prentenboek voor, en keek niet naar hem op. Hij nam het besluit wat
vroeger dan gewoonlijk optestappen, en in het half uur dat hem overschoot in 's
hemelsnaam een singeltje rondteloopen. Misschien zou zijn afwezigheid een goeden
invloed op haar hebben. Hij drukte haar dus een kus op het voorhoofd, dien zij
nauwelijks opmerkte, herhaalde nog eenmaal zijn ernstige aanmanigen om rustig te
blijven, riep haar een tot vier uur toe, waarop zij geen antwoord gaf en verliet
het huis.
In allerijl at Fanny het dunne
sneedje broodje dat zij voor haar ontbijt voldoende achtte. Daarna stond zij
oogenblikkelijk op en ging aan het werk.
Het
eerst richtte zij haar schreden naar de
keuken.
Daar vond zij terstond de onmiskenbare
sporen van haar lange afwezigheid. Sientje werd niet
gespaard.
Het koper was slecht geschuurd, het
ijzerwerk schandelijk verwaarloosd, de kachel vol vlekken, het vaatwerk van
gisteren nog niet eens geheel afgewasschen! Dat kon niet langer zoo gaan. Er
moest gewerkt worden. Zij gaf zelve het voorbeeld, ieder die in haar dienst was
had te kiezen tusschen heengaan of dat voorbeeld volgen. In de kast onder de
aanrechtbank vond zij een schaaltje met afgesneden vleesch. Wat beteekende dit?
Werd er gestolen? Kregen zij misschien niet genoeg te eten? Op de pomp stond een
gebroken glas. Wie was de schuldige? Waarom had men er haar niets van gezegd?
Was zij te hardvochtig om een ongeluk te kunnen vergeven? Men had misbruik
gemaakt van de goedheid harer zuster, doch zij zou daar spoedig een eind aan
weten te maken.
Nadat zij alles bekeken en
betast had bestelde zij het middageten, een hoogst eenvoudig maal, hoofdzakelijk
bestaande uit overblijfselen van den vorigen dag. Daarbij bleef het echter niet.
Als een verstandige huisvrouw wist zij vooruit te zorgen voor een aantal
volgende dagen. Een paar malen vergiste zij zich en begon dan weder van voren
af, bracht verbeteringen aan en recapituleerde, vergiste zich wederom en
herhaalde nog eens, haspelde ten slotte alles door elkander en overstapelde
Sientje met bevelen waarvan geen van beiden er een
onthield.
Nog was zij niet uitgepraat toen een
gedruisch in de voorkamer haar aandacht trok. Haastig als zij gekomen was
verdween zij weder uit de keuken om Mijntje te gaan kapittelen, die bezig was de
voorkamer te stoffen.
Eerst de bedden boven
afhalen, de voorkamer kan tot na twaalven wachten. Mijntje moest zich niet
verbeelden dat haar huishouden maar een brak* was, waarin iedereen doen en
laten kon wat hij verkoos. Zij wist wel waar die ijver om de voorkamer te
stoffen op neer kwam. Niets anders dan een voorwendsel om uit het venster te
kunnen liggen en praatjes te maken met gemeen volk op straat, maar daar zou zij
een stokje voor steken. Zoodra het werk boven gedaan was kon Mijntje naar de
achterkamer gaan, waar de schoorsteen grijs zag van het stof en de kachelplaat
vol asch en sintels lag.
Driftig liep Fanny
hierop de trap op en Mijntje verzuimde niet haar gemoed in de keuken te gaan
uitstorten, verklarende dat het een moord was als mevrouw zich weer met de
huishouding bemoeide.
''t Is net een bezetene'
antwoordde haar kameraad geërgerd.
Intusschen
was Fanny boven aangekomen en had zij de baker tot verantwoording geroepen over
een groote vlek op het gangkleed. O! het was een ramp met slordige menschen te
doen te hebben, maar als zij zich niet wilden verbeteren konden zij allen
heengaan. Des noods zou zij zelve voor keukenmeid, werkmeid en baker tegelijk
spelen. Het hing er maar van af of men plichtbesef had en werken wilde. Meer dan
tijd was het dat alles eens ter dege werd nagegaan, daarom zou zij van daag
niets overslaan.
Van de slaapkamer draafde zij
naar de kinderkamer, waar zij gebroken speelgoed op den grond vond en een barst
in een ruit ontdekte. Van de kinderkamer ging zij naar het kabinetje boven de
voordeur, waar een geschoonde wasch van acht dagen geleden nog wachtte op
wegberging. Uit het kabinetje komende klom zij de steile zoldertrap op, om boven
in alle hoeken en gaten, kisten en kasten, koffers en doozen naar sporen uit te
zien van slordigheid en bewijzen van onvoldoende plichtbetrachting. In de gangen
ergerde zij zich aan elk nieuw schrapje op de deurposten en paneelen; in de
kamers verzette zij de meubels, opende, de ramen, nam met een stofdoek de tafels
en kasten af en liet geen afgebrand stukje lucifer of weggeworpen snipper papier
op den grond liggen.
Tegen half een ure at zij
haastig een stuk brood. Tante Bee durfde haar niet toespreken; Cleo en Ro, die
somtijds bang waren voor moe, staarden haar zwijgend aan. Fanny's verzet kennend
tegen elk plan dat van anderen uitging had tante er de kinderen reeds op
voorbereid dat het weder te slecht werd, om
uittegaan.
Onophoudelijk dwaalde Fanny's blik
rond door het vertrek. Eensklaps bleef hij op de boterhammen der kinderen
gevestigd.
'Maar Bee' riep zij uit, 'het is
noch niet zoover met ons gekomen dat de kinderen gebrek behoeven te lijden. Zij
moeten meer vleesch hebben. Ik verlang dat zij goed gevoed zullen worden. Waar
de physieke krachten ontbreken kunnen ook de moreele geen weerstand bieden. Meen
niet dat zij aan den strijd des levens zullen ontsnappen. Niemand, niemand
ontkomt, maar de teergevoeligen en zwakken gaan er in
onder!'
'Lieve Fanny, zij hebben geen honger
meer; niet waar Cleo? Of wil je nog een stukje vleesch, zeg het dan
gerust!'
'Neen, tante, ik wil niet meer
eten.'
'En jij
Robert?'
'Ik ben heelemaal dik' antwoordde het
suffige stille kind dat ontzagwekkende portie's kleingesneden vleesch 's middags
en 's avonds deed verdwijnen.
Beide
verzekeringen werkten op Fanny niets uit. Zoo dikwijls haar moederhart week werd
— hetgeen, gelijk alles in haar, bij plotselinge opwellingen geschiedde —
openbaarde zich haar teederheid in een behoefte om de kinderen te overladen met
al wat versterkend, nuttig en aangenaam zijn kon. Hadden zij genoeg van het
gewone voedsel dan werden de geneesmiddelen te hulp geroepen: Revalenta, Quina
Laroche, Tintwijn, IJzer Bravais. Cleo zag er soms zoo erg zwak uit, zij had
bepaald versterking noodig. Vroeger had zij veel meer eetlust gehad. Als het
kind maar geen ziekte onder de leden had. De mazelen regeerden wel niet, maar
één geval moest altijd het eerste zijn. Het zou verschrikkelijk wezen, want zij
zouden het dan natuurlijk allen krijgen. Ro moest terstond naar de logeerkamer
worden overgebracht, en Mijntje de deur uit, omdat zij de ziekte niet had gehad.
Zij zou zelve waken en hoopte nog maar dat het mazelen in een lichten graad
mochten zijn, want een kind te verliezen dat ging boven haar krachten. Haar
leven was buitendien al rijk genoeg aan teleurstellingen; doch zoo gaat het
altijd! Aan de gelukkigen loopt alles mede, de anderen moeten het gelag
betalen.
'Maar Fanny,' viel Bee haar in de
rede, 'je jammert alsof Cleo al op sterven lag en zij voelt zich niet eens ziek.
je zoudt het kind op die manier een schrik op het lijf kunnen
jagen.'
Fanny zag in dat zij gelijk had. Cleo
keek haar met wijdopengesperden mond en oogen zoo wezenloos aan als had zij den
schrik reeds beet. Toen vloog zij op en sloot de kinderen in haar armen. Een
regen van kussen kwam op de zachte wangen neer, en krampachtig werden de blonde
kopjes tegen moeders borst aangedrukt. Daarna liet zij hen plotseling los, en
snelde weer de kamer uit, naar boven.
Op het
portaal aangekomen, bezon zij zich een ogenblik. Wat was zij eigenlijk
voornemens te doen? juist zij herinnerde het zich weer; de wasch was nog niet
opgeborgen. O! zij schaamde zich in het geheel niet de handen aan het werk te
slaan, verheugd als zij was dat er geen handiger huisvrouw, geen beter moeder,
geen voorbeeldiger echtgenoote bestond dan zij, en dat haar huishouden tot model
strekken kon aan alle huishoudens der
wereld.
In het kabinetje boven de voordeur lag
het vlekkeloos wit linnengoed voor de huishouding bestemd, in de hemelsblauwe
teenen mand onder een laken, op de hand te wachten die het tellen, nazien en
wegbergen zou in de ouderwetsche donkerbruine linnenkast. Kast en linnen waren
erfstukken.
Zoodra Fanny het laken had
weggenomen vond zij bovenop de lange, ingevulde lijst, die tot wederzijdsche
contrôle van bleeker en klanten diende. Nu opende zij de kast, een sieraad van
haar huishouding, een lievelingsmeubel dat zij angstvallig beschermde tegen
onreine meidenhanden, en waarin zij haar smaak voor pronkende zindelijkheid den
vrijen teugel vierde.
Een sterke reseda-geur*
stroomde haar tegemoet, toen zij den sleutel in het blinkend koperen slot had
omgekeerd, en de van boenwas glimmende deuren, op hare hengsels draaiend, de
krijtwitte stapels linnen te zien gaven op eikenhouten planken uitgestald, wier
breede ruggen onder neerhangende kanten waren verborgen. Met moeite sleepte zij
de groote mand tot vlak voor de kast, en begon nu, met de lijst in de hand, de
laatst gewasschen stukken te tellen en onderaan bij de oude stapels te voegen.
Eerst het beddegoed dat gebukte houding op de onderste planken bergen moest,
twaalf lakens in achten plat toegevouwen, een zware ondersprei en twaalf
kussensloopen. Van elk sierlijk in een langwerpig vierkant gevouwen sloop
moesten de vier knoopen worden nagezien, voordat het stapeltje in zijn geheel op
de plank werd neergelegd. Voor het tafelgoed kon zij recht overeind blijven
staan, maar moest dan telkens tot de ontilbare mand neerbukken. Elke buiging
dreef haar het bloed naar de slapen, en een licht rood tintte haar wangen
terwijl zij haastig zes tafellakens, vierentwintig servetten, zes
ontbijtservetten, zes keuken-tafellakens, achttien keuken-servetten uit de mand
te voorschijn bracht. Een oogenblik moest zij ophouden, het begon haar voor de
oogen te draaien, maar zij herstelde zich spoedig en ging voort: achttien beste
handdoeken, twaalf gewone handdoeken, zes bonte handdoeken, twaalf droogdoeken.
