Schrijver Eeden, Frederik van
Titel Kleine Johannes, De
Jaar van uitgave
1887Bron Nieuwe Leidsche Courant
Publicatiedatum 30-03-1930
Recensent
Recensietitel Frederik van Eeden : De kleine Johannes. 1.
Het vraagstuk van de verhouding van modeme letterkunde en Christelijk leven is nog altijd een brandende kwestie. Dat behoeft niet te verwonderen. Velen onzer willen erkennen het goede en schoone dat door modeme dichters en schrijvers werd geproduceerd en daarvan genieten. Maar wij weten dat een geheele, onvoorwaardelijke aanvaarding van de literatuur der laatste halve eeuw door ons Christenvolk in zijn geheel, de dood beteekenen zou voort geloofsleven. De nieuweren begonnen met de verklaring, dat zij vijanden waren en bedoelden te zijn van het Kruis van Christus. Kloos braakte de gruwelijkste godslasteringen uit tegen de gezegde Verlosser en sprak van't "ergerlijk Christendom". Verwey kondigde de kunst aan als plaatsvervangster van de Christelijke eeredienst en gloeide in zijn brochure over Van Eeden's Ellen en Johannes Viator van haat tegen het geloof waarin hij opgevoed was. En Van Eeden - ach, wat heeft hij in proza en poëzie menigwerf 't Christelijk geloof gelastend. Ongetwijfeld school in dit alles een element van reactie tegen de kunstopvattingen der predikant- en priesterdichters vóór hen. Kunst is niet iets, dat bestaansrecht heeft in zich zelf, maar kunst moet leeren, opvoeden, stichten. Dát was de grief der Tachtigers, dat Ten Kate, Beets, Ter Haar, Schaepman aan de kunst hadden ontnomen haar hooge, zelfstandige plaats en haar hadden verlaagd tot slavin. Frederik van Eeden heeft die dichterlijke dominées getroffen met parodiëerende spot in zijn Grassprietjes. Doch er is meer. In de kunstenaars der nieuwere poëzie brak zich aan herlevend paganisme, modern heidendom. Bij hun vergoddelijking van de kunst bij hun streven van 't klassieke schoonheidsideaal voegde zich doodelijke haat tegen't afgeleefde Christendom in al zijn oude, verstarde vormen. Als zéér modeme en zéér helderziende menschen (de uitdrukking is van Albert Verwey) geloofden zij, dat 't Christendom afgedaan had. Het was aftandsch Anti-christelijk wast karakter der nieuwere literatuur in haar ontstaansperiode. Kloos' beruchte uitspraak: "Omdat ik het Christendom niet noodig heb, ik rijk -levend, daarom haat ik het, tot den dood", was meer dan de willekeurige meening van een willekeurige kunstenaar. Evenwel - zoo merkt Prof Iz. van Dijk op in het derde deel zijner Geschriften - als de levende God wordt losgelaten, is het zeker gedaan met allen werkehjken godsdienst, maar dan is het niet gedaan met alle religieusiteit. Met de behoefte aan verecren. Deze onvervulde behoefte wendt zich nu tot de natuur, werpt zich op de natuur. Er komt een opgaan in de natuur als in 't goddelijke, een panth@istische levenshouding, een natuurmystiek, die de grenzen tusschen Schepper en schepsel uitwischt, en mystiek, door Karl Gronau aldus omschreven: "Waag het te bouwen op uw innerlijkste gevoel. Dan zijt ge vrij en sterk, en vol van God! Zie om u heen! Beek en boom, rots en zee, planten en dieren, zij allen groeten u, uit hen zien u de ondoorgrondelijke oogen uws Gods aan. Eerst de glans van deze mystieke ervaring verjaagt alle donkere gedachten aan de leer van zonde en rechtvaardigmaking en brengt ons dát warme ficht in 't hart uit 't werkelijk beleven, dat van de levende God uitgaat. " I-lier wordt ons ook de sleutel geboden tot de geestelijke achtergrond van Van Eerden's Kleine Johannes. In zijn
