|
Trouw, 26 november 1997 |
|
|
|
|
|
Oude mensen waren kind in de oorlog |
|
|
|
|
|
LIEKE VAN DUIN |
|
|
|
|
|
Ook 'En iedere week
een brief', het kinderboekendebuut van de Amerikaans-Duitse
schrijfster Irene Dische (45), gaat over een
argeloos kind in de oorlog, hier de Tweede Wereldoorlog. En, zo blijkt uit de
epiloog, ook dit verhaal is geschreven als waar gebeurd relaas van iemand die
nu oud en grijs is. Het is echter geheel in het verleden gesitueerd
en wordt door een derde verteld. Hoofdpersoon is de Hongaars-Duitse jongen Peter, die een 'onstuimige losbol'
als vader heeft en een strenge, rechtlijnige dorpsarts als grootvader. Peter
gaat eind jaren dertig met zijn vader vanuit Hongarije mee naar Berlijn, waar
zijn vader een baan heeft gekregen. Wat de lezer herkent als voorbereiding op
de oorlog, ervaart Peter als een onschuldige eigenaardigheid van het nieuwe
land. ``Hij keek vol bewondering naar de mooie rode vlaggen die overal
hingen, met een grappig symbool in het midden dat 'hakenkruis' heette.'' Zijn
vader leert hem om nooit te laten merken dat je zelf nadenkt, en zelfs aan de
Ohrfeigen-opvoeding van het Duitse kindermeisje
raakt hij gewend. Hij is verbaasd over het lawaai en de glasscherven in wat
de lezer als de beruchte Kristallnacht herkent,
maar die zijn vader bagatelliseert tot 'Dat was me
het feestje wel, vannacht.' Als hij van de meester op school hoort dat de
joden een lesje hebben gekregen, en tegen zijn vader zegt: 'Net goed, hè
papa?', wordt zijn luchtige vader eindelijk ernstig,
en vertelt hem dat zijn overleden moeder joodse was. Dat is het keerpunt in
het verhaal. Peter gaat terug naar Hongarije, naar zijn strenge opa. Zijn
vader blijft in Duitsland, maar belooft hem elke week te schrijven. Dat
gebeurt, jarenlang. Tenminste, er kómt elke week een
brief. Over ditjes en datjes. Maar zijn het wel
brieven van zijn vader? En waarom is opa's studeerkamer verboden gebied voor
hem? Net als de briefwisseling saai begint te worden, tegen het einde van de
novelle, schiet er spanning in het verhaal. Maar dan - de Duitsers zijn in
aantocht - ontlaadt zich ook alles tegelijk. En dan blijken zowel het
losbollige van zijn vader als het strenge, gevoelloze van zijn grootvader een
masker te zijn geweest. Wat het verhaal zo
sterk maakt, is dat Irene Dische de oorlog laat
zien door de ogen van een argeloos kind, een onbeschreven blad. Voor hem zijn
uniformen, hakenkruisen en glasscherven losse verschijnselen, geen
samenhangend systeem van dreiging. Bovendien is het
bijzaak voor hem, het contact met zijn vader is hoofdzaak. Knap is ook dat Dische weinig woorden nodig heeft om veel te vertellen.
Niet alleen over oorlog, maar ook over alleen zijn, over de lege stilte van
iemand missen, en de geladen stilte voor de storm. Het verhaal vereist enige
voorkennis over de Tweede Wereldoorlog. Het líjkt simpel, maar is door de
suggestieve werking van Dische's laconieke
taalgebruik rijk van inhoud. |
|