Schrijver Dros, Imme
Titel Odysseus : een man van verhalen
Jaar van uitgave 1994
Bron De Stem
Publicatiedatum 25-11-1994
Recensent Muriël Boll
Recensietitel De zoon van de held : Kinderboeken
Ze bestaan al eeuwenlang, de verhalen van Odysseus. Homeros schreef ze al op in de negende of achtste eeuw voor Christus. Odysseus, de held van het tienjarig beleg van de stad Troje, die door de goden gedwongen werd daarna nog eens tien jaar te zwerven voor hij zijn geliefde Penelopeia in de armen kon sluiten. Toen Odysseus de oorlog in ging, waren hij en zijn vrouw nog jong, hun zoon Telemachos was net geboren. Die zoon is de verbindende figuur in het nieuwste boek van Imme Dros, Odysseus, een man van verhalen. Dross heeft iets met Odysseus, in 1991 verscheen haar vertaling van de Odyssee, in 1988 haar eerste boek over de held: De reizen van de slimme man. Daarin is Niels de moderne uitvoering van Telemachos, een puber die voor het eerst kennis maakt met de liefde en de ernst van het leven. Telemachos kent zijn vader alleen uit verhalen. Verhalen over de wijze koning, de weergaloze strateeg, de man van de duizend listen, de onverschrokken en onstuitbare held, de grootste van allemaal, Odysseus. Het zal je vader maar zijn. Daar kun je nooit tegenop en Telemachos lijkt zich er bij neer te leggen. I£j is een slappe jongeling, die met lede ogen aanziet hoe de honderd vrijers achter zijn moeder en het koninkrijk lthaka aanzitten, zonder dat hij daar iets tegen onderneemt. Dat verandert als hij op zoek gaat naar zijn vader. In het boek komen alle verhalen aan bod, over de Kyklopen, over Agamemnon, over Laërtes, de vader van Odysseus. Ze worden verteld door steeds wisselende personages die je tracteren op schitterende teksten. Want daar gaat het bij Dros altijd om, om de taal. Het is werkelijk een genot om haar zinnen te lezen. Ze zijn zo ritn-dsch datje de woorden vanzelf hardop in je hoofd gaat uitspreken en op dat ritme ga je mee op reis. Je zit naast Telemachos als Mentor voor de zoveelste keer vertelt over de aanleiding voor de Trojaanse oorlog. In de zuilengang hoorje de oude Eurykleia over hem, met de lokken gele krullen als de blaadjes van bloeiende hyacinthen. Verstopt achter fladderende tunica's hoorje de vrijers hun kansen berekenen. Je denkt mee met Athene die Odysseus naar zijn geliefde wil laten terugkeren, maar door een samenzwering tussen Hera en Afrodite in de wielen wordt gereden. (Zeus haal dat stuk zeeschuim weg!) Athene praat laconiek, Afrodite lievig, elke verteller heeft zijn eigen stijl. Door al die verhalen heen loopt de vraag: leeft Odysseus nog of is hij dood? De vissers en zeerovers zingen al 'De koning is dood, maar de zanger Femios blijft vertellen: 'Zing van de man van de duizend listen en van zijn sluwste list die Troje, de stad van de prachtige paarden deed vallen....' Zuivere hexatneters. Pas aan het eind komt Odysseus zelf ten tonele, want daar lijkt dit boek op, op een grandioze toneelvoorstelling, waarbij de lezer in de loge zit. Bij zijn paleis vindt Odysseus zijn oude hond op de mestvaalt. Nog een maal tilt Argos zijn kop op, dan sterft hij. Een kleine, mooie passage. Met Telemachos verslaat Odysseus, vermomd als bedelaar, de honderd vrijers. Het is een meeslepend verhaal, waarin de zinnen korter en feller worden naarmate het gevecht heviger wordt. Als die climax is weggeëbd, wordt de sfeer vredig en zijn de zinnen net kabbelende golijes. Eindelijk is Odysseus thuis, bij Penelopeia. Het commentaar van Athene over
die eerste nacht swnen na twintig jaar luidt: 'Stervelingen zijn zo voorspelbaar, Zeus. Verliefde mensen vrijen een uur en praten een nacht, daar kun je donder op zeggen'. En dan begint Odysseus zelf te vertellen, hij betovert je met zijn woorde@ volgens Athene. Imme Dros ook.