Schrijver Elsschot, Willem

Titel Kaas

Jaar van uitgave 1933

Bron N.R.C.

Publicatiedatum 02-12-1933

Recensent M. Nijhoff

Recensietitel Kroniek van het Proza

Degenen onder onze lezers, die aan de onschuldige gewoonte toegeven, om af en toe eens naar een bioscooptheater te gaan, kennen ongetwijfeld de alleraardigste Amerikaansche teekenfilmpjes van Max Fleischer, waarvan wij nu in het bijzonder die op het oog hebben, welke aan Betty Boop gewijd zijn. Deze filmpjes bestaan uit twee gedeelten. Het eerste is serieus of doet zich althans zoodanig voor. Een ernstig bedoelde juff-rouw geeft in een romantisch decor een aria ten beste, een concert-achtige heer met een prachtige tenor zingt sentimenteel een overgevoelige serenade, een uitnemend geoefende jazz begeleidt een zuiver en verfijnd klinkend negerkoortje, dat katoen plukt, of andere dergelijke prologen doen een degelijk beroep op onze normaal bioscopische gevoelens. Maar dan komt abrupt het tweede deel met de eigenwijze, innig amusante Betty Boop en de andere, haar omringende schertsfiguren, heel een parodistische wereld waarin het ietwat zwaarwichtig en soms zelfs zwaarmoedig begin volkomen op zijn kop gesteld, in karikaturale verwringingen van melodie en allergeestige inventies van beeld als het ware nagejouwd word@ in een lachspiegel vertoond en geridiculiseerd.

Aan deze dualiteit deed ons Elsschot's jongste roman denken, welks inleiding, beeldend van streng gespannen zelfbezinning , eigenlijk in geen verhouding staat tot de los schertsende spotbeelden van het boek zelf. De vergelijking met Betty Boop is voor het overige niet bestemd om al te ver te worden doorgevoerd: genoemde inleiding is allerminst banaal maar integendeel pakkend, diepgaand en intelligent, terwijl de lieflijk coquette Betty uit de film den wrangen achtergrond mist dien men overal achter Elsschot's humor blijft gevoelen. Toch is zijn roman door die theoretische introductie eenigszins topzwaar geworden en ontnuchterend bovendien: een aanwijzing temeer voor het gevaar van begeleidende beschouwingen bij een litterair werk. De auteur had zijn "justification " beter afzonderlijk elders kunnen doen verschijnen, daar men thans teveel geneigd is, het daarop volgende geschrift aan haar te toetsen.

Zonder baanbrekende gedachten op het spoor te komen of nieuwe uitzichten te openen, herinnert de inleiding intusschen toch in aangenamen en doorzichtigen vorm aan enkele aspecten van het stijlprobleem. Geheel in overeenstemming met zijn aanleg noemt Elsschot "het tragische een kwestie van intensiteit, van maat en harmonie", terwijl uit de nadere uitwerking blijkt dat hij hiermede niet den klank of het rhythme van den volzin meent - des schrijvers proza is niet zeer welluidend -, maar de compositie van het werk als totaliteit: "Van den aanhef, want een boek is een lied, moet men het oog houden op het slotakkoord, waarvan iets door't heele verhaal geweven moet worden, als het Leitmotiv door een symphonie. De lezer moet geleidelijk een gevoel van onrust over zich voelen komen, zoodat hij zijn kraag opzet en aan een paraplu denkt terwijl de zon nog in haar volle glorie staat.

Wie het slot niet uit het oog verliest zal van zelf alle langdradigheid vermijden omdat hij zich telkens afvragen zal of ieder van zijn details wel bijdraagt tot het bereiken van zijn doel. En hij

komt dan spoedig tot de ontdekking dat iedere bladzijde, iedere zin, ieder woord, ieder punt, iedere komma het doel nader brengt of op afstand houdt."

