Serge van Duijnhoven: Dichters dansen niet. Prometheus.
De laatste tijd wordt het weer een beetje leuk in de
Nederlandse letteren. Werden de laatste jaren nog uitgezeten onder
het juk van Mulisch, Hermans en Reve en kon de jonge generatie de weg naar
de roem niet vinden, nu is er een hele lading schrijvers losgebroken die
hun jeugd beleefden in de jaren zeventig.
Joost Zwagerman was jarenlang de jongste schrijver zonder
concurrentie in Nederland. Zijn politiek correcte boekjes en theorietjes
zijn in het voortgezet onderwijs erg populair. Nu nog het boekenweekgeschenk
en Zwagerman mag zich de Maarten 't Hart van de jaren negentig noemen.
Wat ik mis aan die hele generatie die is opgestaan rond de dichtbundel
Maximaal, is durf. Durf om nieuwe wegen te bewandelen in de literatuur.
Gelukkig is er nu ook de Generatie Nix met Giphart die de literatuur ontdoet
van al zijn zwaarheid. En naast Nix is er nog een groep bezig rond het
tijdschrift Millenium, met als centrale man Serge van Duijnhoven.
Serge van Duijnhoven is dichter, maar timmert nu ook
aan de weg als prozaïst, Zijn eerste roman heet Dichters dansen niet.
Ik zal maar meteen zeggen dat ik het niets vind. In het boek kom je veel
te weten over de gebeurtenissen rond een groepje schrijvers die graag bekend
willen worden. Zij richten een tijdschrift op: Millenaar. En dan krijg
je achter elkaar allerlei oninteressante wetenswaardigheden uit het leven
van de hoofdpersoon Mark. Hij rijdt op een fiets door Amsterdam en hemeltergend,
de geliefde fiets wordt gestolen. De dichter moet een nieuwe fiets kopen
van een junk. Gut. Even daarvoor had hij ook al XTC-pillen moeten kopen
bij een junk. Het leven gaat niet over rozen en zeker het dichtersleven
niet. Veel gesodemieter geeft het uitgeven van het eerste uitgave van Millenaar;
en nog meer ellende levert het verkopen ervan op. Poeh. En dan die ernst
die uit het hele boek spreekt. Mag er gelachen worden? Of waren al die
genoemde passages om te lachen en heb ik de stijl waarin het boek geschreven
is niet begrepen?
Hoe had dit boek wel goed kunnen zijn? Van Duijnhoven
schildert het leven van een groep jonge schrijvers. Die beschrijvingen
zijn geënt op de werkelijkheid. Dit boek houdt de schijn van fictie
op. Sommige zaken en personen zijn wel of niet herkenbaar. Had hij maar
een realistisch verslag gegeven van de ellende rond deze groep, of een
cynische kijk erop, maar nee alles dreutelt en keutelt rustig door.
In het boek zitten enkele scènes waarover ik graag
meer had willen lezen. De hoofdpersoon heeft nog verdriet over een minnares
die terug is gegaan naar haar eigen man. Wat er gebeurd is, wordt niet
duidelijk, maar uit wat losse opmerkingen blijkt dat de liefde dieper zat
dan uit het boek blijkt. Een andere passage die me aansprak, ging over
de ouders van Mark. Keurige burgerlijke, katholieke ouders. Als Mark en
zijn vrienden eens midden in de nacht vanuit het zuiden naar huis rijden,
blijkt dat de benzine snel op zal raken. De pompen langs de weg werken
alleen met pasjes, dus neemt Mark een omweg langs het ouderlijk huis om
het pasje van de vader op te halen. Heel even wordt dan het bekrompen milieu
geschetst. De ouders worden met de cynische liefde van iemand die het ouderlijk
huis is ontgroeid, beschreven. Maar ook dat thema wordt al snel weer doorgespoeld
voor de zoveelste party waar de een of andere geschifte kunstenaar zijn
subsidiegeld staat waar te maken. Uitgeverij Prometheus heeft de laatste
jaren veel goede boeken uitgegeven. Uitgever Mai Spijkers schijnt een neus
te hebben voor jong talent, maar dit boek is volgens mij te snel uitgegeven.
Er had nog aan geschaafd moeten worden. Dat is jammer, omdat leuke, nieuwe
dichters en schrijvers wel zorgen voor leven in het zompige moeras van
de vaderlandse letteren.
Coen Peppelenbos