Weer hield zij even stil, eene hand tegen de oogen gedrukt en met de andere op
een stoel geleund. — Maar zij had geen tijd om zich toetegeven, bukte weer, hief
de stapels linnen op, telde en borg ze weg, elk op zijn plaats. Op de
droogdoeken volgden de theedoeken, zes met roode streepjes, zes met ruiten, de
glazendoeken met dichtgemangelde lussen, nauwkeurig op elkander gelegd; toen
kwamen de twaalf boendoeken, de zes lampendoeken en de zes witte
schoorsteenkleeden met paarsche strepen afgezet, glimmend gestreken en de
schuifbanden hard van stijfsel als strooken karton naar buiten
stekend.
De mand was ledig, geen stuk ontbrak;
maar nu bekroop haar de lust de grootste schatten van haar voorraad nader in
oogenschouw te nemen. Zij wist precies hoeveel zij van elke soort had, en het
was geen overbodige omzichtigheid nu en dan alles eens
natetellen.
Op een stoel staande greep zij van
de bovenste planken het fijn gebloemd glimmend damast, dat met Hollandsche
zorgvuldigheid van geslacht tot geslacht, zonder ooit te worden gebruikt,
bewaard werd. Een geheel stel tafelgoed, waarvan de randen met franje waren
afgezet en het F. R. 24 in opengewerkte letters met een kroon was versierd, lag
er in ledigheid te verslijten.
Met elk pak
linnen sprong Fanny van den stoel af, om het op de kleine tafel, die bij het
raam stond, te tellen, te bewonderen, en dan weer op zijn oude plaats aan het
langzaam vervallingsproces terugtegeven.
Een
rand van zweetdroppels parelde thans op het kleine voorhoofd, de magere handen
waren klam geworden, een onaangename warmte straalde van haar uit, die haar
bleef omhullen als een benauwde damp welken zij tegen wil en dank inademen
moest. Zij snakte naar versche lucht.
Eindelijk
had elk stapeltje de reis volbracht, doch nu schoot het haar op eens te binnen
dat zij niet juist meer wist of er zes dan wel zeven dekens in de kamferkist
waren geborgen. Die gedachte kon zij niet verdragen. Zoodra de kastdeuren waren
gesloten ijlde zij de vervelooze zoldertrap op. Reeds was zij boven aangekomen
toen een rijtuig voor de deur stilhield.
'De
dokter!'
Onmiddelijk snelde zij weer naar
beneden, de slaapkamer binnen, waar de kleine Alfred juist de baker met zijn
doordringende kreten wekte, greep met zenuwachtige haast het kind uit de wieg,
rukte snel de borst van haar kleed open en wist spoedig een uitdrukking van
kalmte op haar gelaat te voorschijn te brengen, die scherperzienden dan haar
grijzen geneesheer het spoor bijster zou hebben
gemaakt.
Het bezoek van den ouden man duurde
niet lang. Met zijn gewoon voorschrift maakte hij er zich
af:
'Rustig houden, mevrouwtje lief, je weet ik
hecht veel aan melk koud of warm, en voor den kleine een lepeltje fenkel-water ,
maar niet te veel want het mag geen gewoonte
worden.
Daarop nam hij zijn hoed weer op en
vroeg ter loops naar Cleo en Ro. Vreezende dat Bee hem op zou wachten, een vrees
even instinctmatig als het comediespel waarmede zij hem misleid had, vergezelde
Fanny den dokter naar beneden, onderweg de verzekering gevend dat de beide
oudsten volkomen gezond waren.
Zoodra de
voordeur achter hem toegevallen was ging zij de achterkamer binnen om haar
zuster te beknorren, die met zulk overheerlijk weer te huis bleef, terwijl de
dokter dringend, zoowel voor de kinderen als voor haar, beweging in de frissche
lucht had aanbevolen. Tante Bee maakte zich gereed met Cleo en Ro uittegaan, en
Fanny snelde weer de trappen op naar den
zolder.
Evenwel, voor de tweede maal moest zij
terugkeeren, want in haar haast had zij vergeten den sleutel medetenemen. Toen
zij eindelijk met den grooten, blanken sleutel voor de eikenhouten kist stond
was zij genoodzaakt een oogenblik uit te hijgen alvorens het zware deksel te
kunnen opbeuren, dat, met koperen banden belegd, hardnekkig den spot scheen te
drijven met de aardsche vergankelijkheid. Daarna rees het omhoog, bleef even
rechtop staan en ontviel aan haar hand tegen den witgepleisterden muur aan, die
het kalkstof in de kist afschudde.
Uit de enge
ruimte steeg een benauwende kamfergeur omhoog, die de lippen deed opdrogen, de
ademhaling belemmerde, de longen samenkneep. In die verstikkende atmosfeer moest
zij neerbuigen om het bont er uittehalen dat bovenop lag. Zij zelve droeg geen
bont; het was Cleo's winterkleedij. Een bruin langharig mofje met roode zij
gevoerd, een poesje om den kinderhals,.een kleine pélérine*
met bont afgezet legde zij achtereenvolgens naast zich op twee stoelen neer, die
zij van het andere zoldereind had aangetorscht. De donker paarsche bouffanten* van
Jan en Robert volgden, waarbij hunne grijze met wol gevoerde handschoenen lagen,
maar onder die lichte kleedingstukken vertoonde zich, in plaats van de verwachte
dekens, het effen kastanjebruin van de wol damasten wintergordijnen uit de
zitkamer, die, breed opgevouwen, de geheele ruimte als met een dubbelen bodem
aanvulden. Het waren groote lappen, zwaar voor haar tengere armen om optetillen
en bij elk nieuw stuk dat zij omhoog hief, moest zij dieper in de bedwelmende
kamferlucht bukken en voelde zij het bloed met grooter kracht naar haar wangen
stijgen.
De koorden en kwasten volgden op de
gordijnen en nog vertoonden zich geen dekens. Eerst kwamen haar eigen
winterkleederen, donkerblauwe en zwart laken mantels, daarna die van Bee,
eindelijk de ruige winterjassen van Jan, en toen pas ontwaarde zij diep in de
duistere ruimte het effen vermiljoen van de wol. Zeven zware dekens, waaruit
groote brokken kamfer rolden, haalde zij met immer klimmende inspanning naar
boven, en nu moest weer elk stuk netjes gevouwen op zijn oude plaats worden
neergelegd, tusschen de fijne vingers het kamfer gebroken en in alle plooien
rondgestrooid, terwijl elke beweging van haar armen haar opnieuw met een wolk
van kamfergeur omgaf.
Haar knieën knikten toen
met het kinderbont de laatste stukken weer in de kist waren verdwenen, en zij
vroeg zich af, of haar nog kracht genoeg overbleef het zware deksel
in
beweging te brengen. Maar het moest! Een sterke wil geeft dubbele kracht
aan de spieren en bovendien schaamde zij zich hulp te roepen. Zij draaide ook
den grooten sleutel weer in het slot om en trok hem er uit, maar nu voelde zij
de krachten haar begeven. Koude rillingen liepen haar over den rug, een ongewone
gloed steeg naar het hoofd en loste in een koud zweet op, dat het blanke
voorhoofd beparelde. O! zij had nog energie en kon zich beheerschen! De tanden
op elkaar geklemd bereikte zij langzaam de trapleuning waaraan zij zich
vastklemde. Zij moest de oogen sluiten, want de diepte trok aan, het begon haar
te schemeren. Voetje voor voetje daalde zij neer, met onbegrijpelijke wilskracht
aan de duizelingen weerstand biedend, die haar naar beneden dreigden te
werpen.
Reeds stond zij op de voorlaatste
trede, toen een nog ellendiger gevoel zich van haar meester maakte. Het steeg op
uit de maag, altijd hooger, altijd hooger; ijskoud doortintelde 't haar gelaat,
duizenden starren flikkerden haar voor de
oogen...
En hoog in den hemel zweefde zij rond
door een zee van verblindend licht gedragen. Millioenen zalige geesten omringden
haar met hun zangen, de engelen bliezen op hun bazuinen, maar eensklaps zweeg
die goddelijke harmonie, het licht verdoofde en de zee verzonk. Toen viel zij
neer in duizelingwekkende vaart. Vergeefs strekte zij de handen uit om zich aan
een steen vast te klemmen. Nacht was 't waarheen zij staarde, ijle lucht waarin
zij greep. En altijd viel zij door, dieper en dieper in een peilloozen afgrond.
Het was een droom, zij wist het, een verschrikkelijke droom waartegen zij
worstelde, maar haar verzet was vruchteloos, geen wilskracht kon haar meer
ontwaken doen. Zij poogde te gillen, doch haar mond was toegeklemd. Zij wilde
slaan, maar haar armen waren verlamd. Zij trachtte met de voeten te trappen...
en zij was ontwaakt.
Recht uitgestrekt lag zij
op het portaal neer. Jan hield haar handen, de baker de voeten vast; Bee, de
meiden en de kinderen stonden om haar
heen.
Eerst begreep zij niet wat er gebeurd
was. Zij herinnerde zich den hemel en den eindeloozen val, maar miste het
verband tusschen die visioenen en den toestand waarin zij zich zelve terugvond.
Verwilderd dwaalde haar blik rond, totdat het geheugen terugkwam, en zij begon
te begrijpen wat er met haar voorgevallen was. Zij wilde oprijzen, doch allen
smeekten haar bedaard te blijven liggen. Nu vroeg zij wat haar dan toch
overkomen was, en Jan vertelde hoe hij te huis komende een zwaren slag hoorde op
den gang. Naar boven gesneld had hij haar bij de trap bewusteloos op den grond
gevonden, met handen en voeten slaande en
schoppend.
'Je hadt het leelijk beet' zei de
baker, waarschijnlijk om haar
gerusttestellen.
Jan, die terstond aan de
toesnellende dienstboden last gegeven had den dokter te gaan halen, een last
waaraan de nieuwsgierigheid beiden weerhield te voldoen, stelde nogmaals voor
den ouden man te laten komen. De baker echter oordeelde dat geheel overbodig.
Zij wist er alles van, mijnheer moest niet denken dat zij voor den eersten keer
zoo'n gevalletje bijwoonde.
'Gaat dan maar aan
je werk,' riep Jan de meiden toe.
Schoorvoetend
namen zij afscheid van het belangwekkend tooneel, en op de trap, luid genoeg om
door Jan te worden gehoord, kwamen zij tot het besluit dat het niemendal te
verwonderen was, want mevrouw had zich van daag met recht als een razende
aangesteld.
