Schrijversgeheimen van Renate Dorrestein
PROZA. Popidool van de intelligentsia
Jeroen Vullings
17/02/2000
Zo'n 300.000 Nederlanders hopen ooit hun pennenvruchten uit te geven. Renate Dorrestein steekt hen alvast een handje toe met Het geheim van de schrijver . Dat er veel belangstelling voor het boek bestaat, bleek al toen het begin deze maand twee dagen integraal op Internet te lezen was. 35.000 mensen surften naar de nieuwe Dorrestein. De eerste druk (20.000 exemplaren) ging de dag nadien bijna volledig de deur uit.
Wie een blik op de CPNB-Top-100 van best verkochte Nederlandstalige boeken werpt, ziet meteen dat nadrukkelijk literaire auteurs nauwelijks deel uitmaken van het huidige literaire landschap. Naast de autobiografische literatuur is vooral de popular fiction van de Karels Glastra van Loon, de Anna's Enquist, de Paulines Slot, de Kezen van Beijnum mateloos geliefd. Een genre dat vroeger te boek stond als a good read , maar dat ik na lezing van Renate Dorresteins excellente handboek voor beginnende schrijvers Het geheim van de schrijver liever ,,workshopproza'' noem. Schrijven volgens door anderen opgestelde regeltjes.
Het workshopproza rukt op. De uitslag van een recente enquête wees uit dat een miljoen Nederlanders in hun vrije tijd een poging wagen literatuur te schrijven. Ongeveer eenderde van hen, pakweg driehonderdduizend mensen, wil die laten uitgeven. Zelf schrijver worden kán volgens Dorrestein. Zij bepleit het nut van ,,schrijfonderricht'' en geeft inzage in de totstandkoming van haar favoriete genre: de strikt fictionele, Angelsaksisch georiënteerde, traditioneel-realistische, verhalende roman ,,met een kop en een staart''.
Dorrestein verhult niet dat Het geheim van de schrijver een subjectief boek is. Ze is vóór onversneden fictie. ,,Door fictie te schrijven wilde ik me bevrijden van de ketenen van het alledaagse.'' Ze is tégen autobiografische romans. ,,Want het autobiografische geschrijf dat onder de valse vlag van de fictie vaart, vervuilt het territorium van de roman.''
Ze is stellig en somtijds belerend in haar tips. ,,Mijd het moeras van het midden,'' zegt ze tegen de beginnende romanschrijver. ,,Het open einde is een vluchtroute voor schrijvers die hun geduld met het verhaal hebben verloren. Of die niet kunnen achterhalen wat het wil zeggen. Misschien ook denken ze dat het verspreiden van rookwolken een artistieke noodzaak is.'' ,,Vorm is de mal of het stramien die het verhaal de grootste overtuigingskracht geeft.'' ,,Wie schrijft als een oliebol, zal nooit smaken als een slok champagne. Men verwelkome slechts die verhalen die de stem van de vertolker kunnen verdragen; men wage zich niet aan de rest.''
Dorrestein heeft ontegenzeglijk veel verstand van zaken en ze geeft niet alleen een herkenbaar kijkje in de eigen schrijverskeuken. Al die populaire workshopauteurs blijken volgens haar beginselen te werken: het conflict als ,,basispremisse'' van fictie, de nadruk op de gevoelsmatige lading, het oproepen van spanning, de aandacht voor het verhaal. Niet voor niets zei Kees van Beijnum onlangs in NRC Handelsblad : ,,Ik voel mij eerst en vooral een vakman, geen kunstenaar.'' Dat vakmanschap is bij de gemiddelde schrijver inderdaad toegenomen in vergelijking met tien jaar geleden. De vraag bij zoveel geëtaleerd vakmanschap is nu waarom dat niet meer oplevert dan keurig, goedverzorgd, vlot leesbaar, maar volstrekt vergetenswaardig, voornamelijk op het onderwerp betrokken proza. Als je zo'n boek uit hebt, heb je het ook écht uit.
Was het vroeger zoveel beter? Ja. Tien jaar geleden kreeg Louis Ferron tenslotte nog de AKO-literatuurprijs voor zijn doorwrochte, postmoderne, historisch verankerde roman Karelische nachten . Wel even wat anders dan het efemere relatiegetut in De passievrucht . Waar komt die verschuiving in voorkeur vandaan?
Allereerst van de consument. ,,Goede fictie exploreert altijd ook de nachtzijde van het bestaan, dat domein waar het oeroude, onverschillige kwaad huist dat inherent is aan de schepping,'' zegt Dorrestein terecht. Maar veel lezers consumeren nu eenmaal liever geruststellend dan verontrustend proza, ook al zien ze daarbij af van wat de literatuur a fortiori te bieden heeft. En áls de suggestie aanwezig is dat zulk workshopproza over de belangrijke vragen gaat, gebeurt dit zonder de ondermijnende consequenties te aanvaarden. De literatuur dient het Kwaad een stem te geven, schreef Georges Bataille al. De kern van het creatieve proces is volgens Dorrestein dan ook ,,het vermogen om glimpen van andere werelden te laten zien, werelden waarvan de schrijver zelf vaak niet eens weet heeft''.
Mooi gezegd en zeer waar, maar het workshopproza concentreert zich juist op het gewone en vertrouwde, laat het particuliere prevaleren boven het universele, het conventionele boven het subversieve, is in alle opzichten drempelloos in plaats van weerbarstig. En weerbarstigheid is noodzakelijk om een andere wereld te betreden. Een fietstocht door een exotisch continent is niet genoeg om die andere wereld te kunnen smaken. De verhoopte bestemming ligt buiten je voorstellingsvermogen en zintuigelijke ervaringen, al is het decor de eigen straat.
