Schrijver Dorrestein, Renate
Titel Buitenstaanders
Jaar van uitgave
1983Bron Trouw
Publicatiedatum 15-12-1983
Recensent Rob Schouten
Recensietitel Slachtoffers van illusie en werkelijkheid
In hun debuten "Buitenstaander" en "De meisjes van de suikerwerkfabriek " komen de schrijfsters, respectievelijk Renate Dorrestein en Tessa de Loo, tot heel uiteenlopende resultaten. Dorrestein pakt het fantasfisch aan en beschrijft de ingewikkelde droom-werkelijkheid problematiek, Tessa de Loo houdt het eenvoudiger, realistisch, maar beschikt over een uitgebalanceerde stijl.
Wil iets zich zelf zijn dan moet het zich van al het andere onderscheiden. Dat geldt voor alle concrete en abstracte zaken behalve de werkelijkheid. Buiten de werkelijkheid immers bestaat niets, zij is inclusief alles. Als iemand bij voorbeeld een verschil maakt tussen werkelijkheid en droom hanteert hij een beperkt werkelijkheidsbegrip . Zijn werkelijkheid moet tussen aanhalingstekens. Een droom is net zo reëel voor degene die haar meemaakt als de alledaagse realiteit.
Doorschietende liften, vliegpartijen boven zonnige weiden, Ideine deurtjes waarje niet doorheen kunt, geschiedenistentamens met uitsluitend wiskunde-opgaven, kamers die almaar veranderen, wie het in z'n droom meemaakt gelooft er heilig in. Juist door het kennelijk bestaan van een droomwerkelijkheid kun je flink aan het twijfelen slaan over de aard van de realiteit.
Msschien was onze overgedirnensioneerde droom van vannacht wel de werkefijkheid en is het moment dat zij die mogelijkheid beseffen wel de droom. Een eeuwig en onoplosbaar dfiemma, voortkomend uit het feit dat we in de realiteit automatisch verschillende gradaties onderscheiden, ten bate van onze zielerust. Wie dat niet doet en droom- en alledaagse werkelijkheid door elkaar haspelt loopt in een van beide met molentjes.
Kunst en meer in het bijzonder literatuur is een van de middelen om het ondoorgrondelijk mysterieuze verschil tussen droom en'werkelijkheid'te overbruggen. Wie een boek leest verplaatst zich hoe dan ook in een andere wereld met nieuwe, exclusieve wetten en regels. Er bestaat geen fiteratuur die de werkelijkheid totaal kan beschrijven, daartoe ontbreekt haar de tijd. Literatuur is in alle doseringen altijd een samenvatting, een uittreksel van iets 'werkefijks' en ligt daarom dichter bij wat wij overdag 'droord noemen, fictie, dan bij wat we voor en na het lezen bewust ervaren.
Het weemde is nu dat juist fiteraire fictie sterk aandringt op een kader van werkelijkheid, op zingeving. Zelfs in de meest fantastische boeken, bij voorbeeld Maldorors Zangen van Lautréamont of Archibald Strohalm van Mulisch, zoekt de lezer naar aanknopingspunten en boodschappen. Dat is soms een hele toer, en naarmate een boek zich verder van de gemeenschappelijk gedeelde werkelijkheid verwijdert, loopt de schrijver meer kans om onbegrepen te bfijven.In de ogen van veel lezers is het een voordeel als een schrijver zo plausibel mogelijk schrijft, dan ontstaat binnen de droom die literatuur is temninste geen kortsluiting: we verbeelden ons dat het echt waar en de moeite waard is. Van fictie die tot de laatste snik uitsluitend fictie lijkt kun je zelfs in paniek raken omdat zij het bestaan van de onwerkelijkheid suggereert en dat doet zelfs een echte droom niet.
In haar debuutroman "buitenstaanders " speelt de joumafiste Renate Dorrestein met het vuur van onze werkelijkheidswaameming . Wie heeft er gelijk, de waanzinnige dromer of de nuchtere realist? Op grond van beider uitspraken kun je geen gevolgtrekkingen maken; net als de realist denkt de oprechte gek dat hij doodnormaal is.
De objectieve toeschouwer is gedwongen om tussen twee soorten werkelijkheid te kiezen.