Langzamerhand kwam er weer wat
kleur terug op Fanny's doodsbleek gelaat, en de baker dat ziende gaf verlof haar
overeind te plaatsen. Nog licht in het hoofd en wankelend op de beenen
strompelde zij, op de armen van Jan en Bee geleund, de slaapkamer binnen, waar
zij in een gemakkelijken stoel neergelaten
werd.
Een glas water met wijn deed haar veel
goed, en een dankbare blik beloonde Jan, die haar dezen wensch als in de oogen
had gelezen. Zoodra zij echter geheel was bijgekomen werd zij zoo aangedaan dat
de tranen haar in de oogen blonken. De vermaningen om zich kalm te houden
baatten niets meer.
'O! iedereen is zoo goed,
zoo lief voor mij,' riep zij uit, naar Jan en Bee de armen uitstrekkend. 'Ik
verdien al die zorgen niet! Door één druk van je trouwe handen is alle pijn
gestild, elke smart vergeten! Wat zou ik doen zonder een zuster en een man, die
mij liefhebben? Mijn hart dorst naar liefde als de woestijn naar tegen. O! ik
ben slecht, ik beloon je met ondank.
Ontken het niet. Ik schep mij geen
droombeelden meer, ik heb mij zelve leeren kennen. Terwijl jij voor vrouw en
kinderen werkt en zorgt, elk uur van dag en nacht ons toewijdt, je
liefhebberijen aan ons opoffert, je gezondheid voor ons verwaarloost, maak ik je
het leven lastig, ben ik de domper op het licht van je geest geworden, de kogel
aan je voet, de vloek voor al wat edel en groot in je is. Vergeef mij, ik wist
niet wat ik deed. Nooit hadden wij moeten trouwen. Alleen had je de wereld door
kunnen trekken, smart en genot leeren kennen en in vrijheid strijdend een groot
man worden. Ik heb je talenten verstikt, je vrijheid belemmerd, je kracht
gebroken. O! mijn God, welke vloek ligter op mijn
bestaan?'
Met steeds klimmende opwinding wierp
Fanny Jan hare bittere klachten tegen. Zij rees op en hare bleekheid maakte
plaats voor een donker rooden gloed, haar dof oog liet zijn sluier vallen en
begon van zenuwachtig leven te stralen.
Met een
gedwongen, angstige kalmte ging Jan op haar toe, nam haar bij de hand en voerde
haar al sprekende naar den stoel terug, waarin zij weder neerzonk. Hij beproefde
haar ditmaal met een schertsend woord tot bedaren te
brengen.
'Lief kind, indien jij alles op je
geweten hadt wat je daar opsomt, dan was ik al lang dood of weggeloopen. je hebt
een onbeduidende flauwte in den gang gekregen, en dat is je een voldoende reden
om te gelooven dat ik een veroordeelde misdadiger en jij de kogel aan zijn voet
geworden bent! Weet je wel dat ik met verlangen naar den Zondag uitzie waarop ik
met dien kogel, niet aan mijn been, maar aan mijn arm voor de eerste maal weer
een singeltje rond zal kunnen wandelen? je hadt heusch een beetje gelijk toen je
zei dat je ondankbaar waart. Zoo'n model echtgenoot als ik heb je aan het
schrikken willen maken. Foei, ik weet er niets anders op dan dat wij het
afdrinken. Reik mij je glas en dan is de zaak uit de
wereld.'
Op goedigen toon, als sprak hij een
ziek kind toe, had Jan deze woorden geuit. Het hoofd voorover buigend totdat
zijn wang de hare voelde gloeien dronk hij uit het glas dat haar hand omvat
hield, en de uitkomst gaf hem gelijk in die zonderlinge behandeling van een
vrouw, die meer dan achtentwintig jaren
telde.
Met een plotselinge opwelling van
teederheid sloeg zij haar armen om zijn hals, drukte hem een langen kus op den
mond, terwijl de tranen haar van het gelaat stroomden, en riep
uit:
'Weg, onzinnige gedachten, weg! Ik zou
ondankbaar zijn! O! dat nooit! Er bestaat maar één rein geluk op aarde, maar één
troost in alle ellenden van het leven en dat geluk is mijn, die troost verkwikt
mijn gemoed. Wij zullen ons afscheiden van de menschheid, niemand meer zien,
niemand meer spreken, leven voor elkander en voor onze kinderen! Een tijd van
geluk breekt voor ons aan grooter dan het heerlijkste wat mijn hart ooit durfde
wenschen! O! thans kan ik sterven, ik weet dat ik een man en kinderen gelukkig
heb gemaakt! Wat beteekent alle glorie der wereld vergeleken bij deze zaligheid?
De hemel gaat open, mijn ziel hoort heerlijke
melodieën!'
Zwelgend in den wellust van een
bestaan, dat zij geen vijf minuten geleden een vloek had genoemd, sloot Fanny de
oogen, die nog immer van tranen blonken. In den storm van haar gevoelsleven, die
haar plotseling op de hoogste spits van fantastisch geluk omhoog hief om haar
onmiddelijk daarna in den diepsten afgrond neer testorten van ingebeelde
ellende, zweefde zij een oogenblik tusschen hemel en aarde, gedragen door een
afmattende exstase, die als een dagelijksche dronkenschap haar zenuwgestel
ondermijnde. Op Jan's gelaat verdiepte de smart de ouwelijke trekken, want hij
zag het in hoe zij langzaam zich zelve sloopte, en voelde zich machteloos
tegenover dien zelfmoord der natuur.
* *
*
Denzelfden
avond waarin Jan bij zijne tehuiskomst Fanny bewusteloos op den bovengang had
gevonden, had zij zulk een vurige begeerte naar muziek te kennen gegeven, dat
haar het verlangen niet uit het hoofd te praten was geweest om Frans
uittenoodigen wederom te komen spelen. Na haar opwinding van den eersten keer
verklaarde Jan wel ronduit muziek als iets verderfelijks voor haar zenuwen te
beschouwen, maar zij hield aan, en al wat hij verkreeg was de belofte dat zij
bedaard blijven en aan geen muziek meer denken zou wanneer hij of de dokter
bemerkte dat het haar te sterk
aangreep.
Misschien is het ten slotte toch nog
een goede afleiding als zij er maar eerst aan gewend is, had Jan gedacht toen
hij den volgenden morgen in persoon Frans ging uitnoodigen aan den wensch van
zijn vrouw te voldoen.
Frans had zich terstond
bereid verklaard, hoewel dat verzoek hem verre van aangenaam was geweest, en
reeds menigen avond had hij in Fanny's gezelschap aan de piano doorgebracht. Den
voorlaatsten keer had hij haar ook zijn portret geschonken in twee exemplaren,
volgens het uitdrukkelijk, maar niet ernstig gemeend verzoek van zijn vriend.
Jan had er een terug willen geven, doch daartegen had Fanny zich verzet en nu
hing het in de achterkamer, het ander in de slaapkamer
boven.
Schijnbaar voldeed Fanny aan Jan's
voorwaarde. Met buitengewone zelfbeheersching had zij de aandoeningen weten te
verbergen, die, gelijk een wilde bergstroom, door haar ziel bruisten. Juist om
die aandoeningen was 't haar te doen. Daarnaar had het haar immer gehongerd, en
hoe onmachtiger de fantasie werd aan de kleine genietingen en verdrietelijkheden
van een kleurloos bestaan een immer sterker kleurend vergrootglas voortehouden,
des te meer keerde zij zich van de buitenwereld af, en schiep zich een
fantastisch leven van bitter lijden en ongekend geluk, de wellust van de smart
en de weemoed van het geluk, de stralenkrans van de martelares en het zwaard in
het hart waaronder de godheid rustte.
Op de
kleine prozaïsche ellenden van een onvermogend burger-huishouden in een
provincieplaats was dat ingebeeld gemoedsleven ras opgeschoten, een weelderige
plant gelijk op een zwaar bemesten bodem, en het was Fanny's grootst genot zich
blind te staren in de felle kleuren harer bloemen, en zich te bedwelmen met den
giftigen geur welke uit haar kelken opsteeg. Acht en twintig jaar oud zwelgde
zij nog altijd in de gevoelsdronkenschap, waaruit het kind als mensch ontwaakt,
en terwijl haar idealen vormeloos bleven volhardde zij in het geloof aan een
paradijs, waarin zij zoo gaarne een oogenblik zou hebben doorgebracht om er
levenslang het verlies van te kunnen betreuren. Haar geheel bestaan was een stil
ontzenuwend lied van ongeweende tranen en ongenoten
lust.
Daar was eensklaps van Doorning voor haar
verschenen. In een omgeving van kleinsteedsche bekrompenheid, die het leven door
den dagelijkschen strijd met het onvermoeibaar heirleger der zorgen tot een
routinewerk had gemaakt, en de fantasie als het speeltuig der minderjarigheid
beschouwde, vertoonde hij de hoog boven allen uitblinkende gestalte van den held
die zijn eigen weg dorst banen, een openbaring uit die ingebeelde wereld waarvan
zij het verblindend coloriet en de bedwelmende geuren meende te kennen. Gelijk
een vurige renner uit de prairieën stond hij naast het vermoeide sleperspaard
dat zij haar man noemde, en zij moest er nu zelve om lachen voor Jans hoofd een
dichterkroon te hebben gedroomd.
In haar
atmosfeer van duffe benardheid bracht hij de frissche geuren der onbegrensde
ruimte, in haar zorgenslavernij sprak zijn handdruk van bandelooze vrijheid, in
haar mijmerend plantenleven wekte zijn woord de echo op van een rijk en vol
bestaan. ja, die man zou haar begrijpen, die man had ongetwijfeld dezelfde
behoefte aan aandoening gekend welke niemand van haar begreep. In zijn borst
woonde een zusterziel waaraan zij haar leed kon klagen, en wanneer zijn vingers
over de toetsen gleden om haar de innigheid der Duitsche meesters te vertolken,
verstond zij het dat die zusterziel haar toeriep: 'klaag mij uw nood, ik zal u
troosten.'
Van dat alles vermoedde Frans niets.
Eenmaal had hij haar verzocht iets voor hem te zingen, maar het overdreven
gevoel, dat zij in haar zang trachtte te leggen, was in zulk een wonderlijke
tegenstelling gekomen met haar fijn, zwak geluid dat hij niet zonder moeite zijn
lachen had bedwongen en den moed miste zijn verzoek te herhalen. Ook in haar
gesprekken schepte hij weinig behagen daar hij te levenslustig was haar
overspannen tranendorst zelfs maar te kunnen verontschuldigen, en een te
practischen blik bezat om haar dweperijen te kunnen deelen. Ja, hij begon zich
zelfs onbehagelijk te voelen in haar bijzijn, en wendde het gelaat af wanneer de
matte blik uit haar grijze oogen starend op hem gevestigd bleef. Nadat zij
eenmaal een quatre-mains*
hadden gespeeld en zijn vingers een paar keeren met haar gloeiende handen in
aanraking waren gekomen, was die onbehagelijkheid dusdanig vermeerderd dat hij
zich vast voorgenomen had nimmer die proef te herhalen. Wel had zij er telkens
weder naar gevraagd, maar nu eens had hij voorgewend zich niet geoefend te
hebben, dan weer had hij toevallig de muziek vergeten, verschillende malen had
hij zich zelfs verhinderd gemeld om dien avond te
komen.