Piet Meeuse schrijft in zijn essaybundel Oud nieuws : ,,De literaire cultus is niet meer een cultuur van verhalenvertellers die zich dienstbaar maken aan een verhaal, maar van schrijvers die het verhaal dienstbaar hebben gemaakt aan hun eigen verlangen om gehoord (dat wil zeggen: gelezen) te worden.'' Dorrestein schrijft dat tot het begin van de jaren tachtig geen mens maalde om debutanten. ,,Je vestigde je naam door gestaag te werken, en verder geen flauwekul.'' Tegenwoordig echter ervaart ze de literatuur als ,,culturele showbusiness, en de schrijver het popidool van de intelligentsia''. Meeuse en Dorrestein doelen op hetzelfde: het verhaal is een middel ter zelfvergroting van de schrijver. Schrijver-zijn is glamoureus. Het schrijven zelf een lastige bijkomstigheid. En als het de drive van zo'n schrijver is om schrijver te zijn, zal hij een verhaal vertellen waarmee hij de grootste erkenning (hier: de meeste lezers) hoopt te krijgen: workshopproza.
Uitgevers lijken onderscheid te maken tussen twee soorten schrijvers. Eerst het genie dat gemasseerd en niet gepousseerd dient te worden. Voor mijn part laat je hem acht jaar broeden. Bij zo iemand kom je niet aan met het verzoek een romannetje over het verlies van een dierbaar familielid of de aderverkalking van een huisdier te produceren. Dat valt wel te proberen bij de tweede groep: de schrijvers die als mindere, maar vakbekwame goden worden gezien. Zij zijn de kassarinkelaars, de maximale winst-beurders die populaire boeken moeten (of willen) schrijven, liefst een roman per jaar. En als dat lukt, zal geen kiene uitgever zeggen: toe, Moses, schrijf eens een meesterwerk! Concipieer nu eens haute couture in plaats van prêt-á-porter, trek er gerust tien jaar voor uit.
De pseudo-literatuur geniet immens succes bij het lezerspubliek, soit. De kwaliteitsliteratuur blijft als vanouds gereserveerd voor de fijnproevers. Dan spreek ik niet alleen over fijnproevende lezers, maar ook over gelijkgerichte schrijvers. Wie zijn dat? Dorrestein besluit haar intelligente literaire autobiografie Het geheim van de schrijver met een relativerende opmerking: ,,In feite is er maar één regel, en die luidt dat er geen regels zijn.'' De virtuozen onder het schrijversvolk staan boven de wet, omdat echte kunst per definitie de regels overschrijdt. Zij mogen de workshopbeginselen dus aan hun bottines lappen. Een onvermijdelijke vraag is natuurlijk of Dorrestein zelf behoort tot dat keurkorps van virtuozen. Zelf stelt ze zich met betrekking tot haar schrijfpraktijk nogal bescheiden op in haar zo goed gedocumenteerde, erudiete handboek. Het blijft een kwestie van hard werken, tenslotte.
Toch geeft ze expliciet een voorbeeld van een eigenzinnig besluit waarmee ze niet alleen haar uitgever en redacteur, maar ook een fors deel van haar lezers tegen de haren instreek. In haar laatste roman Een hart van steen (1998) beschrijft ze hoe een gestoorde moeder een appelboor in de vagina van haar baby inbrengt. Geen fris tafereeltje, maar wél verontrustend en een indringende illustratie van het alledaagse, verborgen kwaad, beweert ze. Dat is waar, maar zulk plastisch beschreven kwaad is slechts effectief in het veroorzaken van een schokeffect bij de lezer. Een kwestie van techniek dus. Waarlijk verontrustend wordt het pas als degene die kwaad begaat dat willens en wetens doet. Als hij zich bewust is van de grensoverschrijdende stap die hij zet. Dat Dorrestein het dagelijks leven benut als gruwelreservoir is prima, zolang ze haar kwaadplegende personages maar de intelligente demonie geeft van een Heathcliff.
En juist daarin schiet ze tekort. In de literaire thriller Een sterke man (1993) bijvoorbeeld spant een boos jongetje een draad waarover zijn tirannieke vader een doodsmak maakt. De levens van haar personages worden niet zelden gestuurd door toevalligheden en misverstanden; zelf lijken ze daar geen schuld aan te hebben. In Een hart van steen wordt het kinderrijke gezin Van Bemmel in het begin van de jaren zeventig de dupe van moeder Margjes extreme postnatale depressie, een kraamvrouwenpsychose. Dat boek lijkt enige tijd die onbegrijpelijke psychische motieven wat minder duister te willen maken, met name door het accent op de blinde liefde van de echtgenoot voor zijn labiele vrouw. Maar wat uiteindelijk toch rest is de - literair gezien teleurstellende, want eendimensionale - medische verklaring: de postnatale depressie in haar ergste vorm.
De gevierde denker Johan Cruijff zei ooit: ,,Het gemiddelde van een ploeg wordt door de zwakste speler bepaald.'' Zo is het ook met een literair oeuvre. Ook al heeft Dorrestein romans als Ontaarde moeders en vooral Verborgen gebreken op haar naam staan, haar proza behoort niet tot de literaire top. Nochtans zal ze zich nooit aan workshopproza bezondigen. Daarvoor weet ze veel te goed wat ze doet.
RENATE DORRESTEIN, Het geheim van de schrijver , Contact, Amsterdam, 246 blz., 660 fr.