Ogenblik gaat voor eeuwigheid. HUGO CLAUS, Wreed geluk
Een nieuwe alomvattende bundel van Hugo Claus Jos Joosten
'Veel persaandacht rond de 70ste verjaardag van Hugo Claus,' voorspelde uitgeverij De Bezige Bij in haar voorjaarscatalogus. Het is nu zover: Claus wordt zeventig op 5 april. Op de valreep werd hem het miljoen van de Oeuvreprijs van de Vlaamse Gemeenschap toegekend. De door De Bij aangekondigde bundel Verhalen heeft vertraging opgelopen, de meester schaaft er nog aan. Wel net op tijd voor de feestelijkheden verscheen een nieuwe verzenbundel met een wreed Clausiaanse titel: Wreed geluk.
,,Schrijft gij die gedichten niet wat al te gemakkelijk?'' vroeg begin jaren vijftig Hugo Claus' oudere, ernstige vriend Jan Walravens eens bezorgd. Van het talent van de dichter was hij, zoals zovelen, al snel overtuigd, maar Walravens signaleerde destijds al iets wat een tweespalt in Claus' poëzie zou blijven: de tegenstelling tussen gemakzuchtig ogende, bijna achteloos geschreven gedichten versus verzorgde, doordachte technisch hoogstaande poëzie.
Toen een jaar of vijf geleden de dikke verzamelbundel Gedichten 1948-1993 verscheen, was de lof van de critici groot en vrijwel algemeen. Maar tegelijkertijd wist men ook toen nog niet altijd goed raad met het - zeker op het oog - inhoudelijk zo uiteenlopende en kwalitatief zo uitwaaierende karakter van Claus' gedichten.
Ook in Wreed geluk, de bundel die vandaag verschijnt, vlak vóór de zeventigste verjaardag van de dichter, doorbreekt Claus opnieuw alle begrenzingen: gelegenheidsgedichten staan naast nieuw werk, oude naast recente bewerkingen, werkelijke prachtverzen naast uitgesproken rijmelarij - alles onnavolgbaar en slechts onder één noemer te vangen: Totaal Claus. Want we zullen de situatie moeten accepteren dat in deze poëzie geen onderscheid meer bestaat tussen het een en het ander.
Hugo Claus heeft het verwijt van gemakzucht op de enige doeltreffende manier gepareerd: hij maakte deze (al dan niet vermeende) zwakte tot integraal en onontkoombaar onderdeel van zijn werk. ,,Mijn verzen neuken niet klassiek, / zij brabbelen ordinair of brallen al te nobel'', voegde hijzelf al uitdagend toe bij wijze van ,,envoi'' (de traditionele slotstrofe van het rederijkersgedicht) in zijn Gedichten 1948-1993.
Het spreekt intussen vanzelf dat Claus alle registers gebruikt in zijn werk. Zinvoller dan erover te klagen is eens serieus te bekijken welke verklaring er bestaat voor deze kennelijk bewuste uiteenlopendheid in toonzetting en inhoud van de gedichten. Duidelijk is voor alles dat de dichter Claus zich niet wil vastleggen. Niet op wat algemeen wordt gezien als kwalitatief hoogstaand of smaakvol, niet op een definitief eindproduct (zoals we zo nog zullen zien), kortom: niet op één onomstotelijke waarheid.
In Wreed geluk leidt deze vaststelling ons eigenlijk als vanzelf tot de prachtige reeks ,,Een aap in Efese'', die bestaat uit een tiental gedichten dat, zoals vaker in Claus' werk, de fysieke liefde tot hoofdthema heeft. Dit keer is echter een filosofische grondtoon minstens zo duidelijk aanwezig. Het motto van de reeks is de (nogal vrije) vertaling van een van de overgeleverde fragmenten van de Griekse filosoof Heraclitus: ,,De wijste mens schijnt voor God een aap.''
Dat verklaart natuurlijk de ,,aap'' uit de reekstitel, maar meteen ook ,,Efese'', dat niet zozeer een verwijzing naar de bijbelse Paulus is, als wel naar de vaderstad van Heraclitus. Met zijn mede-Efeziërs leefde deze Heraclitus, die zichzelf naar het schijnt nogal hoogachtte, op tamelijk gespannen voet. De ,,aap in Efese'' kan misschien worden gezien als dualistische typering van de filosoof - of de dichter zelf. De eenling tussen de anderen. De ,,aap'' is tegelijkertijd ook zelfbewust de ,,wijste mens'': de denker ook het instinctmatige dier (het laatste gedicht in de reeks heet ,,Bonobo'', naar de seksueel uiterst actieve aap, die biologisch het dichtst bij de mens staat).