zieleleven kruisen elkaar deze twee tendenzen: afkeer van de Christelijke godsdienst, de leer, de belijders van het orthodox geloof, èn het vage verlangen naar een plaatsvervangster der religie: de natuurmystiek. De aanvangen van deze draden vinden we in zijn jeugd. Frederik van Eeden groeide op in een vrijzinnig milieu. Zijn vader werd door de kleine Johannes gezien als "een wijs en ernstig man". Ffij had, gelijk we hoorden, belangstelling voor tulpen, rozen en duizend andere bloemen, maar hij was ook een snuffelaar in de boeken der groote wijsgeeren Plato, Spinoza, Nietzsche In zijn levensopvatting was Van Eeden Senior echter zeer lichtzinnig. "Hij spotte graag, in den trant van Voltaire" schreef Van Eeden later van hem. In godsdienstzaken liet hij zijn jongen dan ook volkomen vrij. Eenige positieve invloed op de religieuse ontwikkeling van de dichterlijke knaap ging niet van hem uit. Want de belofte aan Frederik op zijn achttiende jaar door zijn ouders gedaan, dat hij een gouden horloge zou krijgen, wanneer hij "geloofsbelijdenis bij "de protestantsche kerk" wilde afleggen, kunnen we toch moeilijk als zoodanig beschouwen. De dominee, bij wie Van Eeden catechisatie ging, was een volslagen Godloochenaar, die het zeer dapper van zijn leerling vond, dat hij weigerde tot de kerk toe te treden. Over die tijd vertelde Van Eeden in zijn bekende rede van Maart 1923 o.m. nog dit: "Ik heb als kind ook leeren bidden, zooals dat in protestantsche kringen gebeurt. 's Morgens, voor en na het middagmaal en des avonds. Ik herhaalde hetzelfde gebedje, en het had geen werkelijkheid voor mij. Het was een onverschillig ding." "Ik kende dus het gebed, zooals de vrijdenker en het protestantisme en kent, als een min of meer bespottelijke, achterlijke zaak, een overblijfsel uit de midden-eeuwen, uiting van bijgeloof en onweetendheid." Wanneer Van Eeden in later tijd Haarlem verlaat en ingelijfd wordt in de kring der kunstenaars van '80, dan heeft natuurlijk heb Boek der Boeken, dat Robinetta's vader hem wilde geven, helemaal afgedaan. Zijn studie in de medicijnen, die in zuiver-darwinistische geest werd geleid, droeg er voorts het hare toe bij, dat Van Eeden - zonder voldoende kennis van het wezen. Maar al te gaarne volgde ook Van Eeden hen, die, omdat zij zien dat zooveel vroomheid dienst moet doen om on-vroomheid te dekken, mèt het badwater het kind wegwerpen. Materialist in de ongure, platte zin van het woord is Van Eden slechts korte tijd geweest. Het besef dat er toch een hooger Wezen bestaat moet, verliet hem niet, Maar hij boetseerde zich dat hooger wezen, zijn God naar zijn beeld en gelijkenis. En dat hij zijn God vond in de muziek, in de stille bosschen, in de groote lucht is verklaarbaar als gevolg van intieme omgang van Windekinds ontmoeten af, met de natuur en zij hevig schoonheidsverlangen, dat in 't bizonder daar bevrediging vond. En zoo kon Frits Hopman Van Eedens geesteshouding in die tijd, toen hij "De kleine Johannes" schreef, aldus omschrijven: "(Zijn) mystiek bestaat niet in het verstandelijk aanvaarden van zekere bovenzinnelijke leerstellingen, noch in doelbewuste onderwerping aan spiritueele tucht, doch voornamelijk in het liefhebben en zoeken van innerlijke ervaringen, welke oneindig kostbaarder, begeerlijker zijn, dan alles wat het leven verder