Over stijl maakt de auteur behartenswaardige opmerkingen, die, het zij herhaald, weliswaar niets nieuws brengen, doch in pittige formuleeringen inzichten geven, waarvan helaas menig jong schrijver te weinig doordrongen is: "In kunst mag niet geprobeerd worden. Probeer niet te schelden als gij niet toornig zijt, niet te schreien als uw ziel droog staat, niet te juichen zoolang gij niet vol zijt van vreugde. Men kan probeeren een brood te bakken, maar men probeert geen schepping. Men probeert ook niet te baren. Waar zwangerschap bestaat volgt het baren van zelf, ten gepasten tijde."

Willem Elsschot heeft inderdaad de in zijn inleiding ontwikkelde denkbeelden steeds in de practijk gebracht, al leken ze speciaal voor den (overigens goed gebouwden) ironischen roman Kaas van te ernstige strekking om er zonder schade als een soort beginselverklaring aan toegevoegd te kunnen worden. Deze auteur, wiens eigenlijke naam Alfons de Ridder is, heeft van den aanvang af een afzonderlijke plaats in de Vlaamsche letteren veroverd, ondanks zijn geringe productiviteit. Zijn werk heeft een uitgesproken persifieerend karakter en getuigt van een misanthropischen aard. Ironie en sarcasme zijn de gevoelens, die zijn blik op zijn personen en hun milieu, en zijn kijk op de wereld bepalen. Het lijkt echter of de droge en harde nuchterheid, waarmede de auteur debuteerde, of zijn menschenhaat, die een onbarmhartig licht op de vele met uiterst karakteristieke trekken geteekende figuren van den aanvang wierp, in het begin toch zooveel ruimte aan de merkwaardig scherpe waarnen-iing lieten, dat alle personen in het volle, sprekende relief van door den lezer oruniddellijk voor echt aanvaard leven kwamen te staan. In zijn later werk is Elsschot echter steeds meer - hoewel, wat men noemt, "met bloedend hart": zulk onverzoenfijk wreed geeselen en striemen der menschelijke dwaasheid pleegt uit gewonde levensliefde te ontstaan - op den potsierlijken kant van hun doen en laten den nadruk gaan leggen. Hij heeft door deze eenzijdigheid zijn later werk geen goed gedaan, en zijn merkwaardige en nog steeds volop te bewonderen debuut, den roman van klein burgerlijk pensionleven Villa des Roses, heeft hij dan ook, naar onze overtuiging, nimmer overtroffen. Iets gavers, iets menschelijkers, iets aangrijpenders heeft Willem Elsschot nooit meer gemaakt. Met groote tusschenpoozen zijn daarna de volgende publicaties uitgekomen: de plattelandsroman De Verlossing; de navrante vertelling Een Ontgoocheling, waarin men reeds enkele bijkomstige motieven uit Kaas vindt (de fascinerende leelijkheid van den burgerlijken dood en den burgerlijken dooden-cultus), naast, op één enkel moment, onverwachts, een flits van verbeten gevoel ("toen Kareltje haar aankeek, omdat zij zoo raar praatte, zag hij dat zij met neergetrokken mondhoeken weenend de soep proefde", besluit het werkje); de roman Lijmen, een sterk satirische schildering van het bedrijf der advertentie-colportage, dat den schrijver uit eigen langdurige ervaring bekend was. Lijmen werd het vorig jaar bij een Nederlandschen uitgever herdrukt, en wij hebben toen een beschouwing aan dit roman-spotschrift gewijd.

Willem Elsschot heeft zich ook doen kennen als een dichter van onbetwijfelbare kwaliteiten. Lang voordat poëzie gelijk op het voetspoor van den lateren Greshoff door Forum gepubliceerd en voorgestaan werd, in ons taalgebied werd geschreven, en midden in de zuiver esthetische periode van omstreeks den aanvang van den oorlog, schreef deze eigenaardige en oorspronkelijke auteur verzen, die hij zeventien, achttien jaar in portefeuille hield, en het vorig jaar voor het eerst heeft gepubliceerd, in datzelfde tijdschrift waar ze thans geheel in den toon vielen niet alleen, maar stellig ook tot het allerbeste behoorden wat daarin aan poëzie ooit was verschenen. Wel een bewijs, hoezeer Willem Elsschot reeds een generatie terug en als zoodanig toen volkomen onvermoed, ook als dichter niet minder dan een voorlooper is geweest.