In den aanvang was Jan van de eerste
noot af geduldig toehoorder geweest, later bleef hij wel eens wat lang bij een
collega hangen, dien hij gewoon was na afloop van het middagmaal te bezoeken,
voor heden had hij Fanny er op voorbereid waarschijnlijk eerst laat terug te
zullen keeren. In de huiselijke beslommeringen was hij den tijd van het dwepen
te lang ontwassen, om de muziek, die hem voorheen zooveel genot schonk, thans
niet achtertestellen bij een gezellig onderhoud aan het hoekje van den
haard.
Nogtans was hij al overgelukkig dat
Fanny zich zoo goed hield, en, nu hij haar reeds weken lang tot een zeldzame
bedaardheid teruggekeerd zag, meende hij eindelijk het middel te hebben gevonden
dat haar en hem die kalmte schenken zou waarnaar hij tien jaren lang vruchteloos
gestreefd had.
Evenals hij voorheen immer
stiller was geworden uit reactie tegen Fanny's zenuwachtige opgewondenheid, zag
hij zich thans op weg zijn oude opgeruimdheid geheel terugtekrijgen. Hij dankte
Frans zóó hartelijk voor zijn aandeel in hetgeen hij Fanny's genezing noemde,
dat deze het niet over zich verkrijgen kon zijn lang gekoesterd voornemen ten
uitvoer te brengen en de muziekmakerij te laten doodbloeden.
—
Tante Bee was een kwartier geleden met de
kinderen naar boven vertrokken.
Reeds had Frans
geruimen tijd aan de piano doorgebracht. Door een opvoering van den Tannhäuser*
was hij op de Wagnersche muziek gekomen en menig fragment had hij, zoo goed en
zoo kwaad als het ging, vertolkt, zonder te bemerken dat Fanny, de oogen strak
op hem gericht, in diepe mijmering vervallen was. Toevallig naar haar omziende
ontmoette hij haar doffen blik, die hem hinderlijker werd dan ooit te voren. Hij
was overtuigd dat zij in het geheel niet geluisterd had en vroeg zich af met
welk nut hij dan zijn kunsten kwam vertoonen. Sliep zij misschien met open
oogen? Dan werd het tijd haar het onbehoorlijke daarvan eens te doen
gevoelen.
Zacht doorspelend vroeg hij of zij
den Lohengrin*
kende. Het geluid van zijn stem deed haar opschrikken. Zij zeide nooit iets van
Wagner te hebben gehoord.
Dan zal ik er u een
paar mijner geliefkoosde stukken uit voorspelen, maar wees zoo goed mij te
waarschuwen indien het u verveelt. Wagners muziek behaagt niet
iedereen.
Zij beloofde dit, en bij speelde het
bekende aanvangskoor uit het laatste bedrijf met de inleiding voor
orkest.
Intusschen was zij opgestaan en
luisterde nu met aandacht toe, vlak naast hem tegen de piano
aangeleund.
Terwijl zij hem bleef aanzien,
zonder te bemerken hoe die starre blik hem hinderde, streed zij tegen de
zonderlinge begeerte om aan dien man haar geheelen levensloop te verhalen.
Ongetwijfeld was deze van belangwekkende feiten ontbloot, maar zij had zooveel
overdacht, zooveel in haar binnenste doorleefd. Indien zij hem daar eens over
sprak; indien zij hem eens afschilderde hoe zij in de eenzaamheid harer eerste
huwelijksjaren van de hoogste vreugd en van de diepste ellende had geproefd? Zou
hij begrijpen wat zeker niemand anders begrijpen kon? Zou hij ook de muziek der
ziel verstaan met haar rijke harmonieën, haar pijnlijke dissonanten en haar
eeuwigdurend streven naar rust?
Maar hij hield
op, en de moed ontzonk haar zoodra zijn vingers de toetsen verlieten; zij had de
prikkeling der tonen noodig om te durven
spreken.
'Nog eens' riep zij uit 'nog eens dat
koor.'
Met het hoofd bijna ter zijde gewend
speelde hij het nog eens, snakkend naar het oogenblik dat Jan hem zou komen
verlossen uit dit onaangenaam tete-à-tete met zijn
vrouw.
Midden in het koor, waarvan zij de
herhaling verlangd had, sprak zij hem
toe:
'Gelooft u aan een God, aan een vader van
liefde?'
Frans wenschte zich duizend mijlen van
daar. Hij had een waren haat aan nutteloos gebabbel over godsdienstquaesties, en
met een overspannen vrouw als Fanny voelde hij zich in .'t geheel niet bij
machte dergelijke onderwerpen te behandelen. Evenwel, hij moest een antwoord
geven, en zeide daarom:
'Ik geloof, mevrouw,
dat ieder zijn eigen meening hieromtrent hebben moet, en dat men het best doet
niet aan de overtuigingen van anderen te
tornen.'
Zij sloeg niet veel acht op dit
antwoord. Blijkbaar had zij er niet eens een verwacht, of zelve reeds andere
woorden aan de zusterziel in den mond
gelegd.
Terwijl hij bleef doorspelen, als gold
het een begeleiding con sordini*
van een tragisch tooneel, ging zij voort:
'Ik
heb geloofd, ik heb mij neergebogen en ik heb gebeden, maar nooit werd mijn
gebed verhoord, en mijn geloof is gebroken door de stormen des levens, gelijk
een zeepbel door een ademtocht breekt, slechts de herinnering achterlatend aan
een ongekende pracht van kleuren. Ik zag de ellende om mij henen, ik voelde de
ellende in mijn boezem, en het beeld van een vader van liefde loste op in ijlen
rook.
Toch zou ik zoo gaarne de handen kunnen
samenvouwen, de knieën buigen, en bidden, danken, en smeeken om genade. Mijn
ziel heeft behoefte aan een vader om te vereeren, aan een machtig God om voor te
knielen, aan een opperwezen om vurig lieftehebben. Maar ik heb het geloof
verloren met de droomen mijner jeugd en nimmer, nimmer vind ik het terug. "De
mensch beproeve zich zelven en ete alzoo van het brood en drinke van den
drinkbeker: want die onwaardig eet en drinkt, die eet en drinkt zich zelven een
oordeel." Zoo staat er geschreven, en van het oogenblik af dat ik den twijfel en
de verbittering in mijn hart heb gevonden ben ik van de tafel des Heeren
weggebleven, want ik vreesde mij een oordeel te
eten.
Nu weet ik dat er geen God is; een God
zou mij tot zich geroepen hebben, als de herder het verdoolde
schaap.
O! zeg mij, kent uw hart ook dien
strijd of heeft het een krachtigen steun waartegen het staande blijft? Gelooft u
dat een mensch goed kan zijn zonder aan God te gelooven? Wanneer ik muziek hoor,
dan is 't mij of ik Gods stem verneem, de openbaring der hoogste liefde. Muziek
is troost, muziek is zaligheid. O! waarom kan ik niet sterven in muziek, als een
accoord verdwijnen in de eeuwige harmonie!'
De
vrouw is krankzinnig, dacht Frans, waar blijft in 's hemelsnaam Jan? Hij wist
niet wat te doen. Antwoordde hij iets, dan ging Fanny op haar eigen gedachten
door zonder eenige aandacht aan zijn woorden te schenken. Zeide bij niets, dan
staarde zij hem met haar doffen blik zwijgend aan, een toestand, die nog
pijnlijker was.
Hij deed een poging om op den
Lohengrin terugtekomen.
'In den Lohengrin,
mevrouw, is het godsdienstig gevoel bewonderenswaardig in de muziek uitgedrukt.
In het eerste bedrijf bijvoorbeeld, wanneer Elsa voor den koning tot
verantwoording geroepen wordt over het verdwijnen van haar broeder, zingt
zij:
'Einsam in trüben
Tagen
Hab ich zu
Gott gefleht,
Der Herzens tiefstes
klagen
Ergoss ich
in Gebet.
Da drang aus meinem
Stöhnen
Ein Laut
so klagevoll,
Der zu gewalt'gem
Tönen
Weit in die
Lüfte schwoll:
Ich hört' ihn fern hin
hallen,
Bis kaum
mein Ohr er traf;
Mein Aug' ist
zugefallen,
Ich
sank in süssen Schlaf.'
Nauwelijks was de laatste toon weggestorven
of Fanny riep uit:
'Nog eens, nog
eens!'
Haar stem, die in den regel zoo mat was
als kwam zij onder een floers uit, klonk nu zoo schel dat Frans onwillekeurig
opkeek.
Zij was bleek geworden, haar handen
waren krampachtig samengevouwen. Frans meende iets waanzinnigs in haar
schitterend oog optemerken; hij wist inderdaad niet wat te doen. Het was
moeielijk een reden voor een weigering te vinden, en toch durfde hij niet ten
tweede male eene melodie spelen, die haar dusdanig scheen aantegrijpen. Alsof
hij haar vraag niet gehoord had beproefde hij iets anders uit het tweede bedrijf
in plaats te geven, maar zij legde haar koortsachtig heete vingers op de zijnen,
en vroeg de eerste melodie terug.
Hij speelde
alleen de begeleiding, doch zij verlangde de woorden er bij. Niets hielp, hij
moest Elsa's lied herhalen.
Toen was het of
haar oogen immer grooter en immer helderder werden, haar wangen nog bleeker dan
zij doorgaans waren. Haar mond, die meestal zoo ver openstond dat hij de
droomerige uitdrukking der oogen nog versterkte, werd vast gesloten, maar Frans
had amper het laatste woord uitgesproken, of, gelijk een orakelpriesteres in
exstase, riep zij uit:
'Ja, zoo is 't, inslapen
en niet meer denken! Niet meer genieten, maar ook niet meer lijden. Als het
bidden gedaan is blijft de kreet van vertwijfeling der liefde nog over. Ook die
moet aan den wanhopende ontvlieden, ein Laut so klagevoll, en wanneer hij
langzaam uitgestorven en eindelijk geheel vergeten is, dan eerst naakt de zoete
rust, de eeuwige slaap zonder droomen. O! gelukkig zij, die reeds zoover zijn,
maar heb medelijden met den mond, die nog de lippen sluit als de laatste kreet
van liefde, die uit het gemoed opwelt, ontsnappen wil; heb medelijden met het
lijdend hart dat vertwijfelt en hoopt tegelijk, dat afstand gedaan heeft van al
zijn rechten, maar toch nog om een aalmoes bedelt aan de deur van het leven,
waarin het zoo wreed werd misdeeld!'
