Schrijver Couperus, Louis
Titel Boeken der kleine zielen, De
Jaar van uitgave 1902
Bron De Volkskrant
Publicatiedatum 08-11-1969
Recensent Kees Fens
Recensietitel Kleine mensen onder dreigende Hollandse lucht
Maandag start de NCRV om 20.20 uur op Nederland 1 met de eerste aflevering van een tiendelige reeks, gebaseerd op De boeken der kleine zielen van Louis Couperus. Bij gelegenheid hiervan hier een beschouwing over deze roman, algemeen met de andere Haagse roman Van oude mensen/De dingen die voorbijgaan gerekend tot het beste van de heel grote schrijver die Couperus is geweest.
De boeken der kleine zielen van Louis Couperus is een der omvangrijkste en een der indrukwekkendste romans van de Nederlandse letterkunde. Gezien de omvang (in de uitgave van het Verzameld Werk bijna duizend bladzijden), de hechte compositie, de byzonder knappe wijze van schrijven die, enkele inzinkingen daargelaten, constant een heel hoog niveau houdt, is het bijna raadselachtig dat Couperus maar anderhalf jaar nodig had om de roman te schrijven: hij begon eraan in februari 1901 - in zijn toemnalige woonplaats Nice - en voltooide het boek in augustus 1902. Nog raadselachtiger wordt die korte periode, als men weet dat hij intussen nog een ander werk voltooide en aan nog een ander begon.
De roman bestaat uit vier boeken, die elk uit twee delen bestaan. Het eerste boek heet De kleine zielen (oorspronkelijk zou de titel zijn De familie en de kennissen, mede vanwege een reminiscentie van die titel aan een van een boek van Haverschmidt, heeft de auteur de titel veranderd), 't tweede boek heet Het late leven en het derde Zielenschemering en het laatste Het heilige weten. De boeken één, twee en drie sluiten chronologisch aaneen: de gebeurtenissen uit het vierde boek spelen tien jaar na die van het derde. De eerste drie boeken spelen nagenoeg geheel in Den Haag, het vierde grotendeels in Driebergen.
Couperus beschouwde het eerste boek zelf als een "entrée-en-matière". Je hoeft niet eigenwijzer te zijn dan de auteur, maar is meer dan een binnenleiding : in kiem is het hele gebeuren uit de volgende boeken in het eerste aanwezig: motieven die later breed uitgewerkt zullen wordenn, zijn aan te wijzen, opmerkingen worden gemaakt die niet meer dan toevallig lijken maar zinspelingen zijn op wat later gebeuren gaat, de eerste trekken van een noodlotstrategie die de gehele roman is, zijn in het eerste boek dat niet meer lijkt dan een familiegeschiedenis , aan te wijzen.
Je kunt nog verder gaan en zeggen, dat de allereerste zin van deze omvangrijke roman later een heel zinvolle zal blijken. Wat een toevallige beschrijving lijkt is een voor het hele latere gebeuren karakteriserende. Men kan stellen, dat vanaf de eerste zin alle gebeurtenissen beschreven en gecomponeerd worden vanuit de centrale visie op het kleine menselijke bedrijf. Maar, het begint alles in schi n onschuldig.
De roman begint als volgt: "Het stortregende en Dorine van Lowe was doodmoe, toen zij die
middag voor het diner nog even bij Karel en Cateau aanwipte, maar Dorine was tevreden over zichzelve ". Dorine is bezig al haar broers en zussen uit te nodigen voor een avond thuis bij hun moeder, mevrouw van Lowe, weduwe van een oud-gouvemeur generaal, wonende in de Haagse Alexanderstraat. De oude vrouw houdt wekelijks bijeenkomsten met haar kinderen en kleinkinderen, allen komen samen rond hun moeder, daarmee voor haar de hechte familiebanden suggererend. Deze avond vereist echter een byzondere invitatie, want een der zussen zal najaren afwezigheid opnieuw in hun midden zijn. Die zus is Constance. Zij heeft veertien jaar geleden een fa"lie -schandaal veroorzaakt; zij was gehuwd met de veel oudere De Staffelaer, ambassadeur in Rome, pleegde daar overspel met de jonge Van der Welcke, aankomend diplomaat, werkzaam op de ambassade. De twee werden door De Staffelaer betrapt, een scheiding volgde en een gedwongen huwelijk tussen Constance van Lowe en Henri van der Welcke: de laatste hiertoe gedwongen door zijn zeer strenge, uiterst rechtgelovige ouders. Door dat gebeuren werd Constance uit de familie