Lijmen is, van des schrijvers voorafgaand oeuvre, het boek waar Kaas het dichtst bij staat. Ook Kaas geeft een bedrijf: het agentuur van een kaashandel, waarin echter nooit iets omgaat. De verteller (in beide romans heeft de rijke veelheid der met enkele streken ten voeten uit geschilderde personen van Villa des Roses voor de concentreering op de ik-figuur plaats gemaakt

- voorwaar een verarming), de hoofdpersoon komt op de begrafenis van zijn moeder in aanraking met een vriend van zijn broer, die hem zijn bescheiden klerken-baantje doet opgeven (voorloopig met ziekte-verlof), en hem ertoe brengt vertegenwoordiger van een groote kaasimportfirma te worden. De verdere roman bevat het lugubere en tevens groteske beloop van de grootsch opgezette reorganisatie van 's mans leven voor het nieuwe, zelfstandige bestaan van vooraanstaand, en-gros kaaskoopman. Er blijkt in dit nieuwe beroep, waarvoor de man zijn zielerust, gezinsgeluk en vaste betrekking heeft geofferd, niets om te gaan. FEj begint met een enorm crediet, en een proefzending van 1 0. 000 Edammer kazen, ieder van ongeveer 2 kilo, verpakt in 370 patentkisten. Zij worden in een veem opgeslagen, behalve een kist voor monsters die hij thuis laat brengen; hij stelt 30 agenten aan over het geheele land - en verder gebeurt er niets. Heelemaal niets. Er komen geen orders binnen, ondanks de nieuwe kantoor-installatie, de 1000 vel van het mooie briefpapier, en alle pogingen. Het tragisch-komische bereikt telkens een groote hoogte in allerlei even zotte als schrijnende situaties, zoo b.v. waar de vier collega's van het kantoor, waar de ongelukkige oorspronkelijk werkte, bij hem op "ziekenbezoek" komen (hij heeft immers op zijn eerste kantoor een certificaat van zijn broer, den dokter, voor drie maanden verlof wegens zenuwoverspanning moeten overleggen)- er is een collecte gehouden en met een kleine toespraak uit naam van het heele personeel wordt hem een met zilver beslagen tric-trac spel met inscriptie overhandigd.

Ten slotte loopt alles nog zonder ongelukken af en kan het crediet geretourneerd worden, daar voornamelijk aan monsters en geschenken - slechts één kist en 1 1 bollen van de partij zijn afgegaan.

"Nog den zelfden avond heb ik aan Hornstra geschreven dat ik, om gezondheidsredenen, gedwongen ben van zijn vertegenwoordiging voor België en het Groothertogdom Luxemburg af te zien. Ik heb er bijgevoegd dat zijn kaas in een van de patentkelders van 't Blauwhoedenveem ligt en dat ik hem per postwissel de waarde van de ontbrekende bollen deed toekomen. Met dat brieije heb ik "jzelf den pas afgesneden, wantje weet nooit of ik nog niet eens een kaasopwelling krijg. Drie dagen later ontving ik waarachtig een bon van René Viaene, mijn agent in Brugge, die aan veertien klanten een totaal van vier duizend twee honderd kilo verkocht had. Alles was perfekt ingevuld: besteldatum, naam en adres van iederen koper en al de andere kolommen óók."

Maar dit is natuurlijk van weinig belang naast het feit, dat het veilige, gewone, normale, kleine leven van klerk op het eerste kantoor weer hervat kan worden. "Thuis wordt nooit meer over kaas gesproken". "Wat mijn vrouw betreft, die zorgt er voor dat geen kaas meer op tafel komt. Pas maanden later heeft zij niij een Petit Suisse voorgezet, van die witte, platte kaas, die niet méér op Edammer gelijkt dan een vlinder op een slang. Brave, beste kinderen. Lieve, lieve vrouw." Deze roman van Elsschot is schril, bitter en zuur, meelijwekkend en triest. Maar hij is dit alles naar onzen smaak niet genoeg. Wij hebben wel meer meenen op te merken dat de soms rauwe en toch heusch niet overgevoelige boertigheid van het oudere Vlaanderen iets hartelijkers en humaners behield dan de zooveel verstandelijker en guurder humor, dien men in het werk van moderne Vlamingen vindt, en waarvan de harde schamperheid, die het meeleven dieper besloten houdt slechts een volkomen onvroolijken lach verwekt. Ook bij Elsschot wordt het wreede leedvermaak niet meer door vergevingsgezindheid getemperd. Men gevoelt dat dit onverzoenlijke boek in den grond uit lijden ontstaan is, maar een lijden dat noch voor anderen, noch voor zichzelf zachtheid, of toegeeflijkheid kent.