te bieden heeft. "Hoog boven de menschen en hun klein bestaan" troont hij op de tinnen der wereld. De oneindige wereldruimte in zijn veilig thuis; de eeuwigheid drenkt al zijn gedachten. hij is de diepzinnige mijmeraad, altijd vervuld van een stille, hooge vreugd, waarvoor geen naam is. In zijn verzen klinkt hetzelfde wonderbare geluid als in het sonore ruischen van den wind in dennenwouden. In zijn ziel is vrede en schemering ". Daarvan nu vinden wij een treffende illustratie in de wijze, waarop Windekind Johannes leerde bidden. Windekind nam hem mee, hoog, hééi hoog boven de duinen en de zee. Een lange, donzige witte schuimrand omzoomde het zeevlak. En aan de kim scheidde lucht en water een fijne, wonderbare lijn. Toen zette dek kleine Johannes zich o de duinrand en staarde, staarde in roerloos zwijgen, totdat het hem was, alsof hij sterven ging, alsof de groote, gouden deuren van het heelal zicht statig ontsloten en zijn kleine ziel 't eerste licht der oneindigheid tegenzweefde. En totdat de tranen, die in zijn wijd geopende oogen welden, de schoone zon omfloersten en de pracht van hemel en aarde wegdeinzen deden in een duistere, trillende schemering........ Zoo moet gij bidden! " zei toen Windekind. De kleine Johannes, neen, is geen sprookje tot leering en vennaak, maar een eerste poging van Van Eeden tot levensverklaring in kunst. De kunst is echter in De kleine Johannes beter gelukt dan delevensverklaring. De stijl is van een teere, vanzelfsche zuiverheid, eenvoudig en zonder gezochte versieringen. Ietwat plechtig en gedragen, voornaam van zegging, niet krachtig en hartstochelijk, beheerscht zelfs bij de felste spot en de scherpste satire. "De maagdelijke, flissche dauw van eerste echte inspiratie doet alles erin tintelen en flonkeren ", zeg Dr. G. Kalff Jr. Het karakter van sprookje dat de schrijver zijn boek gaf is in alle deelen meesterlijk volgehouden. Van bloemen en dieren en kabouters wordt zoo aardig verteld, waarlijk, wie De kleine Johannes, leest, vindt het boek snoezig. Maar, - wie het alleen maar snoezig vindt, heeft er niet veel van begrepen. Let b.v. op de onverzoenlijke tegenstelling en strijd met de menschen, waartoe Van Eeden's natuurbeschouwing hem brengt. De menschen zijn de leelijkers, de boozen, die de schoonheid en de ongereptheid der natuur bezoedelen, die praten en lachen en rooken, en enpassant de schoone leliën en peinzende viooltjes vertrappen. Vader Van Eeden reeds was gewoon de menschen te noemen "een vlek in de natuur". In plaats van als vrienden, worden zij beschouwd als vijanden, niet alleen in de gedachtegang van krekels, mieren en konijnen, maar de menschen van het zendingsfeest en Robinetta's vader, die Johannes 't Boek der boeken gaf, zijn tenslotte niet anders dan geluks- en schoonheidsbedervers. Ja, zij vooral. Zij bederven in hun streven naar't hoogste, het beste, waarnaar alles uitgaat: de Harmonie, dat is hetzelfe als geluk. Zij zijn de sprekers van woorden zonder inhoud, de elkaar napraters, de vijanden van de natuur en de vrijheid, omdat zij gebonden zijn door een dogma en gedwongen worden tot een circelvlucht als een meikever met een draad aan de poot Felle antipathie bovenal koesterde Van Eeden tegen het Calvinisme en die afkeer is er met de jaren niet n-finder, eer erger op geworden; het Calvinisme dat hem ergerde "door starre nuchterheid, gemis aan schoonheid en poëzie". Het begon al met de