Frans
begreep er niets van. Was dit dronkenschap, was dit waanzin? Wat wilde die vrouw
van hem met al haar klaagliederen over een leed dat hij niet kende! Had zij
zooveeI meer reden tot jammeren dan ieder ander? Dat Jan nu juist zoo laat
uitbleef!
Zijn houding werd meer dan moeilijk.
Hij maakte tegenover zich zelven een allerbespottelijkste figuur, en zag niet in
op welke wijze hier een eind aan komen moest. Daar klonk een bel! Dat zou Jan
zijn, doch neen, Jan belde waarschijnlijk niet in zijn eigen woning
aan.
Ondertusschen ging Fanny op altijd
heftiger toon voort. Fragmenten van frasen, brokstukken van gedichten, citaten
uit dichters ontvielen zonder eenigen samenhang aan haar lippen. Haar oogen
vingen aan te rollen, haar vingers klemden zich zenuwachtig om al wat zij
aangrijpen kon, geen lid van haar lichaam was meer in rust. Eindelijk kwamen er
tranen te voorschijn, en begon zij met groote stappen in de kamer heen en weer
te loopen. Zij sprak over liefde, over godsdienst, over wanhoop. Meestal was er
niet het minste verband te vinden in de woorden, die zij bijna uitschreeuwde,
door snikken afgebroken en door een wilde gesticulatie
begeleid.
Geen van beiden hoorde dat er getikt
werd op de deur. Mijntje, die binnenkwam om een courant te brengen, deed haar
plotseling bedaren.
Verwonderd zag de meid een
oogenblik beiden aan; Frans schaamde zich als een man, die in een ongeoorloofde
samenkomst wordt betrapt, en bleef stijf op de piano-toetsen staren; Fanny zonk
uitgeput in den grooten leuningstoel neer en drukte haar zakdoek voor het
gelaat.
Nog altijd geen
Jan!
Zoodra Mijntje heen was gegaan nam Frans
een ander middel te baat om aan Fanny's wonderlijken gedachtenloop eene
afleiding te bezorgen. Hij sloeg Beethovens Turkschen marsch
aan.
Het was haar echter aantezien dat zij niet
meer luisterde. Een paar minuten bleef zij zitten, den blik onafgewend op Frans
gericht, in haar dunne vingers den kleinen zakdoek samenfrommelend. Toen stond
zij op, ging naar hem toe, en bleef op korten afstand achter den spelende staan.
Nu eens bracht zij beide handen naar het hoofd, dan weder strekte zij ze met een
diepen zucht voor zich uit, als weerde zij een denkbeeldigen last af, welke op
haar borst nederzonk.
Zonder om te zien speelde
Frans door.
Nogmaals trad zij een stap nader.
Dezelfde gebaren hielden aan.
Eindelijk stond
zij vlak achter hem, de zakdoek ontglipte aan haar hand, zij boog het hoofd
voorover...
"Mevrouw, mevrouw!' gilde een
vrouwenstem in den gang.
De deur vloog open, en
Mijntje stortte naar binnen. Op hetzelfde oogenblik hoorde Frans een zware bons
achter zich hij wendde zich om en zag Fanny doodsbleek op den grond
uitgestrekt.
'Mijn hemel, wat gebeurt er?' riep
hij verschrikt opspringend uit, en keek Mijntje aan, die als versteend bleef
staan.
'Help dan toch! Zie je niet dat mevrouw
door je geschreeuw flauw gevallen is? Staat het huis in brand? Haal
oogenblikkelijk azijn, maar zeg mij eerst wat er gaande
is.'
'Het kind
sterft!'
Frans vermoedde meer dan hij
begreep.
'Help mevrouw' voegde hij haastig de
ontstelde meid toe, en snelde de kamer uit.
In
weinige sprongen was hij boven.
Op het portaal,
dat flauw werd verlicht door het opstijgend schijnsel van het gang-lantarentje,
weifelde hij een oogenblik welke van de vier deuren te kiezen. Op goed geluk er
eene openend, stond hij in een diep, duister vertrek. Aan zijn rechterhand
onderscheidde hij een groot ledikant met zedig gesloten donkergroene gordijnen,
over de lange potkachel heen, die er achter te voorschijn kwam, gleed zijn blik
naar een kleine wieg waarachter tante Bee gezeten was. Het vol, donkergeel
schijnsel van de lamp met groene kap stroomde over het kind, dat roerloos op
haar schoot rustte.
Langzaam bewoog zij een
takje wijnruit*
heen en weder onder het fijne neusje.
Zij keek
niet op.
Voorzichtig ging Frans naar haar toe.
Het kleine kinderhoofd, dat op tante's hand steunde, staarde hem met wijd
uitpuilende oogen aan; hij zag dat de wangen blauw gemarmerd, de handjes
krampachtig toegeknepen waren.
'Waar woont de
dokter?'
Vijf minuten van hier, Hoogstraat, No.
17.'
Frans snelde de trap weer af, de voordeur
uit, naar de Hoogstraat toe. Hij vond den dokter te huis en terstond bereid
medetegaan.
Bedaard draaide de oude man het
gaspitje half neer, dat boven zijn schrijftafel brandde, liet zijn boek geopend
liggen, en vroeg, terwijl hij eenige doosjes bij zich
stak:
'De kleine
zeker?'
Frans bevestigde zijn
vermoeden.
Hij had het wel gedacht, het was een
zwak wurm.
Samen opwandelend bracht Frans het
gesprek op de moeder, die hij ook voor zwak
hield.
'Zwak niet, mijnheer van Doorning. Het
zijn de zenuwen, die wat sterk werken. Daar is weinig tegen te doen, wanneer het
een erfelijke kwaal is.'
'Zou u dan meenen dat
zij het lot van haar vader te gemoet
gaat?'
'Dat heb ik niet gezegd. Al wat kan
gebeuren, gebeurt daarom niet altijd.'
Zoodra
zij het huis waren binnengetreden ging de dokter met zijn bedaarden stap den
gang door en de trap op. Geen lid van het gezin dat dien stap niet
kende.
Een sombere stilte heerschte in de
slaapkamer, waarvan thans de deur wijd openstond. Men hoorde alleen het
geschuifel van de baker, die toonen wilde dat zij wel wist hoe laat het
was.
Nog altijd lag Alfredje roerloos op
tante's schoot. Voorovergebogen hield de goede vrouw haar blik strak op de
opengespalkte kinderoogen gevestigd, als bespiedde zij daar dien overgang van
leven en dood, waarvan zij niet eens het raadselachtige besefte. Dieper in de
kamer zaten Jan en Fanny: hij een zakdoek tegen den mond aandrukkend om zijn
aandoening te verkroppen, zij staroogend, de handen op haar schoot
saamgevouwen.
Bij het binnentreden van den
dokter vertraagde de baker een oogenblik in den ijver waarmede zij aan het
opredderen was gegaan van de fleschjes, potjes, doekjes en kleertjes, die in het
korte leven van Alfredje te pas waren gekomen. Met een veelbetekenend
hoofdschudden keek zij den man der wetenschap aan, maar de oude practicus had
hare wenken niet noodig. Zwijgend zag hij een poos op het kind
neer.
In de ademlooze stilte klonk het tiktak
van de gangklok tot boven door, als had het huis een hart waar de zieleangst in
klopte.
Sprakeloos volgde ieders blik de witte
hand, die langzaam over het kleine lichaam
henenstreek.
Het geritsel van een vrouwenkleed
deed Frans omkijken. Fanny was opgestaan, en doodsbleek met flikkerende oogen op
den dokter toegetreden.
Nu daalde de witte hand
op het kleine voorhoofd neer, gleed er over heen... en drukte zacht de oogleden
toe.
Een rauwe gil trilde door het huis. Fanny
was aan de voeten van haar zuster neergestort.
* *
*
Beneden
waren de gordijnen afgenomen en de blinden gesloten. Een rijtuig met zwarte
paarden bespannen wachtte voor de deur. De koetsier had zweep en teugels niet
uit de hand gelegd om met het hoofd achterover geleund in zijn gewone dommeling
te vervallen. Al gold het maar een kinderlijkje, dat in een gewone vigilante
werd vervoerd, bij begrafenissen hield hij zich altijd recht en sliep
nooit.
Een tweede rijtuig kwam op hem
aanrijden, maar hij week niet van de plaats, en zijn collega liet Frans een huis
vroeger uitstappen om daarna als volgkoets achteraan posttevatten.
—
'Wij zijn gereed,' zeide Jan tegen den
witgedasten bode, die Frans in de achterkamer
binnenliet.
Zwijgend drukte hij daarop zijn
vriend de hand en stelde hem een dik, baardeloos mannetje voor als notaris van
Dussen. Al had hij geen qualiteit genoemd, Frans zou vermoed hebben dat deze
man, dien hij nog nooit bij zijn vriend ontmoet had, een notaris was. In de
omstreken van den dood legt dit ambt vriendschapsdiensten
op.
Terwijl Jan onrustig heen en weder liep, en
de notaris met zijn gelegenheidsgezicht de eenige scheen te zijn, die zich op
zijn gemak gevoelde, vond Frans noch Fanny noch tante Bee op hare gewone
plaatsen gezeten. Zij waren te zeer menschen der gewoonte geworden om niet
geheel in de war te raken zoodra de dagelijksche sleur door een buitengewone
gebeurtenis verbroken werd. Fanny was in diepen rouw, doch gekleed om uittegaan.
Onder den opgeslagen zwarten sluier kwamen de rood geweende oogen pijnlijk tegen
het bleek gelaat uit. Met saamgeknepen lippen, waarvan zij het trillen niet
bedwingen kon, staarde zij voor zich uit. Door een knik van het hoofd
beantwoordde zij den groet van Frans zonder hem aantezien. Tante Bee, die
eveneens in het zwart was gekleed, reikte hem haar dikke hand, welke hij
drukte.
Niemand zeide een
woord.
Jan bleef heen en weder loopen zonder
zijn vrienden uittenoodigen het lijkje nog eens te gaan zien. Hij had er zijn
redenen voor. Het gezichtje trok wel bij, maar een mooie doode was 't toch niet.
Fanny had gevonden dat de kinderlijke trekken een akelige uitdrukking hadden
gekregen, en van Jan de plechtige belofte geëischt dat niemand er meer een blik
op werpen zou.
De notaris trok langzaam zijn
rechter handschoen aan. Hij wist bij ondervinding hoeveel tijd hem voor elken
vinger overschoot.
Eensklaps bleef Jan voor
Fanny staan en zeide:
'Je blijft er dus bij dat
je mee wilt gaan?'
Een bevestigende
hoofdbuiging was haar antwoord.
'Ik ben beducht
dat het u erg aangrijpen zal, mevrouw' merkte de notaris op deelnemenden toon
aan.
Zijn goed gemeende woorden sterkten Fanny
slechts in haar voornemen, want zij hield niet van van
Dussen.