In de reeks zelf staat de rivaliteit tussen het lichamelijke (de geliefde) en het geestelijke (de filosoof) centraal, als verbeelding van de strijd tussen lichaam en geest. Enerzijds zijn de gedichten zo het gebruikelijke loflied op fysieke liefde en schoonheid, anderzijds sijpelen terloops filosofische beschouwingen door. Dat blijkt al mooi in het eerste gedicht van de serie, waarin tegenstellingen zichtbaar zijn vanaf de woordparen in de openingsstrofe.
Donker en helder, wind en zomer,
begeerte en schade,
zij met de pauwenveren.
En de vele geuren
en de vele namen van geuren die geuren.
Zovelen hebben jou verteld
hoe mooi je was
maar niemand zei jou iets
over de schoonheid die van alle dingen
gescheiden is
en niet voorkomt op de planeet
en dat jij daarop leek.
Wijsgeren in hun wijsgerig hemd
met hun immanent en hun transcendent
wil ik in brand steken.
Alleen de kamer en de rook
en jij met de pauwenveren en mij.
Claus speelt ingenieus met de tegenstelling tussen lichaam en geest. De dichter stelt zelfbewust dat het lijfelijke boven het geestelijke gaat. Hij wil de moeilijkdoenerige filosofen zelfs verbranden en wenst zich totaal aan zijn geliefde te wijden. Maar het grappige is natuurlijk dat hij juist ervoor (in de middenstrofe) de geliefde uitgerekend in filosofische termen bezingt, en haar schoonheid als een soort transcendentie/* omschreef*/ omschrijft.
Ook de tweede, op het eerste gezicht louter lyrisch ogende, strofe over het benoemen van de vele geuren, is een parafrase van een fragment van Heraclitus (in vertaling van Cornelis Verhoeven): ,,Als alles wat er is, rook zou blijken te zijn, zouden neuzen daarin nog onderscheid kunnen maken.'' De geuren krijgen hoe dan ook een naam. De mens is onvermijdelijk gedoemd tot onderscheiden en benoemen, tot denken dus. Meteen krijgt ook de ,,rook'' uit de laatste strofe een plaatsje: niet alleen is het het restant van de verbrande wijsgeren uit de regels ervoor, maar het verwijst opnieuw naar Heraclitus' onvermijdelijke onderscheid maken, lees: denken over de dingen. Claus heeft de hele liefdescyclus doorspekt met zulke verwijzingen naar Heraclitus, zelfs de blaffende honden uit het zesde gedicht komen rechtstreeks van deze Griekse filosoof.
Rook vervliegt, rivieren stromen oneindig: Heraclitus ging de geschiedenis in als bij uitstek de denker die dit soort beeldspraak gebruikte om aan te geven dat niks vaststaat, dat de werkelijkheid zich niet richt tot één waarheid of een enkel vast beginsel: er is geen eeuwig-rustend ijkpunt, maar alles bestaat in een permanente beweging van ogenblik tot ogenblik.
Dat Heraclitus' filosofie bovendien slechts fragmentarisch werd overgeleverd, droeg nog eens bij tot zijn roem als meester van het voorlopige, die geen definitieve leer had maar slechts stukjes van zijn dynamische gedachtegoed prijsgaf. De fragmenten van Heraclitus, bijgenaamde de duistere, poneren nooit een waarheid maar zijn omcirkelend van aard, zoals zijn typering van het Delfische orakel: dat ,,zegt niet en verbergt niet, maar geeft een teken''. Een zin die Claus in het negende gedicht van de reeks en passant noemt, in een dialoog tussen dichter en geliefde.
Wat zij zei?
'Alleen fragmenten zijn gezond verstand.
Akkoord? Waarom ben je vrij?
Omdat je ongestoord een slaaf kunt zijn.
Desnoods de mijne.
Er is wel één eis.
Geef op wat voor je neus ligt,
bewaar wat in je is
maar niet gewaargeworden werd.
Niets spreken, niets verbergen.
Alleen het onvermoede, het verraste.'
'Wat een gezeik', zei zij en
zakte door de knieën en plaste.
