Schrijver Elsschot, Willem
Titel Dwaallicht, Het
Jaar van uitgave
1946Bron Vrij Nederland
Publicatiedatum 22-02-1947
Recensent W.F. Hermans
Recensietitel Elsschot en de desillusie
Toen er in de hongerwinter practisch geen behoorlijk boek meer te krijgen was en de winkels, die zich niet toelegden op de verkoop van tweedehands-boeken tegen zwarte prijzen, voor het merendeel gesloten waren, zag men op een dag in verschillende etalages een boek van Wfflem Eisschot liggen. En niet bij den verhuurder van smokings, rouwkleding en bruidstoiletten, die in de boeken was gaan speculeren, ook niet bij den sigarenwinkelier of den papierhandelaar, die op een veiling een partijtje boeken hadden opgekocht om een paar zwarte winstjes in te beleggen, nee, in behoorlijke winkels en tegen een normale prijs. Het was een keurige herdruk van "De Verlossing" en begrijpelijkerwijze zag men, na een paar dagen het boekje niet meer. Dit feit zegt misschien over Elsschot's populariteit niet zoveel, daar het publiek toen letterlijk alles kocht. Toch geloof ik dat men zonder jokken kan beweren dat Elsschot een populair schrijver is en dit is te meer verheugend daar hijzelf die populariteit allerminst heeft gezocht. Een belangrijk deel van zijn werk dateert al van voor de eerste wereldoorlog, maar behalve in kleine kring maakte hij toen weinig opgang. Vooral Greshoff heeft veel gedaan om Elsschot bekend te maken (hij wijdde een heel nummer van " Groot-Nederland " aan hem), maar of dit veel geholpen heeft weet ik niet. De publieke smaak vertoont op het gebied van literatuur soms een koppige eigenzinnigheid . Hoe dit ook zij, Elsschot is wèl populair geworden en dit is volstrekt niet te verwonderen, eerder was het te verwonderen dat hij het lange tijd niet is geweest. In Eisschot ontmoet men immers een auteur die wel verre van "moeilijk " of "ingewikkeld " genoemd kan worden. ffij schrijft klare volzinnen, die niet te lang en ook niet modernistisch te kort zijn. Hij verliest zich niet in vervelende uitwijdingen. De handeling van zijn boeken is altijd tot het uiterste gecondenseerd. Zijn verhalen gaan bovendien op het eerste gezicht over heel alledaagse mensen met alledaagse lotgevallen. Ik zeg: op het eerste gezicht, want wie Elsschot even tot zich door laat dringen bemerkt dat men hier op een behoorlijke afstand is van het wel en wee der knusse, sober gestoffeerde Hollandse binnenkamer. Met uitzondering van o.a. juist dat boekje "De Verlossing", worden zijn geschiedenissen beheerst door één bepaalde figuur, Laarmans genaamd, die meestal zelf aan het woord is. De roman of novelle wordt dan geheel van deze Laarmans uit geschreven.
Wie is Laarmans?
Ook aan dezen Laannans is op het eerst gezicht niets interessant te ontdekken. I-Iii is een kleine burgerman, die als iedereen met de moeilijkheden van het dagelijks bestaan te kampen heeft. Ifij heeft geen bepaalde overtuigingen, men zou zeggen dat hij het leven neemt zoals het valt. Hij heeft een lieve vrouw die nogal wat van hem verdragen moet en daarin slaagt zonder al te veel te mopperen. Zijn kinderen doen braaf hun best en hijzelf doet eigenlijk ook wel zijn best voor zijn vrouw en kinderen. Ifij poogt min of meer "debrouillard " te zijn en soms moet men bekennen dat
het hem eigenlijk niet zo heel slecht gaat. Laarrnans is kortom een man voor wie niemand zich zou interesseren, was hij alleer, de man dien zijn omgeving in hem ziet. Maar de lezer krijgt de gelegenheid méér van hem te zien en bemerkt dan dat de handelingen van dezen Laarmans een heel andere achtergrond hebben dan zijn omgeving vermoedt. Ifij is eigenlijk een onbegrepene, maar volstrekt zonder de enigszins heroïsche tint de dit woord meestal bezit De hoop, door zijn omgeving begrepen te worden, heeft hij opgegeven of nooit bezeten. Als hij thuis zit voelt hij zich vreemd en zwijgt meestal. Doch om de anderen met dit zwijgen niet te kwetsen, koopt hij iedere dag een krant, zodat hij kan doen of hij leest, terwijl hij zich in werkelijkheid ook voor zijn krant niet interesseert vertelt hij in "Het Dwaallicht ", Elsschot's nieuwste Laannans-verhaal. Waar interesseert hij zich dan wel voo@ Dat is moeilijk te zeggen. Hij is een cynicus zijn verwachtingen zijn nimmer wat men hooggespannen noemt. I-Iij is geen dromer in de gebruikelijke zin dat hij droomt van een of andere betere toekomst. Weliswaar jaagt hij hersenschimmen na, doch altijd keert hij bij de huiselijke haard terug. Neen, deze Laarinans doet geen gekke of dichterlijke dingen, hij staat met zijn beide benen op de grond. Maar toch schuilt er diep in hem iets waar hij eigenlijk niet graag voor uitkomt, maar wat hem toch altijd leidt. Het is niet bepaald een droom, eerder een soort besef van een beter bestaan, dat hij weet nooit te zullen bereiken. Maar om dit besef doet hij soms dingen die de eerste de beste burgeman zich nooit van zijn leven in zijn hoofd zou halen en waarover Elsschot in zijn boeken Laannans laat vertellen zonder enige ophef om zijn noblesse en met een soms schampere pudeur.