In zijn gezamenlijk oeuvre beschouwd is een schrijver als Willem Elsschot eigenlijk verwant met Jules Renard, die immers ook de ontwikkeling van Poll de Carotte naar L'Ecomifleur heeft doorgemaakt. Als prozaïst in engeren, technischen zin was Renard inmiddels stellig zijn meerdere.

Eén passage is er in Kaas - dat daarin met Een Ontgoocheling, waaruit wij hierboven citeerden, overeenkomt -, waar het meer positieve sentiment directer en onverholener aan den dag treedt.

Het is daar, waar de geheele zoo rampspoedig verloopen affaire geliquideerd is:

"Ik blijf nog even staan en een groote berusting vervult mijn heele wezen. 't Is alsof ik in bed door een liefdevolle hand word toedekt. Maar ik moet naar de keuken. Nfijn vrouw staat daar zonder iets te doen en kijkt ons tuintje in. Ik ga op haar toe en sluit haar in mijn annen. En als mijn eerste tranen op haar verweerd gezicht vallen, zie ik dat zij me tegenweent. En opeens is de keuken weg. Het is nacht, en wij staan weer alleen, zonder kinderen, in een eenzaam oord, zooals dertig jaar geleden toen wij een stil plekje opzochten om in vrede te kunnen schreien. De kaastoren is ingestort."

Karakteristieker voor den schrijver en diens achterdochtig wantrouwen tegenover het leven is echter het volgend voorvalletje, waarin hij merkwaardigerwijze zelf zijn kritiek op dit eigen wantrouwen mede gestalte geeft. Na het einde van zijn tribulatiën gaat de man bloemen leggen op het graf van zijn moeder, met wier overlijden (cynisch maar Bruegheliaansch oprecht en daarom treffend uitgebeeld) de heele kaas-historie begonnen was. FEj legt zijn bloemen, nog in wit papier gepakt (hij geneerde zich, met den opzichtigen bos over straat te loopen) op den grafsteen, verwijdert zich na een zijdelingschen blik op de zwarte gedaante van een vrouw in de buurt, en kijkt dan nog eens om.

"Ik blijf staan, als aan den grond genageld. Wat doet dat wijf bij ons graf'.? Wil zij mijn chrysanten gappen en op háár graf leggen? Dat zou sterk zijn. Ik zie nu dat zij die witte verpakking verwijdert en de bruinroode bloemenweelde komt te voorschijn. Zij spreidt mijn chrysanten open en legt ze vooraan op de steenen plaat, zóó dat de namen van vader en moeder zichtbaar blijven. Nu maakt zij het teeken des kruises en begint op niijn graf te bidden. Ik buk rnij en sluip ongezien tot in de hoofdlaan en 't kerkhof uit."

Uit een passage als deze spreekt wel sterk des schrijvers niets ontziende eerlijkheid, en er blijkt tevens uit, dat hij geen kritieklooze dupe is van zijn eigen denigreerende natuur.

Een groote aantrekkelijkheid zijn de teekeningen van Jozef Cantré. Als stijlprocédé herinneren zij aan die, welke Fritz van den Berghe voor de moordnovelle Danieels, het bekende Vlaamsche volksverhaal, gemaakt heeft, en aan die, welke hij geregeld in het Antwerpsche arbeidersdagblad Vooruit bijdraagt als illustratie van het vervolgverhaal. Maar de teekeningen bij Kaas zijn strakker, nfinder romantisch, aandachtiger overwogen en gecomponeerd.

