Trouw, 28 juli 2001
Renate Dorrestein maakt het zo erg, dat het niet meer 'verontrustend' is
PETER HENK STEENHUIS
,,Als de lezer een brok in de keel krijgt van mijn werk of zijn nekharen recht overeind voelt staan, dan is hij meestal domweg door mij gemanipuleerd, meer niet. De passage waar hij om huilt, heb ik waarschijnlijk handenwrijvend van genoegen geschreven. Omdat ik zag dat het goed was.'
Dit schrijft Renate Dorrestein in 'Het geheim van de schrijver', haar boek over het schrijven van fictie, dat vorig jaar verscheen. Het is verleidelijk dit werk ter hand te nemen bij de beoordeling van haar nieuwe roman, 'Zonder genade'. Want wat is er mooier dan te achterhalen wat de scheppende god goed vond, welke passages zij handenwrijvend van genoegen heeft geschreven?
Het is Dorresteins overtuiging dat literatuur verontrustend moet zijn, en eigenlijk niets anders kán dan verontrusten. Literatuur gaat altijd over, wat Dorrestein nogal ingewikkeld noemt, 'onze menselijke configuratie'. Onze gesteldheid en onze onderlinge verhoudingen zijn een onuitputtelijke bron van wreedheid, verraad en conflict. Leed dus. ,,Goede fictie', schrijft zij in haar schrijfboek, ,,exploreert altijd ook de nachtzijde van het leven, dat domein waar het oeroude, onverschillige kwaad huist dat inherent is aan de schepping'.
In 'Zonder Genade' geen gebrek aan dat oeroude, onverschillige kwaad. De roman is gebaseerd op een daad van zinloos geweld -de klacht dat de Nederlandse literatuur te weinig straatrumoer zou bevatten, is met de verschijning van deze roman voorlopig weer even verstomd. Toch is de moord die in het boek gepleegd wordt uiteindelijk bijzaak, hij wordt even terloops beschreven als hij gepleegd wordt. 'Zonder genade' is het verhaal over de onmogelijkheid van een echtpaar het verlies van een kind te verwerken.
Dorrestein beseft dat dit gegeven pas echt dramatisch is bij een idyllisch gezinsleven. Daarom geeft zij de lezer geen kans te denken dat deze moord een huwelijk doet exploderen dat sowieso aan barrels was gegaan, en begint zij 'Zonder genade' met een scène die elke vader moet doen krimpen van geluk en herkenning. ,,Het was zondagochtend, zeven uur. Zelfs geblinddoekt wist je dat buiten de tuin in volle bloei stond en dat het zonlicht nu al vonkte in de velgen van het kinderfietsje dat in het gras was neergesmeten, naast een omgekeerde emmer en een tennisbal. Het was hoogzomer. Er hing die speciale stilte die zich alleen maar voordoet als vrijwel alle volwassenen nog slapen.'
Alleen jonge ouders slapen niet meer, kinderen zijn altijd vroeg wakker. Zo ook Phinus Vermeer en zijn zoon Jem. Zij spelen een van de talloze spelletjes die ze in hun leven nog zullen spelen. ,,Met een klap belandden er twee glazen op tafel, en Phinus draaide zijn gezicht in de richting waar hij Jem vermoedde. Hij vroeg: 'Heb je onthouden wat je in welk glas hebt gedaan?'
'Ja, Cola in Bert en Pepsi in Ernie.'
'Okay, ik zit klaar.' Hij strekte zijn rechterhand uit. Enthousiast wordend dronk hij beurtelings uit beide glazen. Zoeter? Minder zoet? Het smaakverschil was miniem. Het onderscheid zat 'm vooral in de prik. 'Ha!', zei hij. 'Zal ik jou eens wat vertellen?' Hij ging rechtop zitten. 'Deze bubbel is de pittigste. Explosief maar toch ook strak, een bubbel met persoonlijkheid, gedistingeerd en goed gedefinieerd, daar is over nagedacht. Terwijl deze' -hij vond het andere glas- 'veel muffer is, een uitgebluste ouwelullenbubbel zonder sex-appeal. Jem, m'n jongen: ik zet er alles op dat de eerste Cola is en de tweede Pepsi.'
'O! Je hebt stiekem gekeken!' Jem wierp zich met roffelende vuisten op hem.'
Het begin van 'Zonder genade' speelt zich af in het paradijs, zoveel is zeker, en net zo zeker is dat we er samen met de personages uit worden verdreven. ,,Fictie ontwapent', schrijft Dorrestein in 'Het geheim van de schrijver'. Juist. Na deze ontwapende scène komt de klap van het noodlot harder aan. Het beschreven spelletje blijkt namelijk een herinnering, opgeroepen door een passerende Coca-Cola-truck. ,,De wereld is een mijnenveld geworden: herinneringen liggen overal in de hinderlaag, klaar om te voorschijn te springen. Zijn handen verkrampen zich om het stuur.' Het noodlot heeft toegeslagen, hoe en wanneer zijn van later zorg. Belangrijker is wat de familie Vermeer rest, nadat Jem uit hun leven is weggerukt? ,,Waar is de plot van het bestaan geleven?' Gaandeweg het boek komt het mijnenveld van het verleden bloot te liggen, en wordt duidelijk dat Phinus Vermeer en zijn vrouw Franka er een weekendje uit zijn, in de hoop hun vastgelopen relatie vlot te trekken. Een zinloze, wanhopige onderneming, zoals eigenlijk al hun handelingen na de dood van hun zoon gebaseerd zijn op wanhoop, alleen uiten ze die beiden verschillend.