gestoten, zij bleef in het buitenland wonen, de laatste jaren voor de terugkomst te Brussel, in gedwongen en slechts door uiterste verdraagzaamheid mogelijke verbintenis met Van der Welcke, al worden man en vrouw nog door één nagenoeg alles beheersende kracht bijeengehouden: de zoon Addy die het kind van hun zonden is. De carrière van Van der Welcke is door de gebeurtenissen gebroken, iets dat hij zijn vrouw blijft verwijten. Constance verlangt na zovele jaren terug naar haar familie, zij keert terug naar Den Haag en haar weerkomst in Den Haag en in de kring van haar familie, is het beginpunt van de roman. Alle broers en zusters worden voor de avond persoonlijk door Dorine uitgenodigd, hetgeen Couperus gelegenheid geeft de gehele familie aan de lezers voor te stellen: allen worden genoemd; de oudste zuster Bertha, gehuwd met de Mnister van Koloniën Van Naghel en in haar huis de glorie van het Buitenzorgse paleis enigszins voortzettend, de broer Karel, met zijn vrouw Cateau levend alleen voor de uitgebreide maaltijden, verder egoïstisch geïsoleerd van de rest van de familie. Dan is er de zus Adolfine, gehuwd met Van Saetzema, een jurist die geen carrière heeft kunnen maken: in Adolfine is de hang naar groot doen en overtroeven, haar middelen zijn echter beperkt; zij steekt van de jaloezie en van het fatsoen en met haar overfatsoenli ke mond zal zij veel kwaad stichten. Er is de broer Gerrit, ritmeester bij de huzaren, laat getrouwd vader van vele kleine kinderen. Ogenschijnlijk is hij een opgeruimde levenslustige man. Drie kinderen zijn niet gehuwd: de broers Paul en Ernst - beiden zijn enigszins zonderlinge vrijgezellen - en de zus Dorine familie -factotum. Op de familiebijeenkomsten zijn ook twee ongehuwde oude tantes aanwezig en een oom, Ruyvenaar geheten, hij zit in de suiker en is gehuwd met een Indische vrouw. Banden met Indië, eens het land van glorie voor de familie, zijn er in de gehele roman vele.
Nu is de persoonlijke uitnodiging en daarmee de mogelijkheid tot voorstellen van de familie meer dan een technische truc van Couperus.
Door de persoonlijke invitatie - de auteur roept ze als het ware op - worden allen gegroepeerd rond Constance en betrokken op haar terugkomst en de gevolgen daarvan. De invités treden aan voor een familiereünie , maar tegelijkertijd ook voor een noodlotstragedie die zich met de terugkomst - misschien moet men zelfs zeggen dat ze veertien jaren tevoren begonnen is - zal gaan ontvouwen. Bij haar overspelige liefde voor Van der Welcke toonde Constance als eerste haar anders zijn binnen de familie; er ontstaat een eerste barst in wat een zo sluitend en aansluitend geheel lijkt; haar daad is het eerste teken en haar aanwezigheid nu in Den Haag stelt dat teken gepersonifieerd in de zoon Addy, in de kring van de familie tegenwoordig. Vele daden en gebeurtenissen zullen volgen: de barsten in het geheel worden steeds talrijker, er ontstaan scheuren en geleidelijk valt het geheel volkomen in stukken uiteen: er is geen harmonie, er zijn slechts verschillen tussen de broers en zussen al laat zich boven die verschillen een nieuwe, verschrikkelijkere harmonie denken: zij delen allen het noodlot, mede doordat zij elkaars bloed delen. Eén is er voor wie alle barsten en scheuren verborgen worden gehouden, de moeder voor wie wekelijks een spel van illusies wordt opgevoerd; maar in de hoeken van het speltoneel, voor
de oude vrouw onzichtbaar, worden de kwade tijdingen en het roddelnieuws uitgewisseld. De aanwezigheid van die oude vrouw, altijd gelovend, maar tegen het einde van haar leven doorziende, is een der byzonder knappe onderdelen van de roman. Pas op de allerlaatste bladzijde van de roman sterft de vrouw; zij is inmiddels kinds geworden, heeft tien jaar als een oude pop in de kring van wat van haar familie is overgebleven, gezeten als een voortdurend teken van wat geweest is en zo vervallen is geraakt, zo geteisterd werd. In de oude mevrouw is de neergang van de familie gepersonifieerd. Met haar dood moet het boek eindigen; een familiegeschiedenis , de geschiedenis van haar famlie is ten einde.
