Dodende liefde
Oppervlakkig gepsychologiseer van Renate Dorrestein
Lieve De Boeck
,,EEN DAME IS altijd de architect van haar eigen bestaan en laat zich nooit de troffel uit handen slaan'', schreef de Nederlandse Renate Dorrestein in Voor alles een dame (1989). Een kleine tien jaar later is de schrijfster tot andere en bescheidener inzichten gekomen. Ze is daarbij heel zeker ook beïnvloed door haar ziekte ME (myalgische encephalomyelitis).
In het tijdschrift Opzij van februari 1998 vertelt ze aan interviewster Liddie Austin: ,,Ik heb nu niets meer in de hand en dat is alleen maar heerlijk. Ik ben niet overal zelf verantwoordelijk voor, het is niet mijn schuld als er iets misgaat en ook niet mijn verdienste als er iets lukt. Het is allemaal mazzel en pech.'' Ook zou haar blik verschoven zijn van machtsverschillen tussen mannen en vrouwen naar die tussen ouders en kinderen. Dat laatste bleek in ieder geval al duidelijk uit haar vorige roman uit 1996, Verborgen gebreken. Het thema van de sterkere die de zwakkere onderdrukt of op zijn minst afhankelijk maakt, is onverslijtbaar en kan op micro- of macro-niveau worden uitgewerkt.
Renate Dorrestein kiest in haar nieuwste roman Een hart van steen voor het kleinschalige, het gezin, maar de gebeurtenissen in deze aanvankelijk idyllische familie nemen gigantische en tragische proporties aan. Bovendien zijn ze onbetwistbaar ontleend aan actuele gruwelen zoals kindermoord.
Van meet af wordt de lezer de illusie ontnomen dat hij een literaire thriller voor zich heeft. Hij wordt al vlug geconfronteerd met de volle toedracht van de misdaad. Ellen, het hoofdpersonage, keert na vijfentwintig jaar terug naar het ouderlijk huis waar zich eertijds een tragedie heeft afgespeeld: samen met haar jongere broertje overleefde ze een verbijsterende familiemoord.
Haar moeder kreeg na de bevalling van een vijfde kind, een meisje, een postnatale depressie. Margje, de moeder, begint bovendien aan religieuze wanen te lijden. ,,Ze lag op haar knieën, verlamd door het besef dat God en het kwaad een en dezelfde instantie moesten zijn. En dat zij, door zich Zijn plaats toe te eigenen, medeplichtig was geworden: zij was de Derde in de Onheilige Drie-eenheid die verderf zaaide en met steeds langere tentakels om zich heen greep.''
Wanneer de moeder eventjes beseft dat, wanneer ze iedereen - zichzelf incluis - om het leven brengt, ze nooit de vreugde zal kennen haar kinderen te zien opgroeien, denkt ze geheel in de logica van haar religieuze waan: ,,O, wat was de liefde oneindig bezitterig. Wat was het offer van hun aardse levens in vergelijking met de stralende eeuwigheid die hun daarna wachtte?''
Volslagen krankzinnig, maar toch door de nobelste, altruïstische motieven bezield, moordt ze het hele gezin uit.
Ellen, het derde kind, kan toevallig ontsnappen en redt op het nippertje haar jongste broertje. Zij worden na de ramp ondergebracht in een ,,progressief' (met hasj en Palestijnse sjaals typeert Dorrestein de jaren zeventig) tehuis voor kinderen. Het broertje wordt later geadopteerd, krijgt een andere naam en verdwijnt uit het leven van Ellen.
IN plaats van een weerzinwekkende tragedie met weerloze slachtoffers neer te zetten, koos Dorrestein voor een soort psychologische ontwikkelingsroman, het verwerken van een trauma en het doorlopen van een rouwproces. Zeker met de gegeven feiten kon dat een fascinerend portret van een overlevende worden. Maar helaas beschikt Dorrestein niet over het noodzakelijke vlijmscherpe psychische inzicht noch over de stilistische kracht om het geestelijk gevecht van Ellen met schuldgevoelens, boosheid en ontreddering weer te geven.
Het meisje verwerkt voor een deel haar trauma door haar oudere broer en zus, Billie en Kes, alsook haar liefde voor hen in haar hoofd te laten voortbestaan. Ellen dissocieert als het ware een beetje, maar niet helemaal omdat ze zich ondertussen toch ook bewust blijft van zichzelf; de twee anderen geven wel voortdurend commentaar en zetten haar aan om bepaalde dingen te doen.