De auteur van het aardige "Villa des Roses", Willem Elsschot, heeft in zijn nieuw boek "De Verlossing" een beeld gegeven van een strijd die zich in een klein Vlaamsch gehucht, volkomen van de wereld gdisoleerd, afspeelt tusschen een pastoor en een vrijdenker -anarchist, die zich als winkelier in dit gehucht heeft gevestigd. De winkelier, Leopold van Domburg, bijgenaamd "Pol", een lange, knokige, zwijgende somberling, die in buien van donkere woede, zijn vrouw redeloos afranselt (buien van kwaadaardigheid als epileptische aanvallen) die de boeren bedriegt terwijl hij hun aan zijn toonbank laat drinken, die, als de pastoor de koopers uit zijn winkel weghoudt, huisjes gaat bouwen en een tyran is voor zijn werkvolk, deze "Pol" is de vogelverschrikker van zijn eigen geluk. Zijn vrouw en dochters zijn kerksch gebleven, zijn heimelijk in de partij van zijn tegenstander, en zijn verzet wordt steeds razender, wanhopiger en taktloozer. Als hij sterft, laat hij den pastoor roepen. Men hoopt dat hij biechten zal vóór te sterven. Maar voor zijn ziekbed schiet hij den pastoor, zijn levenslangen vijand, onverhoeds neer. Dan echter is zijn kracht gebroken.

Indien er nu tòch eens een God was, dacht Pol, toen hij zijn geweer had afgeschoten. En plotseling stiet hij een gejank uit dat zich oploste in een kreet: - Een priester!

Zij lagen nu, in 't zicht van den dood, als ware christenen tegen elkander op te kermen. Kips (de pastoor) zong klagend:

- Jezus, mijn licht, mijn leven en mijne zaligheid, kom en verlicht láj nu ik zit in de schaduw des doods. 0 licht, dat alles verlicht, ontsteek in mij een brandende liefde, opdat ik, U volgende, niet wandel in de duisternissen ".

Het is daar, waar de geheele zoo rampspoedig verloopen affaire geliquideerd is:

"Ik blijf nog even staan en een groote berusting vervult mijn heele wezen. 't Is alsof ik in bed door een liefdevolle hand word toedekt. Maar ik moet naar de keuken. Mijn vrouw staat daar zonder iets te doen en kijkt ons tuintje in. Ik ga op haar toe en sluit haar in mijn annen. En als mijn eerste tranen op haar verweerd gezicht vallen, zie ik dat zij me tegenweent. En opeens is de keuken weg. Het is nacht, en wij staan weer alleen, zonder kinderen, in een eenzaam oord, zooals dertig jaar geleden toen wij een stil plekje opzochten om in vrede te kunnen schreien. De kaastoren is ingestort."

Karakteristieker voor den schrijver en diens achterdochtig wantrouwen tegenover het leven is echter het volgend voorvalletje, waarin hij merkwaardigerwijze zelf zijn kritiek op dit eigen wantrouwen mede gestalte geeft. Na het einde van zijn tribulatiën gaat de man bloemen leggen op het graf van zijn moeder, met wier overlijden (cynisch maar Bruegheliaansch oprecht en daarom treffend uitgebeeld) de heele kaas-historie begonnen was. FEj legt zijn bloemen, nog in wit papier gepakt (hij geneerde zich, met den opzichtigen bos over straat te loopen) op den grafsteen, verwijdert zich na een zijdelingschen blik op de zwarte gedaante van een vrouw in de buurt, en kijkt dan nog eens om.

"Ik blijf staan, als aan den grond genageld. Wat doet dat wijf bij ons gra@. Wil zij mijn chrysanten gappen en op háár graf leggen? Dat zou sterk zijn. Ik zie nu dat zij die witte verpakking verwijdert en de bruinroode bloemenweelde komt te voorschijn. Zij spreidt mijn chrysanten open en legt ze vooraan op de steenen plaat, zóó dat de namen van vader en moeder zichtbaar blijven. Nu maakt zij het teeken des kruises en begint op mijn graf te bidden. Ik buk rnij en sluip ongezien tot in de hoofdlaan en 't kerkhof uit."