De eerste woorden van het eerste boek zijn - "Het stortregende". Daarmee is, zoals aan de lezer acheraf blijkt, die eerste, ogenschijnlijk kleine gebeurtenis niet alleen gekarakteriseerd, maar ook opgenomen in een groter geheel. De boeken der kleine zielen is de roman van herfst, van regen en storm. De kleine mensen leven constant onder dreigende grauwe luchten, met ratelende regens en zwiepende winden, maar ook "tevreden met zichzelve ". In de roman, zeker in het eerste boek ervan neemt Couperus duidelijk afstand van het Haagse niilieu, de kleine zielen, die slechts zich bewegen in hun kleine kringetjes, eten van en teren op de kleine gebeurtenissen in die kleine kringen, maar die nooit hebben kunnen leven, ruimte om zich heen scheppen. Couperus laat het milieu in al zijn kleinheid zien en vri van hatelijkheden zijn zijn beschrijvingen en typeringen niet. Dat het Hollandse weer de somberheid van hun bestaan nog donkerder maakt, zal duidelijk zijn. En ongetwijfeld heeft Couperus die al enige tijd in Zuid-Frankrijk woonde, somberheid van weer en milieu in onderlinge betrekking gezien. Maar de beschrijvingen van het weer spelen in de roman meer dan een illustratieve rol. Regen en wind zijn in deze roman van Couperus niet louter weersgesteldheden, maar bezielde krachten, komend uit de hoogte en van verre, aanruisend uit een eeuwige verte; ze zijn tekens van de kracht van het noodlot, slaan als het noodlot toe op de natuur - er staan in de roman talrijke onvergetelijke beschrijvingen van door regen en wind gemartelde bomen - zoals het noodlot, dat zij begeleiden en waarvan zijn voortekens zijn, toeslaat op de mensen. Wanneer nu al in de eerste zin de mededeling "Het stortregende" staat wordt het gebeuren, het uitnodigen van de familieleden voor de bijeenkomst met de verloren zus, binnen de noodlotssfeer getrokken.
De overgang van dat bijzondere - het milieu met al zijn kleinheden - naar het algemene is al in het eerste boek, dat toch van de vier het meest het cóterie-boek is aanwezig. In de woorden van de broer Paul, die het type is van de toeschouwer. Hij kijkt tegen zijn fan-dlie aan, hekelt hen in hun burgerlijkheid en kleinheid, maar zijn uitingen van hekeling zijn meer dan zo maar scherpe pijlen in een niilieu; ze zijn verbijzonderingen van zijn algemene visie op de lelijkheid van de mensen en de wereld. FEj prikt niet alleen met zijn opmerkingen als eerste de illusies van de familiebijeenkomsten door, hij prikt in de illusie van het menselijk bestaan zelf, ziet het spel dat allen spelen om de werkelijkheid te kunnen ontvluchten. Paul is een scherpe toeschouwer ook van individuele mensen. Hij doorziet, zoals het aan de lezer later zal blijken, zijn broer Gerrit scherp: ziet de gespeelde krachten van deze, nodig om zijn innerlijke zwakte te camoufleren. De tragiek van Paul is dat zijn rol van toeschouwer hem steeds meer tot een vreemdeling zal maken; zijn afkeer van het lelijke en het vuile wordt een ziekelijke hartstocht voor het zuivere en propere, zoals bij de broer Ernst zijn liefde voor oude dingen een verziekte hartstocht voor die dingen wordt: hij gaat ze bezield denken en ze krijgen tenslotte hem in zijn macht. Ifij zal krankzinnig worden. Met het proces van dat krankzinnig worden begint het derde boek Zielenschemering , van de vier zeker het verschrikkelijkste; de verschrikking kondigt zich aan in enkele gebeurtenissen aan het einde van het tweede boek dat overigens van de vier het meest optimistisch is, in zoverre dat Constance in dat boek tot aanvaarding komt, tot doorzicht zich letterlijk ontpopt: uit de pop die zij was komt een mens te voorschijn. Zij, de verstotene en geminachte, zal de krachtigste figuur van de gehele familie blijken.
Waarin bestaat die "vermenselijking "? In het treden uit zichzelf, uit de eigen kring, in het oog
krijgen voor en zorgen voor anderen in het zien van een geheel in plaats van een zich blindstaren
op een deel. Tot de bekering van Constance leidt haar contact met een nogal vage figuur uit de
roman: de socialist Brauws, studievriend van Van der Welcke. In Brauws ontdekt Constance
nieuwe mogelijkheden voor haar leven, maar in zijn leven ziet zij ook wat het hare had kunnen
zijn. Nu is het te laat en is het haar ook onmogelijk opnieuw te beginnen. In Brauws ontdekt Constance de mogelijkheid tot ontplooiing van het individuele naar het algemene, tot uitbreken uit de kring. Brauws op zijn beurt staat voor een telaat: hij ontdekt in Constance de nu niet meer te realiseren mogelijkheden tot verbyzondering van zijn algemene mensenliefde tot liefde voor één persoon. Het ontdekken van het telaat is een der hoofdthema's van het boek. Voor allen blijkt het op beslissende nnomenten te laat; de tijd is voorbijgegaan naar het dieptepunt en zal zich voort-rekken in dat dieptepunt. In de tijd van Constances ontdekking ontluikt bij Van der Welcke liefde voor zijn nichtje Marianne, voor de realisatie daarvan is het echter ook te laat, maar het kind Addy maakt hem die realisatie evenzeer omnogelijk.