parodie van dominee Maalman, die op de duiten loert van Annebet in "Het poortje of de duivel te Kruimelburg. En veel later, om nog een voorbeeld te noemen is Frans Baltens in "De heks van Haarlem ", een dweepziek geestdrijver. Giftige pijlen richt Van Eeden in de kleine Johannes op de kerk en haar dienaren, die hij haatte. En over de personen heen ook op geloof en belijdenis. De kabouters houden niet van de eschdoom, want - van esschenhout maakt men kruisjes en stelen voor kerkezakj es. De wijste van hen verteld de tragedie van Kribbelgauw, de groote held de kruisspinnen, die duizenden van zijn eigen kinderen vermoordde en nu eeuwig vereerd wordt om zijn moordlust en vlugheid. Eerbied voor God, bekent Johannes, heeft hij niet en de gestalte die aan 't slot van 't verhaal hem tegemoet treed@ heeft nog eenmaal de beslissende betekenis van God en Christus voor't leven der menschheid afgewezen en Johannes op zichzelf teruggedreven. De waarheid ligt niet buiten hem, objectief, maar in hem, subjectief. En die waarheid, de weeke'stem van een vaag humaniteits -besef, heeft hem geleid op zijn levensweg. het is leerzaam, uitermate leerzaam de baan van deze planeet aan het tachtiger firmament na te gaan. Van Eeden heeft gezwalkt als een eenzame zwalker op de wijde wateren der onzekerheid, over de donkere golven van de twijfel. In ons artikel over Van Eeden in "Christelijk Letterkundige Studiën" deel IV blz. 1 1 -71 hebben we daarvan o.m. gezegd: "Materialist is hij geweest als ath@ist, doch hij overwint zijn dwaling door een vlucht in mystiek. 't Bhoeddisme lokt hem vleiend; hij kiest de lotus tot embleem, maar zijn ziel is te onrustig voor deze levenshouding. Ifij valt ten prooi aan thesophie en spiritisme, maar verliest de belangstelling ervoor, al eer hij zich van de zaak volledig op de hoogte gesteld heeft. Socialistische tendenzen zijn in zijn werk onmiskenbaar, doch't Marxisme en anarchisme verfoeit hij als dogmatisch en doctrinair. met 't communisme neemt hij de proef, maar als het mis loopt, voert hij 't gezag weer in, en niet in zijn zachtste vorm. Op tal van plaatsen in zijn werk hekelt hij de grofheid en enghartigheid der massa, haar kuddeinstinct en slaafsheid, en hij offert in zijn gang naar de menschheid en haar weedom alles voor haar op. Zijn kritiek richt zich op de geneesheeren, maar al spoedig trekt hij zich terug en laat hun de medicijnen. Als Comelis Paradijs helpt hij mee de dichters der vorige generatie ridiculiseerend onschadelijk te maken, bij de opbouw eener nieuwe kunst treedt hij op als spelbreker. " Immer heeft Van Eerden konsekwent, maar één enkel wet erkend: de wet van eigen innerlijk. Hoe vaak hoort men hem niet over het "inwendig licht". Dit licht volgend heeft hij
gemeend de levensvragen en moeilijkheden aan te kunnen. Maar de uitkomst heeft hem jammerlijk teleur gesteld. "Vroeger genoot ik - aldus hoorden we de dichter spreken in de rede Maart 1922 te Breda gehouden - de vrijheid als de vogelen. Dat was de fout, dichters eigen. Doch deze vrijheid is zelfbedrog. En nu heb ik spijt over de vervlogen jaren. Al die jaren zonder de strenge tucht der kerk". Men moge over v. Eeden's bekeering denken, gelijk men wil, zijn toetreding tot de kerk, die hij in vroeger dagen bespotte en bestreed, trekt in elk geval een streep door dat vroeger leven en - werk, veroordeelt ook de grondgedachten van zijn eerste gave en wonderschoone werk.