Uit een passage als deze spreekt wel sterk des schrijvers niets ontziende eerlijkheid, en er blijkt tevens uit, dat hij geen kritieklooze dupe is van zijn eigen denigreerende natuur.

Een groote aantrekkelijkheid zijn de teekeningen van Jozef Cantré. Als stijlprocédé herinneren zij aan die, welke Fritz van den Berghe voor de moordnovelle Danieels, het bekende Vlawnsche volksverhaal, gemaakt heeft, en aan die, welke hij geregeld in het Antwerpsche arbeidersdagblad Vooruit bijdraagt als illustratie van het vervolgverhaal. Maar de teekeningen bij Kaas zijn strakker, nfinder romantisch, aandachtiger overwogen en gecomponeerd.

De auteur van het aardige "Villa des Roses", Willem Elsschot, heeft in zijn nieuw boek "De Verlossing" een beeld gegeven van een strijd die zich in een klein Vlaamsch gehucht, volkomen van de wereld gdisoleerd, afspeelt tusschen een pastoor en een vrijdenker -anarchist, die zich als winkelier in dit gehucht heeft gevestigd. De winkelier, Leopold van Domburg, bijgenaamd "Pol", een lange, knokige, zwijgende somberling, die in buien van donkere woede, zijn vrouw redeloos afranselt (buien van kwaadaardigheid als epileptische aanvallen) die de boeren bedriegt terwijl hij hun aan zijn toonbank laat drinken, die, als de pastoor de koopers uit zijn winkel weghoudt, huisjes gaat bouwen en een tyran is voor zijn werkvolk, deze "Pol" is de vogelverschrikker van zijn eigen geluk. Zijn vrouw en dochters zijn kerksch gebleven, zijn heimelijk in de partij van zijn tegenstander, en zijn verzet wordt steeds razender, wanhopiger en taktloozer. Als hij sterft, laat hij den pastoor roepen. Men hoopt dat hij biechten zal vóór te sterven. Maar voor zijn ziekbed schiet hij den pastoor, zijn levenslangen vijand, onverhoeds neer. Dan echter is zijn kracht gebroken.

Indien er nu tòch eens een God was, dacht Pol, toen hij zijn geweer had afgeschoten. En plotseling stiet hij een gejank uit dat zich oploste in een kreet: - Een priester!

Zij lagen nu, in 't zicht van den dood, als ware christenen tegen elkander op te kermen. Kips (de pastoor) zong klagend:

- Jezus, mijn licht, mijn leven en mijne zaligheid, kom en verlicht niij nu ik zit in de schaduw des doods. 0 licht, dat alles verlicht, ontsteek in mij een brandende liefde, opdat ik, U volgende, niet wandel in de duisternissen ".

- Sideria! Een priester g.v.d. gilde Pol" -

Het is echter in de eerste plaats de figuur van den pastoor uit dit boek die mij zal bijblijven . "Hij was een stuursche man, die maar één oog had. Efij keek niet naar den grond, liep met groote schreden als iemand die een broek aan heeft in plaats van een lijfrok, prevelde geen gebeden onder't wandelen en had niet eens een kerkboek bij zich...... De pastoor is een groot en succesvol stroper, maakt eindelooze eenzame wandelingen. "Den vierden dag trok hij, met een geweer op den schouder, de bosschen van den graaf in, zonder zich in het minst te storen aan de j achtopzichters, en keerde tegen 't vallen van den avond neuriënd terug, beladen met wild". Dit zijn de beide partijen, de twee tegenstanders, van dit boek. Al de bijfiguren, en somtijds de hoofdfiguren ook, zijn te caricaturaal geschetst om geestelijke beteekenis te hebben. Het boek is ruw, onvolledig, te zeer broksgewijs ineengezet. Het is met een zekere natuurlijke drift geschreven, dezelfde natuurdrift die ons ook in de hoofdfiguren boeit. Het is een boek zoo aardsch en klontig en donker als een omgeploegd land.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1