In "Het Dwaallicht " ontmoet Laarmans op een avond, dat hij zich voorgenomen heeft nu eens niet te laat thuis te komen, drie Indische matrozen die hem de weg vragen naar een adres dat zij, geschreven op de onderkant van een sigarettendoosje, bij zich hebben. Het is het adres van een meisje en moeilijk te vinden; niettemin legt Laarmans hen uit waar zij wezen moeten, zonder de illusie te koesteren dat zij het zullen vinden. Ifij ziet nog hoe zij kort daarna aangeklampt worden door een individu dat aanbiedt hen naar een ander adresje te brengen. Doch Laarman's fantasie is gaan werken. Hij denkt aan het meisje van het adres dat nu nfisschien de hele avond voor niets op de Indische matrozen zit te wachten. En hij stelt zich voor dat hijzelf door Bombay naar een meisje zou lopen zoeken, in de regen, in een dun katoenen pak. Hij vindt dat hij zich al te gemakkelijk van hen afgemaakt heeft, stelt zich weer met hen in verbinding en biedt aan hen er te brengen, hoewel hij zichzelf beloofd heeft op tijd thuis te zullen zijn. Dan begint een bijna eindeloos gezoek door de donkere buurten van Antwerpen, dat, men zal het wel haast geraden hebben, op niets uitloopt. Ten slotte wijst Laarmans den Indiërs de weg naar hun schip terug. "Nu vooral niet gaan kniezen," denkt hij, "en niet mee naar Bombay, niet meer op zoek naar het nestje van Fathma, maar gauw naar huis met mijn krant om weer plaats te nemen in de kring van die waar ik aan gebonden ben en die inij vervelen, onuitsprekelijk." Zo poogt de "cynische" Laarmans zijn edelmoedigheid voor zichzelf aannemelijk te maken.
Deze nobele schaamte is de voornaamste trek van al het werk van Willern Elsschot. Het is onzinnig dit met cynisme te verwarren. De ware cynicus is in werkelijkheid onverschillig. Elsschot is dat nooit. ltj heeft alleen een grondige afkeer van frasen; hij ziet het zinneloze in van vertedering en dromen en geeft er zich toch, zij het tersluiks, aan over. Hij bestraft zichzelf er weliswaar voor, maar dat is niet hetzelfde als het nalaten!
Elsschot als dichter
Zijn gedichten, grotendeels omstreeks 19 1 0 ontstaan werden onlangs herdrukt in een iets uitgebreidere editie. Ik geloof niet dat het nodig is er hier de lof van te zingen. Zij gaven uiting aan dezelfde mentaliteit die men in zijn proza kan opmerken. Het is slechts een kleine verzameling, maar er is haast geen enkele vers bij dat niet ronduit meesterlijk genoemd kan worden. Er is geen verzwneling poëzie in onze taal die zozeer in de meest letterlijke zin hartverscheurend is. De titels van deze gedichten en de onderwerpen, die zij behelzen, zijn op de
larmoyantste wijze herhaaldelijk behandeld. Die titels 2ijn b.v. "De Moeder", "Bij het doodsbed van een Kind", "De Bedelaar", "De Klacht van den Oude", "Het Huwelijk ", "O jeugd", "Spijt" allemaal thema's waarbij veel gesnikt dient te worden en men het gevoel krijgt toch eigenlijk zo goed en mooi te zijn. Bij Elsschot niets van dit alles. Bij hem krijgen dingen, die men meende al lang te kennen, die uitdentreure herhaald zijn, niet zozeer een nieuw aspect als wel: zij worden op een wijze voorgedragen dat men er opnieuw door getroffen wordt door de ouderdom die niet te weerhouden is, de kortzichtigheid die in het leven soms de schoonste momenten voorbij laat gaan.
Het is dit bijna niet te overtreffen plastische vermogen dat Elsschot heeft, waardoor zijn geschriften, hoe simpel de onderwerpen ook zijn die zij behandelen, een indruk achterlaten die alleen een waarlijk groot schrijver kan geven.