Addy is naast Constance de belangrijkste figuur, van kind af heeft hij tussen vader en moeder in gestaan, hen gebonden, door zijn liefde steeds even nauwgezet over beiden te verdelen. FEj is vroeg wijs, zo vroeg dat hij aan een eigen leven in zijn jeugd niet is toe kunnen komen. Zijn liefde is een verdeelde en een helende. En dat zal ze zijn verdere leven blijven. Het noodlot van zijn leven wordt in de breuk van zijn huwelijk, die in het vierde deel beschreven wordt zichtbaar, en in sommige opzichten blijkt Addy een parallelfiguur van Brauws: ook hij ziet geen kans van algemene liefde tot verbijzondering te komen. Die paralleliteit is er slechts één uit de roman, die wemelt van parallellen en weerspiegelingen, voortzettingen binnen de familie van geschiedenis. Een ander voorbeeld is de te sterke binding tussen broers en zussen. Die binding, ontstaan in de jeugd, is er tussen Gerrit en Constance en ze is voor een deel oorzaak van Gerrits ondergang. Tussen neven en nichten van Constance en Gerrit zijn gelijke noodlottige, direct noodlottige, bindingen aan te wijzen, binding die wijst op een vast willen houden aan de jeugd, angst voor de maatschappij, angst ook voor het verdergaan van de tijd, die naar ouderdom, de gevreesde, en verval leidt. Wie de roman enigszins aandachtig leest zal ontdekken welk een ingenieus web van motieven, parallellen, spiegelingen, het omvangrijke boek is. Al vrij snel blijkt ook hoe motieven die in Van oude mensen/ De dingen die voorbijgaan, een roman van enkele jaren later, centraal staan, ook in deze roman aanwezig zijn: het niet uit te wissen verleden paradoxaal ermee verbonden het onvermijdelijk voortgaan van de tijd, met als gevolg: de vereenzaming door ouderdom. Er zal bij beschouwing van de afzonderlijke hoofdstukken ook dit blijken: hoe knap veelal elk onderdeel van de roman is verzorgd. Wie er zich van wil overtuigen, leze bijvoorbeeld het eerste en vijfde hoofdstuk van het tweede deel van De kleine zielen. Bij lezing van het eerste zal men ontdekken, hoe goed kleine voorvallen en een kleine persoon in een groter geheel van verlatendheid en melancholie zijn opgenomen. Leest men nu dat eerste hoofdstuk, dan denkt men niet zonder angst aan de komende televisie -uitzendingen: hoe zal de sfeer van de buitenwereld, de greep van het noodlot die zich manifesteert in de natuur in beelden gerealiseerd kunnen worden? Blijft die greep onzichtbaar dan houdt men slechts een wellicht wat weëe documentaire fainiliegeschiedenis uit het fin-de-siècle over. Benieuwd ben ik wat men met de talrijke innerlijke monologen, momenten van bezinning, herinnering of poging tot verheldering, zal doen. Ze zijn essentieel voor de roman: de figuur wordt er in zijn eenzaamheid, de verfijndheid ook vaak van zijn gevoelsleven, getoond.
"Zij zwegen en tussen hen beiden was het vol van verledene dingen. De meubels waren de zelfde, sommige lijnen en intonatiën waren dezelfde van jaren her Buiten was de zwarte macht van de ruisende regen en de razende wind de zelfde als van jaren her Het leven weefde voort zijn lange weefsels van jaren, als grauwe wade aan wade. Beiden glin-dachten zij erom, maar hun hart was heel treurig. " Eén knappe en heel veel zeggende alinea uit de duizenden. Ik bewonder de man die de moed heeft dat in beeld te brengen. Maar misschien zal de televisieverbeelding
van deze roman (waarvan hier maar enkele aspecten belicht konden worden) toch de grootheid van de roman aan velen laten uitkomen. Voor wie het boek wil lezen, is in elk geval een nieuwe editie beschikbaar: volgende week verschijnt bij van Kampen een herdruk voor de prijs van fl. 14,90.