'Ik heb beloofd dat ik kalm zou blijven
en ik sta voor mij zelve in' klonk haar antwoord tamelijk
bits.
Van Dussen maakte een nietsbeteekenend
gebaar en ging een stap terug.
Wederom
heerschte er een drukkende stilte. Jan sloot de deur, die opensprong. Het was
juist dat oogenblik van geheimzinnig gedruisch in den gang, waarnaar niemand
hooren wil en iedereen luistert. Een paar seconden later deed Jan de deur weer
op een kier open. Een zenuwachtige trilling gleed over Fanny's trekken heen'
maar toen haar man omkeek wist zij zich te beheerschen. Kalm vroeg zij: 'Is het
klaar?'
'Wij kunnen gaan' luidde het antwoord.
'Frans, jij zult de goedheid hebben met den notaris in het volgrijtuig
plaatstenemen. 'Wij beiden blijven bij onzen
lieveling.'
Snel wendde Jan zich af.
Verwenschte frasenmakerij uit zijn jongen tijd; hij moest Fanny het voorbeeld
geven en kon zich zelf niet goed houden! Terwijl de heeren met een tweeden
zwijgenden handdruk van tante Bee afscheid namen, ging hij langzaam den gang
door al brommende: 'kerel wees niet laf!' Toch kon hij een dikken traan niet
terughouden, die op den omslag van zijn ouderwetschen rok viel, en de zwart
gehandschoende vingers zochten naar een zakdoek, want het werd hem te machtig.
'Wees niet laf' bromde hij nogmaals, en kreeg nog bij tijds zijn bedaardheid
weer om kalm naast Fanny in het rijtuig te gaan
zitten.
De kleine vent lag onder het zwarte
laken aan den overkant.
De oppasser sloeg het
portier van de volgkoets dicht, stelde zich aan den rechterkant van het eerste
rijtuig, dat de bode reeds links begeleidde, en stapvoets reden zij de stad
in.
Natuurlijk maakten zij een omtoer. De
kortste weg ware over de singels geweest, maar dan zou het er veel van gehad
hebben of men het lijk zoo maar weg wilde stoppen, was het oordeel van den
stalhouder geweest en de knechts hadden hem gelijk gegeven. Het speet Jan, want
hij had er iets eigenaardigs in gevonden over de stille, groene singels te
rijden en het straatrumoer te
ontwijken.
Schijnbaar trokken zij weinig
aandacht, ofschoon het gerucht dat Fanny zelve meeging zich reeds als een
loopend vuur door het stadje had verspreid. De bespieders van begrafenissen
verschuilen zich meestal achter blinden of gordijnen, en bovendien werd de
algemeene nieuwsgierigheid teleurgesteld, daar Jan de gordijntjes van het
rijtuig gesloten hield.
Tusschen de beide
ouders werd geen woord gewisseld. Zij vreesden hunne aandoening te zullen
verraden. Ieder in een hoek gedoken, de oogen strak op het zwarte floers
gericht, verzonken zij in gepeinzen en vergaten zelfs elkanders
tegenwoordigheid.
In het volgrijtuig werd de
aanvankelijke stilte spoedig door den notaris verbroken. Hij merkte op dat het
gelukkig niet regende; een begrafenis met parapluie's miste alle
poëzie.
Daar Frans niet dadelijk antwoord gaf,
ging hij voort:
'Ja, ja, oud of jong, elk
oogenblik kan het laatste zijn.'
Hij zeide dit
op een toon alsof hij zijn buurman aanried zoo spoedig mogelijk zijn testament
te laten maken.
'Ik geloof dat zij 't zich
beiden erg aantrekken' merkte deze op om iets te zeggen; de notaris greep het
aangeboden thema ter uitwerking aan.
'Hij
vooral, mijnheer. Ik ken hen nu al een groote acht jaar, en durf mij dus gerust
onder de oudste vrienden rangschikken, welke zij hier ter stede hebben
gemaakt.
Daarbij komt dat ons ambt iemand, die
niet geheel en al ontbloot is van een zekere opmerkingsgave, weldra een zeer
scherpen blik bezorgt door de ondervinding, die wij nolens volens*
opdoen. Ik verzeker u: al blijft hij uiterlijk kalm, van binnen gaat het des te
dieper. Bij haar zijn 't meer de
zenuwen.'
Frans weerhield de vraag of Jan dan
met zijn spieren gevoelde, en bepaalde zich bij de opmerking dat beiden tamelijk
zenuwachtig waren.
'Wat dat aangaat, ja' hernam
van Dussen, 'maar hij weet zich te beheerschen, zooals een mensch — ik bedoel
een man, die een gevestigde positie heeft — dit behoort te doen. Zij
daarentegen, geeft zich toe. Nu vind ik dat dit toegeven langzamerhand
verergert. Letterlijk met den dag is het verschil merkbaar. je zoudt zeggen dat
zij er vermaak in schept voor ongelukkig te kunnen doorgaan. Altijd klaagt zij.
Kort voor haar bevalling zijn mijn vrouw en ik er nog eens op een avondje
geweest, en toen heeft zij ons wel twintigmaal, met denzelfden omhaal van
woorden, het verhaal gedaan van een onbeduidend schoorsteenbrandje. Zoodra wij
te huis kwamen zei ik tegen mijn vrouw: dat is niet normaal. Neen, ik beklaag
dien man uit den grond van mijn hart. Zij geeft zich verschrikkelijk toe. — Ziet
u dat groote huis met de gele zonneblinden? Daar woont een van onze rijkste
ingezetenen. Ik heb hem nog gisteren bij mij gehad voor een hypotheek, die
vermeerderd moest worden.'
Van Dussen ging
daarop voort met Frans alle huizen aantewijzen waar cliënten van hem woonden. De
korte zakelijke commentaren op hunne fortuinen, leefwijzen en aantallen
kinderen, welke hij daarbij gaf, eindigden met het verhaal van de lotgevallen
eener beetwortelsuikerfabriek, die door zijn practische raadgevingen en den
geldelijken bijstand van een vermogend ingezeten er geheel boven op was gekomen,
en tegenwoordig goed gaf, nadat de aandeelhouders jaren lang geen cent hadden
gezien. Niemand had zooiets durven denken; zijn beste vrienden hadden hem
eenvoudig gevraagd of hij gek was. In de opsomming van de noodzakelijke
voorwaarden, waaronder hij zoowel dien bijstand van zijn cliënt als de eigen
raadgevingen had verstrekt, stoorde hem de bode, die het portier
opendeed.
Zij waren
aangekomen.
De oppasser had reeds het zwarte
pakje op beide armen genomen, en zoodra de twee heeren, met de hoeden in de hand
op voorbeeld van Jan, zich achter Fanny en haar man hadden aangesloten, stelde
een doodgraver zich aan de spits en ging de kleine stoet de groote lommerrijke
laan van het kerkhof binnen.
Het was er zoo
rustig onder de hooge ypen, wier machtige stammen als Gothische zuilen het
zilveren uitspansel schenen te dragen. Fanny voelde zich dankbaar gestemd dat de
hemel haar een zijner weemoedigste juni-dagen gezonden had. In een zonnestraal
zou zij een wreede spotternij, in een stormwind een ongepast vertoon hebben
gezien; de grijze morgen deed haar weldadig aan. Slechts met een enkel oogenblik
van zwakte had zij te kampen, toen zij de eerste schrede voort zou gaan. Een
paar seconden schemerde 't haar voor de oogen; om zich staande te houden strekte
zij de hand uit en greep Jan bij den schouder, maar zoodra hij haar steunen
wilde en zijn arm bood, vond zij haar zelfbeheersching terug, wees hem zwijgend
af, en ging alleen verder.
Juist op het
oogenblik dat de doodgraver een nauwer zijpad links insloeg, hetwelk aan eenen
kant met een dubbele rij fuchsia's bezet was, wier sierlijk neerhangende klokken
tot Fanny's lievelings bloemen behoorden, zag zij in de verte, aan het einde van
de weg, dien zij verlieten, eene dichte menschenmenigte bijeen. De diepe tonen
van een mannenkoor drongen tot haar door. Nog weldadiger dan de stille rust van
den ochtendstond troffen haar die plechtige accoorden. Dat was juist de poëzie
waaraan haar ziel behoefte had.
Begraven te
worden met muziek had altijd tot haar vurigste wenschen behoord. O! waarom was
zij 't niet, die heen werd gedragen? Waarom ruischten die ypen niet boven
haar lijkstoet, waarom knikten de pas ontloken bloesems haar geen
laatst vaarwel toe, en zweefden die plechtige klanken niet over haar kist
henen, een afscheidsgroet van het leven dat zij zóó lief had
gehad?
Zij zag 't hoe men haar naar de laatste
woning leidde. Jan alleen volgde, met Ro en Alfredje aan zijn
hand.
Zij zag 't hoe zij in den duisteren
kelder werd neergelaten, in de armen van den eeuwigen slaap zonder
droomen.
Zij zag 't hoe een nieuw geslacht over
haar grafzerk wandelde, haar naam las en — — — verder
ging.
O! waarom was zij 't niet, die
heen werd gedragen? En terwijl het boven haar in het doorzichtig loover tjilpte,
en floot, de sterke geuren van jasmijn en reseda haar langs het gelaat
streelden, en in de verte het statig rhythmus van het gezang haar schreden
begeleidde, schiep zij in de nooit rustende fantasie een leven voor haar
kind.
Het was geen effen pad met bloemen
bestrooid, waarop zij den kleine voortschrijden liet. Dit had zij nooit voor
zich zelve begeerd, zij kon 't ook voor hem niet doen. Hij moest strijden, hij
moest lijden, maar strijden voor een doel, lijden voor een liefde. Ja, dat was
ook haar droom geweest, een leven rijk aan machtige aandoeningen, en wat was
haar deel geworden? Verdiende haar kleurloos bestaan, dat zich oploste in een
strijd tegen alledaagsche nietigheden, den naam van leven? Had niet de krasse
tegenstelling der werkelijkheid met den droom, waaruit zij nooit geheel was
ontwaakt, misschien nimmer ontwaken zou, haar zoo onzeglijk rampzalig
gemaakt?
Neen, het was beter zoo. Het kind was
gelukkiger dan haar beste wenschen het konden
maken.
En zij zag het in zijn kistje slapen
onder de rozen, die zij zelve bij den tuinman uitgezocht en afgesneden
had.
De muziek wekte vrede in haar gemoed, zij
dacht er zonder hartzeer aan hoe het kind was heengegaan in het heerlijk
morgenuur van het leven, dat aan den halfsluimerende een liefde schenkt grooter
dan de wakende er in zijn ijverigst zoeken ooit zal
vinden.