Vanaf het ogenblik dat Phinus en Franka het politiebureau verlaten, ergens vroeg in een ochtend 'van de nacht die geen einde kende' accepteert de moeder de dood van haar zoon -voorzover je zoiets ooit kunt accepteren natuurlijk: ,,Wat ondragelijk was zou dat dus altijd blijven, want hoe kon de helende werking van de tijd haar beslag krijgen als de tijd zelf de zaak saboteerde?'
Beter is misschien te zeggen dat het Franka vanaf het allereerste ogenblik lukt onder ogen te zien wat er gebeurd is. Teruglopend naar huis ruikt ze de naderende herfst, ,,het eerste seizoen dat ze het zonder Jem zou moeten stellen, zonder zijn uitgeholde pompoenen, zijn zakken vol kastanjes, zijn paddestoelendrift'.
Haar man aanvaardt niets. Hij weigert zijn emoties te tonen en bijt zich vast in de jacht op de dader. En als die gevonden is, stort hij zich op de rechtsgang: vanzelfsprekend wordt het stuk geteisem veel te licht gestraft. Hun tegengestelde en onverenigbare houding ten opzichte van hun zoons dood komt tot een finale uitbarsting op de dag dat de grafsteen is geplaatst. Het waxinelichtje dat Franka op de marmeren plaat zet, waait onmiddellijk uit. ,,Ze stonden een paar ogenblikken in stilte.
'Maar die steen is wel mooi, hè. En als we nou aan het hoofd hortensia's planten en we laten de rest overwoekeren door bodembedekkers, maagdenpalm misschien, of voor mijn part een wilde aardbei...'
'Wou je hier iedere week gaan tuinieren, dan?'
'Ja, ik denk dat ik dat wel fijn vind.'
Hij kuchte even. Laat ik dan maar meteen zeggen dat ik zelf niet zo'n grafzitter ben. Ik heb er niks mee.'
Tot dit ogenblik toe leek in de wanhoop nog een sprankje hoop te schuilen, leek in de vele ruzies het onstuitbare verlangen te horen troost te vinden bij de enige met wie de smart werkelijk gedeeld zou moeten worden. Maar deze botte reactie maakt duidelijk dat Jems dood geen genade kent, en dat ondeelbare smart dubbele smart is.
Om in zulke ellende terecht te komen, moest de familie Vermeer uit het paradijs worden verdreven. Maar helaas laat Dorrestein het hier niet bij. Het leven van de Vermeers is nog absurder, verschrikkelijker dan tot nu toe geschetst. Baarmoederhalskanker, abortus, overspel en geweldpleging -alles komt in 'Zonder genade' aan bod. En waarom? Was de hel nog niet zwart genoeg?
In 'Het geheim van de schrijver' vertelt Dorrestein een anekdote over een appelboor die ze door een moeder in de vagina van haar dochtertje laat duwen, omdat de baby door de duivel bezeten zou zijn. Redacteurs, briefschrijvers, lezers, journalisten, telkens opnieuw vroeg men Dorrestein of die appelboor nu echt nodig was geweest. Ja, meent de schrijfster: ,,Het is mijn overtuiging dat literatuur verontrustend moet zijn, en in feite niets anders kan dan verontrusten.'
Ik heb me afgevraagd of de storende opeenstapeling van ellende in haar nieuwste roman vergelijkbaar is met de appelboor uit 'Een hart van steen'. De appelboor was een schrijnend detail dat in een keer duidelijk maakte hoever de moeder heen was. In 'Zonder genade' is iets anders aan de hand. De nachtzijde van het bestaan en de onverschilligheid van het kwaad zijn met de dood van Jem al duidelijk genoeg. Er is geen gebeurtenis die dat kwaad kan evenaren, laat staan versterken. Daarom zou 'Zonder genade' waarschijnlijk ontroerender zijn geweest wanneer de ellende niet tot in het absurde was doorgedreven. Het kleine, machtige gegeven van een echtpaar dat zijn kind verliest, boet met elke toegevoegde gebeurtenis aan kracht in. En wordt daarmee minder verontrustend.
,,Fictie is de toegangspoort tot de emotie.' Ook dat heeft Dorrestein zelf gezegd. In 'Zonder genade' geeft ze hiervan een krachtige demonstratie. Maar ze lijkt niet te beseffen dat de emotie wegsijpelt wanneer de schepper deze poort te wijd openzet.