| Schrijver |
Couperus, Louis |
| Titel |
Met Louis Couperus op tournee : voordrachten uit eigen
werk 1915-1923 in recensies, brieven en andere documenten / bezorgd door
H.T.M. van Vliet ; [red. Sjoerd van Faassen... et al.] |
| Jaar van uitgave |
1998 |
| Bron |
Noordhollands Dagblad |
| Publicatiedatum |
13-02-1998 |
| Recensent |
Jan-Hendrik Bakker |
| Recensietitel |
Het papegaaiengeluid van Louis Couperus |
Lange tijd is er nogal argwanend aangekeken tegen de
voordrachten van literatuur. Inmiddels zijn de meningen wel gewijzigd. Dat heeft
ten dele te maken met de al maar toenemende belangstelling voor de persoon van
de schrijver en deels met verkooptechnieken van de uitgeverijen. Feit is dat de
schrijver niet meer terugdeinst voor publicitair vertoon. Gerard Reve wist in
1963 het publiek van Carré al te bespelen, toen hij in een sneeuwwit kostuum
zijn nog niet gepubliceerde gedichten uit 'Nader tot u' voordroeg. Wie in alle
artikelen, die de podiumfähigkeit van schrijvers tot onderwerp hebben, vaak
wordt genoemd als voorloper van de Huidige generatie, is Louis Couperus. Deze
19e-eeuwse schrijver bij uitstek was een geruchtmakend 'performer' in zijn tijd,
over wiens optredens de kranten zich opwonden, die bewonderd werd of weggehoond.
Zijn declamaties gingen in elk geval niet onopgemerkt voorbij. Over Couperus'
openbare optredens was tot nu toe niet zo gek veel bekend, behalve dan dat hij
in Kunstzaal Kleykamp in Den Haag enkele geruchtmakende 'zeggingen' van zijn
werk heeft gedaan. Hij schrijft er zelf over in zijn feuilleton in Het Vaderland
in een stuk getiteld 'Onder den Boeddha'. Couperus zocht na zijn terugkeer in
Nederland extra inkomsten. Vanaf 1915 begon hij gehoor te geven aan de vele
verzoeken op te treden als voorlezer van zijn eigen werk. Uit zijn brieven
blijkt dat hij dat al vaker had gedaan, zij het in kleine kringen. Zo zou hij
'Langs lijnen van geleidelijkheid' helemaal voorgelezen hebben aan enkelen van
zijn intimi. Maar dit keer pakt de maestro het groots aan. De voorlezing in zaal
Kleykamp is een dandyeske one-man-show, waar een hedendaagse performer als Jules
Deelder goedkeurend naar zou hebben gekeken: zoveel decor en stilering bracht
Couperus mee. Net als Deelder choqueert hij met extravagant gedrag, zij het niet
plat, maar overdreven deftig. Staande naast een massief boeddhabeeld, omgeven
door exotische attributen, schokte de in rokkostuum geklede schrijver burgerlijk
Nederland met zijn ironische, hyperverfijnde heidendom. In de pauze liet hij
twee adelijke dames, de freules De Ranitz en Van Hogendorp, thee schenken.
Beproeving Couperus' stem schijnt niets van dat galmende declamatietoontje gehad
te hebben, dat wij hier ten lande maar al te goed kennen. Zijn stem had eerder
iets schrils. 'Deze hooge krijsende faussetstem, een afschuwelijk
papegaaiengeluid; deze valsche, van affektie niet genoeg geaffekteerde stem. O!
bittere beproeving mijner oren', schrijft een recensent naar aanleiding van een
optreden van Couperus in Delft. Hoe het ook zij, welluidend schijnt de
voordracht van Couperus in elk geval niet te zijn geweest. Couperus moet zijn
voordrachten tot in de puntjes hebben uitgestippeld. André de Ridder, een goede
bekende van de schrijver, onthulde later: 'Couperus vat zijn lezen zeer hoog en
ernstig op. Het is dramatisch werk, met volledige nuancering, zeer zorgvuldig
ingestudeerd, berekend op elk effectje, gerepeteerd als toneelstuk...' De daarop
volgende jaren zou de schrijver op tournee gaan door geheel Nederland. Althans,
het Nederland van boven de grote rivieren. Want daaronder was de 'paganist'
Couperus niet welkom. In Haarlem verwerkte hij nog een hevig schandaal toen de
roomse schilder Jan Toorop 'gewijde' doeken liet weghalen uit de zaal waar
Couperus zou optreden. Bloem Frederik van Eeden, die in die benauwde, saaie
oorlogsjaren van 1914-'18, ook nogal eens uitgenodigd werd om voor te lezen,
treft op zijn tournee door het land zalen aan die precies zo zijn ingericht als
Couperus het voor hem wilde hebben. De zaalverhuurder blijkt een inrichting op
het podium gearrangeerd te hebben, waar de serieuze Van Eeden niet van terug
heeft: een clubfauteuil, tafeltje met lange vaas en precies één bloem. 'Zóo deed
meneer Couperus het', meldt de man trouwhartig. En die clubfauteuil was
duidelijk niet bedoeld om op te zitten, maar vooral om tegenaan te leunen en om
heen te lopen! Met Couperus' taalgebruik, en dan met name de uitspraak, moet
iets bijzonders aan de hand geweest zijn. Na zijn eerste 'zegging' merkt de
recensent van Het Vaderland op, dat Couperus een soort uitspraak bezigt die in
het Den Haag van toen al niet meer voorkwam: 'Het is het Hollandsch, dat voor
vele jaren uit een aristocratisch-Haagsch milieu is weggedragen naar den
vreemde; en terwijl in Den Haag milieus vergingen en hun eigenaardigheden weg
bloeiden, bleef daar ginds een bewaarder van een curieus verfijnd taalschatje,
zooals er in Frankrijk verenkeld, na 1815 verzamelingetjes bleken bewaard van
wel kostbare, maar eigen-aardige voor-revolutionaire bijous...' Couperus schreef
in het feuilleton 'Over Groningen en Mij-zelven' dat hij een soort gesproken
kunsttaal nastreefde. 'Onze taal is zéer rijk aan klnak; onze taal kan daveren
met de grootste kracht en trillen met de eerste tederheid. Zoo onze
conversatie-taal dan ook vrij slordig blijft, laten wij dan onze in het openbaar
gezegende taal, vooral onze kunsttaal zeggen zoo zuiver en kunstvol als wij
vermogen.'