"Buitenstaanders" is een boek datje met je neus op de principiële partijdigheid van die keuze drukt; de'werkelijkheid'waarje voor optee@ is altijd beperkt en strijdig met de alomvattende werkelijkheid, die het tegendeel niet uitsluit.
Neem 'De avonden' van Van het Reve. Dat boek begint met het ontwaken van de hoofdpersoon en eindigt met zijn in slaap vallen. De vraag is nu: hoe waar is wat er tussendoor gebeurt? Door de slaap als polen te nemen wordt de rest discutabel, het kan zowel droom en werkelijkheid zijn, beide immers hebben evenveel werkelijkheidsillusie . Iets dergelijks geldt ook voor 'Buitenstaanders'.
Het boek begint met een auto-ongeluk van het gezinnetje Max, Laurie en twee naamloze jongetjes, het eindigt met het bijkomen van Laurie. Er zijn geen feitelijke bewijzen, alleen maar suggesties, dat wat er tussendoor gebeurt Laurie's droom is. Dus moet ze ten slotte kiezen. In de slotregels wordt het onoplosbare probleem onderkend: 'Koos ze voor het vasthouden aan de echtheid van haar bestaan, dan had ook haar nachtmerde werkelijk plaatsgevonden. Koos ze voor het fictief verklaren van haar herinnering aan de macht, dan verklaarde ze haar hele leven tot een loze illusie.'Plomp gezegd is in dit soort boeken sprake van een scluijverstruc, je geeft je hoofdpersoon een klap op z'n kop en alles wat er volgt komt er op losse schroeven te staan. Wat de uiteindelijke zingeving van Buitenstaanders bemoeflijkt , is dat Lauries "nachtmerrie" hetzelfde dilemma oplevert als haar "werkelijkheid ". Na het ongeluk vergezellen de vier passagiers in een vreemde leefgemeenschap die volkomen knots lijkt te zijn. Agrippina een soort vampier, haar zoon Lupo een van kalenderspreuken aan elkaar hangende liefdesbiievencomponist , de tweeling Ebbe en Biba vriendelijk gestoorde meisjes, Manie een mongooltje en Wibbe een zwaar malende knecht.
Van deze zes denken de eerste vijf dat alleen Wibbe getikt is, maar Wibbe weet beter. Ffij is de psychiater die in de dependance van een inrichting wat veldwerk verricht en voor de vorm een beetje gek mee doet. Max schenkt (binnen deze "nachtmerrie") geloof aan Wibbe, Laurie aan Lupo & Co. Als dit alles als een droom is, dan één die een probleem uit de alledaagse werkelijkheid vertolkt: wat is waan en wat is waar?
De macht van de schrijfster in deze complexe vertelwereid is groot door háár voorstelling van zaken is het niet meer uit te maken wie er in het verhaal nu wel en niet krankzinnig zijn en aan wie men geloof kan hechten.
BORGESIAANS
De idee waarop Buitenstaanders is gebaseerd, is niet alleen van psychiatrische maar ook van literaire aard. Wat stelt een wereld van woorden en uitspraken precies voor'.? Welke woordvoerder moeten we geloven? Het fascinerende van Dorresteins verhaalopzet is dat ze met de toerekeningsvatbaarheid van haar voorstelling speelt. Maar dat is dan wel een conclusie achteraf, want de waarheid is dat het Borgesiaans ingewikkeld verhaal zo jofig is gestileerd dat het effect van het probleem deels weer teloorgaat.
Door te chargeren en te ironiseren weet Renate Dorrestein het wat teleurstellende Revoel bii de lezer te bewerkstelligen, dat je haar thema van desintegratie maar niet al te serieus moet nemen, bij voorbeeld in de volgende passage: "Razendsnel liet ze zich op haar zuster vallen en greep haar in haar oksels. Ebbes hoofd werd vloeibaar en onder Biba's opdringende hitte begon haar fichaam eveneens te smelten. Ook Biba zou spoedig in losse stukken uiteen vallen, haar voorhoofd en haar wangen dropen al in haar hals en haar handen glibberden weg. "Nu je oren nog", ademde ze. Ze schoof haar kloppende vortneloosheid over de plas die eens Ebbe was en haar armen en benen omknellende, blies ze scherp in haar oor."