Dat gebeurt allemaal braafjes volgens de regels van een eenvoudig handboek voor psychiatrie. Door het lot getart en door het daaruitvolgende gebrek aan liefde zoekt zij, in naam van haar oudere zus Billie, voortdurend soelaas in de armen van vreemden. Tot echte liefde lijkt ze niet meer in staat.
Tijdens haar puberteit probeert ze de volledige toegang tot haar geheugen te herwinnen, maar die blijft voor een tijdje gesloten. Ze loopt een hoop psychiaters af, en zo kan Dorrestein via haar personage wat al te goedkope kritiek op deze gilde van zielzorgers ventileren. Gefundeerde en genuanceerde bedenkingen zouden een verademing hebben betekend. Maar Dorrestein wou te veel boodschappen en simplistische psychologische waarheden in dit boek stoppen, alles wordt daardoor ook te vlug afgehaspeld en de lezer wordt geen moment van meevoelen gegund.
DORRESTEIN zou Dorrestein niet zijn zonder tussendoor ook niet nog wat kritiek op de afhankelijke vrouw of de hanige man te spuien: ,,Ze hebben altijd een boot of een Harley, of ze doen aan duursporten. En tegenwoordig moet je vaak ook heel wat digitale verhalen aanhoren.''
Dergelijke zouteloze observaties vallen in het niet in vergelijking met haar spitse, ironische observaties in, bijvoorbeeld, Voor alles een dame.
Voor Ellen begint de catharsis wanneer ze tijdens haar studies voor arts in één van haar cursussen met het ziektebeeld van haar moeder wordt geconfronteerd: ,,kraamvrouwenkoorts'' heette het vroeger en nu ,,postnatale psychose'', door het simpele toedienen van progesteron kan de ziekte worden genezen.
De gedachte dat haar moeder destijds had kunnen worden geholpen en het drama vermeden, is revolterend. Maar tegelijkertijd betekent voor Ellen het benoemen van iets ook transparantie, inzicht en dus ook controleerbaarheid. Dat is één van de mooie gedachten uit dit boek.
Paradoxaal genoeg ontsnapte ze zelf aan de dood omdat ze op het bewuste tijdstip simpelweg over het hoofd werd gezien, niet werd genoemd als het ware. In ieder geval beseft ze nu dat haar moeder louter en alleen uit liefde heeft gehandeld.
Als ze vijfentwintig jaar later ook haar vader kan vergeven omdat ze inziet dat hij geen mede-dader maar ook een slachtoffer was, kan haar genezingsproces zich voltooien. Op dat moment, in het huis van de misdaad dat ook de plaats van het harmonieuze geluk vóór het drama was, kan ze eindelijk de schimmen uit haar jeugd verjagen en aan de toekomst (ze is een eind in de dertig en hoogzwanger) beginnen te denken.
Ze duldt daarbij alleen de vriendschap van een man die het ongeluk destijds van dichtbij heeft meegemaakt, de biologische vader van haar kind is nergens te bekennen. Het huis zal ze verlaten: het heeft zijn zuiverende rol gespeeld.
HET is doodjammer dat dit boek in een embryonaal stadium is blijven steken, met te veel eenduidige symboliek (Ellen wordt bijvoorbeeld patholoog-anatoom, 'arts voor de doden' ), te weinig originaliteit, te veel psychologische bla-bla.
Dorrestein heeft misschien wel interesse voor de donkere kanten van een getraumatiseerde, dwalende geest, maar ze schrikt er blijkbaar voor terug zelf een stap in die duisternis te zetten. En dat alles zou gewoon een kwestie van ,,mazzel of pech'' zijn, ik geloof er niks van. Ze heeft immers al bewezen dat ze rebels, grappig, controversieel kan zijn en dat ze indien nodig, over een tomeloze fantasie beschikt.
Waarom heeft ze voor dit boek niet weer het heft in eigen handen genomen? Zelf beweert ze: ,,Dit boek moest geschreven worden en koos mij daarvoor uit.''. Ze had bij de ontvangst van dat cadeau toch een beetje kieskeuriger mogen zijn, want wat ze aan de naakte, tragische feiten heeft toegevoegd, is eigenlijk ook meer dood dan levend.
RENATE DORRESTEIN, Een hart van steen, Contact, Amsterdam, 248 blz., geb. 900 fr., pap. 700 fr.