Het pad was ten einde; hun weg liep
thans over de grauwe zerken heen. De kindergraven lagen ver aan den anderen kant
van het kerkhof. De bloemen hielden op, de muziek werd flauwer en flauwer, het
struikgewas dunner onder het hooge hout. Aan de laatste zerken sloot het kleine
grasperk met de hooge populieren aan, waarin de vierkante steentjes ordeloos
door elkander lagen. Op enkelen was een voornaam gebeiteld, op anderen niets; er
waren er echter ook, die aan den voet van een kruis rustten, waarin een
verbleekte photographie of een vierregelig vers op vergrauwd papier onder een
glazen plaat bevat was. Aan de grens van dit grasveld bevond zich een hoopje
goudgele aarde, en daarnaast de kleine
kuil.
Het kistje werd ontbloot en door den
doodgraver in de groeve geplaatst. Behoedzaam schoof hij het recht, als gold het
een juweelendoosje op een vrouwen-toilet .
Jan
wilde de eerste schep aarde werpen.
O! waarom
zwijgt gij thans, muziek? Waarom verstomt gij vogelenkoren? Heen is de vrede uit
Fanny's gemoed! De fantasie verbreekt haar banden, de wroeging sluipt rond door
haar borst!
Dood, doodt en door haar schuld!
Een moeder, die haar eigen kind heeft
vermoord!
Natuur, wend uw jeugdig, frisch
gelaat van de ellendige af, die zulk een daad volvoeren kon! Hemel, verduister
uw glans, aarde, open uw afgrond! O God, uw hand ligt zwaar op het zwakke
menschenhart! Het heeft u verlaten, u gesmaad, en gij hebt het ten val gebracht,
getroffen in zijn dierst kleinood! Niet de daad alleen is het kwaad; in den wil,
in de gedachte reeds schuilt de zonde.
Zij had
gezondigd. Zij wist het thans, want zij had uw majesteit aanschouwd, en den
bliksemstraal van uw toorn gevoeld; zij had het hoofd voor uw macht gebogen, zij
geloofde, zij aanbad. — Heer! kunt gij haar vergeven, kunt gij haar vrede
schenken in het gemoed? Uw wraak eischte een offer, en hij is gegaan, het
schuldeloos kind, gestorven voor zijn moeder. Reeds staat hij voor uw troon om
gerecht te worden, maar gij vindt geen zonde in hem. Zijn ziel is blank als
versch gevallen sneeuw, zijn mond smeekt om genade voor zijn moeder. God, God!
ontferm u harer, keer het kwaad van haar af indien zij te zwak is er weerstand
aan te bieden. Vernietig de wroeging, die als een vergif haar door het ingewand
woelt. Rust... geef haar rust!
Zij knielt voor
u neder, doordrongen van uw heerlijkheid, geen aardsche wenschen meer in het
hart, slechts naar den dood verlangend om optegaan tot u, in eeuwige aanbidding
eeuwig boete te doen, een zonnestofje gelijk te verdwijnen in uw
glans!
Wee! gij wendt uw aangezicht af! Gij
stoot haar van u omdat gij de zonde nog in haar boezem ontwaart, terwijl haar
lippen om genade smeeken. Hier op aarde moet zij boeten om eenmaal rein te
worden als het kind dat in uw heerlijkheid zich baden mag. God, waarom verliet
gij haar? Zij ziet uw hand, die haar afwijst naar het leven, naar de aarde
terug. Zij hoort uw stem, die het vonnis
spreekt:
'Geen rust voor haart Zij leve, zij
lijde, zij zoeke God die haar zijn licht
onttrekt!'
Het kistje was onder het gele zand
verdwenen, de doodgraver nam zijn pet af, en Jan wilde zijn staroogende vrouw
bij de hand vatten om heentegaan... maar toen hij haar aanraakte stortte Fanny,
zonder een kreet te uiten, bewusteloos naast het kleine graf neer.
* *
*
De
dag was heet geweest. In het openslaand venster dreef de afgekoelde avondlucht
de kamerwarmte terug, die zich aan haar frischheid wilde
zuiveren.
Tante Bee had haar werktafeltje dicht
bij het ledikant geschoven. Onder de groene lampenkap zonk een rossig schijnsel
op het blauw geruiten kinderjurkje neer, dat zij van nieuwe knoopen voorzag. Ook
het kastanjebruin tafelblad, waarop het wit porseleinen bord met geneesmiddelen
stond, kwam helder verlicht tegen den somberen achtergrond uit van het diepe
vertrek, en een paar der buitenste stralen verdwaalden naar het blanke linnen
waaronder Fanny rustte. Haar hoofd lag van het venster afgekeerd, in de schaduw,
onbewegelijk op het kussen neer, door het blonde, kortgeknipte haar als door een
verbleekt heiligen-aureool omkranst.
Nadat zij
op het kerkhof in onmacht was gevallen, had men haar bij den doodgraver
ingedragen, waar zij geruimen tijd buiten kennis gebleven was. Te huis
wedergekeerd had zij zich weten te beheerschen om een vroolijk gelaat aan Cleo
en Ro te kunnen toonen, die het nog niet behoefden te weten dat het leven zoo
rijk aan ellende was.
Zonder morren had zij in
Jan's wil berust, die haar verbood terstond naar de slaapkamer te gaan waar
Alfredje gestorven was. Alleen op die voorwaarde had hij beloofd haar bezwijming
voor den dokter te zullen verzwijgen.
Nadat 's
avonds de twee kinderen door tante Bee te bed waren gebracht, was hij met haar
medegegaan al pratende over de bewaarschool die Ro bezoeken zou, ten einde hare
aandacht afteleiden. Zijn voorzorgsmaatregelen hadden echter niets gebaat.
Nauwelijks had Fanny een voet in de slaapkamer gezet, waaruit alles verwijderd
was wat haar aan het verloren kind kon herinneren, of zij was in zulk een heftig
gegil losgebarsten, dat Jan in zijn radeloosheid Mijntje oogenblikkelijk naar
den dokter had gestuurd.
De man van de
wetenschap had eene buitengewone irritabiliteit* geconstateerd en een
bedarende artsenij*
voorgeschreven.
De bedarende artsenij had even
weinig uitwerking gehad als de goede woorden. Op allen was hetzelfde antwoord
gevolgd: 'laat mij, ik moet uithuilen.'
Eerst
toen zij inderdaad uitgehuild en moe gegild was, had zij eenige uren van slaap
genoten, waaruit zij den volgenden morgen door een loodzwaren druk op den
rechterkant van het lichaam ontwaakte. Aan eene zijde verlamd moest zij blijven
liggen.
Verscheidene dagen had zij reeds te bed
doorgebracht, 's morgens afgemat ontwakend, tegen den avond zich krachtiger
gevoelend, totdat in het begin van den nacht regelmatig de gilaanval
terugkeerde, die alle huisgenooten met ontzetting vervulde. Eerst waren het
korte snikken, die met moeite haar borst ontwelden, als deed zij haar best ze
terugtehouden, maar schoot haar kracht te kort. Tranen biggelden langs haar
gelaat. De snikken werden heviger totdat zij een band om den hals begon te
voelen, die vaster en vaster aangetrokken werd, en eindelijk als een ijzeren
greep haar de keel toekneep. Dan ontsnapte de eerste benauwde gil aan haar mond,
een donkerroode gloed vloog over haar gelaat. Zij poogde overeind te rijzen,
doch viel weer achterover neder, wentelde zich rond in het bed, wrong de kussens
krampachtig met haar gezonden arm samen, scheurde de lakens los en slingerde ze
van zich, rees als een gespannen boog op het achterhoofd omhoog en draaide met
de oogen, gilde en sloeg om zich heen, dat Jan aan een zenuwtoeval geloofde.
Jammerend stond hij bij haar bed, hield haar vast zoolang de aanval duurde,
woelde met de hand door het dunnend hoofdhaar zoodra zij, tot kalmte
teruggekeerd, bleek als een doode voor hem lag uitgestrekt, en herhaalde in zijn
radeloosheid altijd dezelfde woorden:
'Arm
kind, had ik het kunnen voorzien dat ik je zulk een huwelijksgeluk
bereidde!'
'Die buien moeten slijten' had de
dokter gezegd, 'als er niet spoedig verandering komt zullen wij lauwe baden
aanwenden. Voor het oogenblik willen wij 't nog eens
aankijken.'
Fanny verlangde niet dat hij iets
anders deed. Zij scheen niets meer te verlangen. Onbewegelijk lag haar hoofd den
ganschen dag op het kussen neer, de oogen gesloten of star naar boven gericht.
Met haar huishouden bemoeide zij zich in 't geheel niet meer, naar de kinderen
vroeg zij geen enkelen keer, Jan wilde zij niet zien, Bee was de eenige, die zij
nu en dan bij zich duldde, maar het liefst was zij
alleen.
De wereld, waarin zij, aan een
slaapwandelaarster gelijk, had rondgedoold, was nu volkomen voor haar dood; de
doffe oogen blikten naar binnen, de fantasie zegevierde over de
werkelijkheid.
Dat zijn vrouw hem niet meer
zien wilde, met afschuw de hand voor de oogen drukte wanneer hij 't waagde tot
haar te gaan, dat was voor Jans kwijnende blijmoedigheid de genadeslag geweest.
Had hij dit aan haar verdiend? De kracht ontzonk hem langer het hoofd boven
water te houden, hij bekende zich overwonnen, en wachtte moedeloos de slagen af
van het lot. Ware tante Bee er niet geweest, het geheele huishouden zou een
prooi zijn geworden van verwildering en verval. Op haar rustte alles. In stille
bedrijvigheid scheen de goede vrouw zich verdubbeld te hebben; niets hokte er in
het kleine raderwerk, niemand ontbeerde de zorgende hand eener huisvrouw. Zij
was de band tusschen zieke- en huishoudkamer, zuster van liefdadigheid,
speelkameraad der kinderen en hulpvaardige vriendin in één persoon.
Het
onaanzienlijk bloempje der liefde, dat op deze geminachte plant was
ontloken, in de schaduw van den zonnestraal waarnaar het eenmaal had gehunkerd,
verfrischte thans met zijn weldadig aroma den besmetten dampkring, waarin het
uit medelijden was overgebracht.
Frans, die
elken avond hooren kwam hoe 't met de zieke ging, vatte eene genegenheid voor
tante Bee op, die tot eerbiedige bewondering steeg. Met moeite hield hij op zijn
lippen het verwijt terug, dat hij in zijn hart elken dag tot Jan richtte: 'Kerel
wat ben je dom geweest toen je een keuze deed tusschen die twee
zusters.'
Wanneer hij Jan zoo diep
teneergeslagen zag, zoo oud en vervallen in den besten tijd van het leven,
maakte een ware verbittering tegen Fanny zich van hem meester. Zijn overigens
goed hart kende voor die vrouw geen mededoogen. Den geheelen last der schuld
stapelde hij op haar hoofd. Meende zij al wat zij zeide, dan had zij nooit
moeten trouwen; meende zij 't niet, dan was zij ziek of mal en in beide gevallen
verplicht geweest althans haar best te doen zich te beheerschen. Alsof Jan die
gedachten in zijn oogen las bepleitte hij steeds Fanny's zaak; de dood van
Alfredje had haar zenuwgestel zoo aangegrepen, het zou wel
slijten.