Het gevolg van deze stijl is dat de intrigerende waarnenfingsspiraal voortdurend in zeepbellen uiteenspat. Vrolijk en superieur neigt Dorrestein naar het publiek, dat eigenlijk voor een apocalyps is gekomen.
Ik tenn-finste had graag gezien dat Lauries "nachtmerrie" me bij de keel had gegrepen. Het onderwerp geeft er alle aanleiding toe. In Dorresteins vertolking lijkt het me meer een klucht. Niettemin, het ontbreekt deze schrijfster in haar debuut bepaald niet aan de durf van de verbeelding.
TREFZEKER
Voor een andere debutante, Tessa de Loo, geldt precies het omgekeerde. Haar De meisjes van de suikerwerkfabriek bestaat uit zes realistische verhalen, dat wü zeggen fictie die sterk aan een voor de hand liggende werkelijkheid beantwoordt. Hoewel haar onderwerpen binnen de Nederlandse fiteraire traditie niet erg uitdagend zijn - in alle verhalen staat een conflict tussen een enkeling en de buitenwereld op het programma - heft ze dit mogelijke bezwaar op met een trefzeker, absoluut ondebutant-achtig stilistisch vermogen.
Niet alle verhalen (die zich onveranderd in warme weersomstandigheden afspelen), zijn even sterk. De korte, Muziekles over een jongetje dat niet zo muzikaal wil worden als zijn vader wenst, Rose, met bizarre stukjes geel ertussen over een meisje dat bij een wat overspannen kennis van haar moeder moet blijven slapen, bfijven in het schetsmatige steken. Toch voert Tessa de Loo ook in deze wat povere, plotloze verhaaltjes steeds een veelbelovende pen.
Op heel wat momenten geeft ze een treffende beeldspraak weg. Het huilen van een klein meisje: "Efik-hik, als een bromfiets die moeizaam start kwam ze sputterend op gang om te eindigen in gebrul met lange uithalen", of elders een meisje op vakantie dat verdrietig haar vriend in een kroeg achterlaat: "als iemand die laatste geworden is bij de verkiezing van een schoonheidskoningin ". Steeds beeldend en net niet te veel van het goede.
De drie langere verhalen zijn ronduit voortreffelijk. In het titelverhaal wordt beschreven hoe een
groepje fabrieksmeisjes in de trein een jonge conducteur molesteert. Het is precies goed gedoceerd met een inzet vanuit één persoon, vervolgens een kleurrijk tableau de la troupe van de meisjes in hun coupé en op het eind de onschuldige kaartjesknipper die ook zi n plicht maar doet.
In het verhaal speelt verkrachting en mannelijke onderdrukking een rol. De conducteur wordt het slachtoffer van onderdrukte haatgevoelens. Op de laatste pagina's van dit verhaal neemt Tessa de Lods schrijftrant surreatistische allure aan. Een volmaakt verhaal.
Die kwalificatie geldt ook voor De Grote Moeder, over een bedeesd padvindstertje dat slachtoffer wordt van de sadistische "Guido Ravenhorst" en voor Op hoge hakken, verreweg het subtielste verhaal over een meisje zonder zelfvertrouwen met haar vriend op een Griekse vakantie -eiland. In laatstgenoemd verhaal komt Tessa de Loo's kracht sterk naar voren, het tussen de regels laten vibreren van de ware gevoelens.
Ik ken weinig verhalen waarin zo onuitgesproken en suggestief de vage geprikkeldheid tussen twee mensen op vakantie, het zuigende, onbeantwoorde getreiter van de jongen, afgewisseld met momenten van tederheid, wordt weergegeven. In de drie laatste verhalen speelt steeds het sadisme van de buitenwereld jegens de enkeling een rol. Het is een hele kunst om dergelijke thematiek niet te dik en dramatisch aan te zetten en de schrijfster slaagt er drie keer smaakvol en met glans in.
Qua ideeën is het allemaal wat minder verbluffend dan Renate Dorrestein, maar die heeft zich dan ook enigszins vertild juist door er een kiezelsteen van te maken.
Ook voor Tessa de Loo's oppositie tussen de eigen werkelijkheid en die van de omgeving geldt ten slotte het menselijk tekort Door zijn eigen illusie en gevoelens kan de mens niet aan een of andere objectieve werkelijkheid beantwoorden, en juist daardoor is hij zichzelf . Literatuur kan je daar iets over zeggen.