Schrijver Durlacher, G.L.

Titel Quarantaine: verhalen

Jaar van uitgave 1993

Bron De Volkskrant

Publicatiedatum 25-06-1993

Recensent Amold Heumakers

Recensietitel Ontstegen aan de dagelijkse misere van het kamp

Een paar jaar geleden verscheen er een interessant boek van de hand van de Franse literatuurwetenschappen Tzvetan Todorov. Het heet Face á l'extréme en bevat het verslag van een onderzoek naar niets nünder dan het morele gedrag van de mens. Als bron gebruikt Todorov de verhalen die de overlevenden van de - Duitse en Russische - concentratiekampen op schrift hebben gesteld. Voor hem is de kampwereld een 'vergrootglas', dat een scherper zicht op de praktische moraal mogelijk maakt dan het alledaagse'beschaafde leven in vredestijd. De voortdurende aanwezigheid van acuut levensgevaar geeft ieders daden een gewicht dat het belang van deze daden duidelijker dan ooit doet uitkomen. Nergens lijkt de pessimistische stelling dat de mens een 'wolf' is voor zijn medemensen overtuigender te zijn bewezen dan in de concentratiekampen. Dat geldt uiteraard voor de beulen, maar in zekere zin ook voor de slachtoffers, die in de mensonterende omstandigheden waarin zij werden geplaatst alleen ten koste van anderen konden overleven. Vandaar de op het eerste gezicht onbegrijpelijke schuldgevoelens waardoor zoveel overlevenden worden gekweld. Wie niet ten onder wilde gaan was door de meedogenloze logica van het kampleven wel gedwongen zich, wanneer het erop aankwam, als een 'wolf te gedragen. Toch blijkt uit de kampliteratuur, aldus Todorov, dat bijna alle overlevenden hun overleven mede te danken hebben aan de onbaatzuchtige steun die zij op een kritiek moment van anderen hebben ontvangen. Todorov wijst op het vitale belang van drie 'alledaagse'deugden (waardigheid, zorg, geestelijke activiteit), die zelfs te n-ádden van de allergrootste verschrikkingen nooit zijn verdwenen. Deugden die, juist omdat ze onder extreme omstandigheden bleken stand te houden, een krachtig argument vonnen tegen de stelling dat de mens in zijn diepste wezen een 'wolf is voor zijn medemensen.

 

 

In Face a l'extreme beroept Todorov zich onder meer op het werk van Primo Levi, Jean Améry, Tadeusz Borowski en Margarette Buber-Neuman G.L. Durlacher komt in zijn relaas niet voor, maar diens oorlogsherinneringen bevestigen Todorovs conclusies eerder dan dat ze deze bestrijden. Ook hij is op kritieke momenten geholpen door medegevangenen, ook hij heeft af en toe troost gevonden bij een geestelijke activiteit, die ogenschijnlijk niet te rijmen valt met de gruwelijke realiteit waardoor hij werd omringd. In zijn recente verhalenbundel Quarantaine brengt Durlacher een even bescheiden als aangrijpende hommage aan die lotgenoten die het kampleven voor hem hoe dan ook hebben verlicht. Aan Otto Gabel, de Duitse emigrant die vóór de bezetting een tijdlang in het gezin Durlacher was opgenomen en die de Durlachers in Westerbork maanden lang van de gevreesde transportlijst wist af te houden. Aan Bennie Bril, die de jonge Gerhard Durlacher heimelijk boksles gaf. Aan dr. Belinfante, die hem in Theresienstadt de eerste beginselen van de wiskunde bijbracht. In een van de meest verbazingwekkende passages van zijn boek beschrijft Durlacher hoe hij in een kelder in het kamp getuige is van een

lezing door een Berlijnse hoogleraar over'het determinisme bij Hegel en Fichte'. Begrijpen doet hij als jonge,n niets van wat er besproken wordt maar wel dringt tot hem door'dat hier een belangrijk man met groot gezag spreekt en dat ik deel uitmaak van iets dat ver boven de dagelijkse misère van het kamp uitstijgt'. Van dezelfde orde is zijn aandoenlijke verliefdheid op een dansmeisje van het kamp-cabaret in Westerbork; waarover in een ander verhaal wordt verteld. Telkens gaat het om ervaringen die althans voor een moment, de werkelijkheid van het kamp ontkennen en een band slaan met de beschaving waaruit de gevangenen door hun vervolgers zijn verdreven. Hoezeer die band is verbroken, blijkt pas goed na de bevrijding, uit de moeilijkheden die Durlacher heeft zich opnieuw in het normale gareel te voegen en - vooral - uit het onbegrip van degenen die de oorlog niet in een kamp hebben doorgebracht. In het laatste verhaal van de bundel (dat begint waar zijn debuut Strepen aan de hemel ophoudt) schrijft Durlacher over zijn terugkeer in het bevrijde Nederland, na 'een reis naar huis, waar geen thuis meer was'. Ook dan zijn het de 'alledaagse' deugden, waarover Todorov het heeft, die maken dat hij zich niet helemaal verloren voelt. Niet iedereen bejegent hem met koude afstandelijkheid en de uren op de middelbare school bezorgen hem nu 'ontspanning en bevrijding van drukkende herinneringen'. Tussen hem, de overlevende van een vernietigingskamp, en zijn klasgenoten blijft niettemin een 'kloof gapen die hij niet weet te overbruggen, hoezeer hij ook zijn best doet. Dat heeft onder andere te maken met het ontbreken van een'taal om de vernedering, de vervuiling, de woede en het verdriet te beschrijven', zoals Durlacher zich realiseert in een gesprek met een behulpzame psychiater. Jaren later is die taal er eigenlijk nog steeds niet. Er blijft altijd een verschil bestaan tussen de afgrijselijke ervaringen van het verleden en de woorden waarmee ze moeten worden weergegeven. Dat is niet in de eerste plaats een literair tekort de taal van de beschaving is per definitie machteloos om dat wat haar zo volledig ontkent in zich op te nemen Door zijn oorlogsherinneringen desondanks op schrift te stellen. weet Durlacher echter wel dat verschil zichtbaar te maken - op een manier, ingehouden en zonder opsmuk, die geen enkele lezer onverschillig kan laten.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1