Hij wilde niet dieper
zien.
Cleo en Ro waren dikke vrienden geworden
met Frans, een vriendschap, die hij minder nog aan het lekkers dat hij meebracht
te danken had, dan wel aan de bereidwilligheid waarmede hij de bouwdoos hielp
opzetten en aan het ganzenspel deelnam. De kinderen hadden nooit te voren zulke
genoegelijke avonden gekend als de tegenwoordige. Dat moe ziek was vonden zij
heel naar, zoo dikwijls het hun werd gevraagd, maar dat pa, tante en mijnheer
van Doorning elken avond met hen speelden woog ruimschoots tegen deze
treurigheid op.
Omstreeks zeven uur schelde
Frans aan. Tante Bee verliet dan aanstonds de ziekekamer, en zorgde er voor dat
hij een kopje thee vond zoodra hij tusschen Cleo en Ro was gezeten, die niet
meer duldden dat hij alleen met paatje sprak. Sedert het middagmaal op den avond
van zijn aankomst voelde Frans zich in Jans woning thans voor het eerst weer
behagelijk. Hij had er zich zooveel van voorgesteld de vriend van den huize te
worden, in de gezelligheid van een huishouden te mogen deelen, en misschien deze
te helpen verhoogen, maar waar was die kalme stemming, die atmosfeer van
kindervreugd, waarnaar hij op zijn eenzame rondzwervingen zoo dikwijls
verlangend had uitgezien? Geen wonder dat hij de gedachte niet onderdrukken kon:
niemand zou er bij verliezen indien Fanny nimmer hier terugkeerde. Van daar dat
hij weinig antwoordde wanneer Jan hem omstandig meedeelde wat de dokter had
gezegd, een mededeeling die trouwens elken dag op hetzelfde
neerkwam.
Ditmaal had Jan hem een verzoek te
doen. De dokter schreef afleiding voor. In een slapeloozen nacht had Jan op
middelen gepeinsd om aan dit voorschrift te voldoen. Met een vrouw als de zijne
was het niet gemakkelijk. Al wat voor de hand lag had zij afgewezen. Geen plaat
wilde zij zien, geen voorlezing aanhooren, geen kind bij zich hebben. Laat mij
met rust was haar eenige wensch geweest, en ten einde raad hadden Jan en Bee aan
dezen wensch wel moeten voldoen.
Nu was hij op
de gedachte gekomen haar muziek te laten hooren. De muziek oefende zulk een
grooten invloed op haar uit; wie weet of Frans den gevreesden gilaanval niet zou
kunnen breken, door haar tegen den nacht het een en ander voor te spelen.
Natuurlijk had hij den dokter om raad gevraagd, en deze had er evenmin iets
tegen gehad als hij er eenig heil van
verwachtte.
Frans was bereid aan dit verzoek te
voldoen. Zoolang tante Bee boven vertoefde zou hij haar spel met de kinderen
opnemen; was zij teruggekeerd om het avondeten voor de kleinen gereedtemaken en
hen naar bed te brengen, dan wilde hij gaarne een uurtje aan den piano gaan
zitten, en de melodieën spelen, welke hij wist dat Fanny het meest
bekoorden.
Indien zijn vriend hem het leven had
gered, zou Jan hem niet dankbaarder de hand hebben kunnen drukken. Hoop doet
leven, en Jan gevoelde zich verluchtigd, alsof de hemel van zijn huwelijksleven
eensklaps van alle dreigende wolken werd gezuiverd. Hij zette een dubbeltje in
den pot en wie geluk genoeg had om over de herberg, den put, het doolhof, de
gevangenis en den dood behouden nummer 63 te bereiken zou morgen met pa een
taartje gaan eten. —
Het was negen uur toen
tante Bee boven opstond. Zij meende dat Fanny sliep, zoo onbewegelijk stil lag
zij neder, de oogen gesloten, de armen slap langs het lichaam gestrekt. Ware de
borst niet op en neer gegaan, men zou gezegd hebben een
doode.
Maar Fanny sliep niet. Zoodra Bee de
deur achter zich gesloten had sloeg zij de oogleden op en wendde het hoofd om.
Op het groote portret van Frans dat zij zelve tegen een inspringenden hoek van
de kamer had opgehangen, bleef haar blik gevestigd. Zij voelde het uur van den
strijd naderen, zij ontwaakte uit de doffe wezenloosheid van den dag. Als elk
geraas in huis en buiten was weggestorven, in den stillen nacht het tiktak van
de gangklok alleen nog verried dat het jagend leven ook in zijn slaap geen
stilstand kent, als de zoele zomerlucht, met bedwelmende geuren bezwangerd, het
geopend venster binnendrong, en het bevend schijnsel
van de lamp het
avondrood, dat tegen de zoldering gloeide, had doen verbleeken, dan leefde zij
op in de wereld harer visioenen, dan werden de omtrekken duidelijker van de
beelden die zij er aanschouwde, en de gevoelens scherper welke dezen in haar
binnenste verwekten.
Zij bood geen weerstand
meer, maar zag den strijd slechts aan. Zij wist het nu dat zij de prooi was
waarom haar goede en haar kwade engel kampten. Zij had haar God verlaten, en
toen was hij gekomen, de genius van het kwaad, vol majesteit, verlokkend schoon,
den engel gelijk die uit den hemel werd verbannen. Hij had haar aangezien, en
zij was bezweken voor de macht van zijn blik. Zij had haar hart tot berstens vol
van onbegrepen liefde aan zijn voeten gelegd, zij had haar mond hem toegekeerd
snakkend naar een kus van zijn lippen. Haar ziel had hem tegengeroepen; voer mij
henen! Een oogenblik aan uw borst is meer waard dan een geheel leven met man en
kinderen.
O God! zij had gezondigd en gij hebt
uw gelaat van haar afgewend! Vergeefs rees het kind, dat zij onder het hart
droeg, als een engel tot u omhoog om te bidden voor zijn moeder. Gij naamt zijn
offer niet aan. Zij ziet het hoe hij de kleine handjes vouwt en genade smeekt;
gij stoot hem af, uw hand steunt de zwakke niet in den bangen
strijd.
O! zij kan uw toorn niet langer dragen,
zij siddert voor den kamp, die straks weer zal ontbranden. Reeds maakt de
benauwende angst zich van haar meester, vruchteloos worstelt zij tegen den
wilden stroom van gevoelens, die haar borst als met gloeiende tangen samennijpen
en tegen de dreigende visioenen, die op haar toedringen. Straks zal een hand
haar om de keel vatten, van rechts naar links, van beneden naar boven sleuren,
neersmakken in een peillooze diepte, omhoog trekken met scherpe haken, in een
zee van vuur werpen en begraven onder het ijs... genade,
genade!
Nog altijd staarde zij het portret aan,
doch haar gelaat veranderde, de rust van den slaap maakte plaats voor de
vreeselijke spanning van den angst. Zij zag hoe het beeld grooter en grooter
werd totdat hij levend voor haar stond. Nu trad hij nader en boog zich over haar
henen. Zijn warme adem zonk als stroomend vuur op haar aangezicht neder. Hij
vatte haar aan en zij worstelde vruchteloos tegen zijn omhelzing, hij drukte
zijn lippen op de haren... God! zij
bezweek!
Doch eensklaps was hij verdwenen; haar
goede engel had voor een oogenblik gezegevierd. Kon zij maar een middel vinden
hem het terugkomen te beletten!
Indien dat
portret haar niet meer aanstaarde... ja, dat portret was de oorzaak van alles.
Zij voelde zich eensklaps krachtig genoeg om weer te kunnen
staan.
Snel wierp zij het dunne laken van zich
af, liet zich uit het bed glijden, deed twee stappen in het vertrek en keerde
het portret om. Het was geschied, die verschrikkelijke oogen zagen haar niet
meer aan. O! dat gaf rust; een ongekende kalmte daalde in haar gemoed neer. Zij
wendde zich om, en zag voor het eerst door het open venster den donkerblauwen
hemel waarin de duizenden starren
flonkerden.
God! zij geloofde, zij
aanbad!
Een onbeschrijfelijke vrede ontwaakte
in haar ziel, een weerklank op de rust, die over de velden lag uitgespreid.
Alles zweeg, alles sliep. Slechts de adem van het sluimerend leven drong naar
binnen, beladen met al de geuren, die in den zomernacht uit het liefdedronken
bloementapijt ten hemel stegen.
Waarom rees ook
haar ziel niet op om als een ademtocht in den aether te
verdwijnen?
Als wilde zij in één warme
omhelzing al wat leefde aan haar borst drukken en zich oplossen in een enkelen
kus voor vurige liefde, strekte Fanny de armen naar buiten uit. Een vloed van
tranen brak uit haar oogen los. Doch hoor, een klagende melodie trilde door den
nacht.
O! zij kende dat lied, het sprak van
liefhebben, van genieten. Waar was 't dat zij 't hoorde? Snelde het van buiten
aan op de wieken van de avondkoelte, of ruischte het in haar binnenste als een
herinnering aan lang vervlogen geluk? Zij luisterde, en het werd haar week om
het hart, een zoete dronkenschap benevelde haar brein. Maar plotseling ging er
een schok door haar leden heen. Zij wist van waar het kwam. Hij was 't, die haar
riep! Hemel, sta haar bij! Kind, dat voor haar stierf, vouw de handjes samen en
bid voor uw moeder! Heer, geef haar kracht aan de verzoeking te weerstaan! Zend
uw engelen neder om den onreine te verbrijzelen, die haar in zijn boeien sloot!
Verlicht haar hart met de stralen van uw glans, opdat de eeuwige nacht er niet
in neerdale! Zij weent, zij jammert, zij rukt zich de haren in wilde
vertwijfeling uit!... Vergeefs! De hemel opent zich niet, in het donker blauw
lachen de koude starren haar hoonend tegen. Gij hebt haar verlaten, o,
God!
En beneden roept de melodie immer
verleidelijker. Alle visioenen van liefde en lust rijzen met vernieuwde kracht
voor haar oogen op; een zee van muziek stijgt omhoog, en golft het venster
binnen. De baren heffen haar op en dragen haar voort. Zij kan geen weerstand
meer bieden. Beneden klinkt zijn gebiedende stem en zij zweeft op de golven naar
hem toe. De blauwe hemel verdwijnt voor haar blikken; hij ziet haar aan, hij
opent zijn armen... een oogenblik van liefde, en dan de eeuwige boete in den
eeuwigen nacht!
* *
*
Den
volgenden morgen verspreidde zich met bliksemsnelheid het gerucht door de stad
dat mevrouw Noorda in een vlaag van ijlhoofdigheid uit het venster was
gesprongen. Zij had zich den dood van haar kind zoo verschrikkelijk
aangetrokken.