De slotstrofe lijkt misschien een gemakzuchtig afmakertje. Maar hier gaan filosofie en liefde opnieuw ongemerkt samen. De geliefde betoont zich namelijk uiterst heraclitisch met haar fysieke effectuering van de bekendste uitspraak van de filosoof: ,,Alles stroomt.''
Ik sta niet voor niets zo lang stil bij Heraclitus. De gedachte van het ,,eeuwig stromende'' speelt ook anderszins een belangrijke rol in Wreed geluk.
Steeds duidelijker wordt dat ook Claus' eigen poëzie voortdurend in beweging blijft. Sommige gedichten zijn nooit af. In de meer dan 1000 pagina's tellende verzamelbundel Gedichten 1948-1993 werd zijn hele oeuvre overhoop gehaald. Waar voor de meeste dichters een ,,verzameld werk'' doorgaans een onwrikbaar monument is voor wat ze geschreven hebben, bleek het voor Claus een uitgelezen aanleiding voor nieuwe veranderingen. In de verantwoording meldde hij nonchalant dat hij ,,zoals dichters doen, gedichten toegevoegd, geschrapt, herschikt of herschreven'' had.
Ook in Wreed geluk is (zonder verantwoording) veel eerder verschenen werk opgenomen, waarvan soms slechts een titel veranderde, maar dat vaak totaal herschapen werd. Het gedicht ,,V.O'' is bijvoorbeeld wat nog rest van een oorspronkelijk aan Paul van Ostaijen gewijd gedicht. In dit geval zette Claus er nog de datering ,,1957-1997'' onder (het werd overigens, in een veel langere versie, al in 1953 in het vernieuwende tijdschrift Tijd en Mens gepubliceerd), maar meestal slaat hij zonder verdere toelichting aan het wijzigen.
Ook zeer recent verschenen werk onderging een metamorfose. In Wreed geluk staat de lange reeks ,,Oktober 1943''. Vorig jaar nog publiceerde Claus de bundel Oktober '43, met gedichten bij zwartwitfoto's's die Rik Selleslags maakte tijdens de Duitse bezetting. Wie de twee series gedichten vergelijkt, ziet dat Claus de gedichten nu - bij ontstentenis aan de foto's logischerwijs - voorzag van titels, maar ook verder zeer rigoureus ingreep in hun volgorde, opbouw en indeling. Overigens valt op hoe sterk deze gedichten zijn. Los van het beeldmateriaal leiden ze een geheel zelfstandig en geloofwaardig nieuw leven.
De gedachte dat alles stroomt en niets blijft, speelt ook op een andere manier in Wreed geluk. Wat is, als onvermijdelijk ouder wordende mens, je eigen plaats in een voortdurend bewegende wereld?
Uit het autobiografische ,,Oostende'' spreekt vanaf de beginregel het besef dat ook het eigen leven niet blijvend is: ,,Daar is mijn bestaan begonnen te vergaan''. Ook de bundeltitel verwijst indirect naar het ouder worden. De woorden ,,wreed geluk'' vinden we terug in het motto vooraan. Ze staan in enigszins mysterieuze regels van Petrarca, vertaald door P.C. Hooft en door Claus van enjambementen voorzien: ,,Indien mijn leven zich zo lange / kan verweren / tegen mijn wreed geluk en ongeziene kans...''. Bij Hooft zijn het de twee beginregels van een sonnet waarin de dichter zich voorstelt hoe het zal zijn als de aanbedene, die hem nu nog hooghartig afwijst, straks zelf oud en lelijk zal zijn. Althans, indien hijzelf oud wordt en zijn eigen leven zich staande heeft gehouden tegen ,,wreet geluck en ongesiene cans'', dat wil zeggen: ongeluk en tegenslag.
Deze uitleg geeft de titel iets onheilspellends. Claus neemt alleen de voorwaarde (,,indien'') over en voegt drie puntjes toe. Opnieuw dus openheid en voorlopigheid. Claus zelf heeft het ,,wreed geluk'' kunnen weerstaan, met als keerzijde dat hij rondom zich verval ziet. De eigen poëzie kun je zo zien als enige weermiddel én ijkpunt in een wereld die permanent in beweging is en onvermijdelijk in verval.
Wreed geluk is een erg mooie bundel, die het kunnen van Claus weer in zijn volle breedte onveranderd bevestigt. Wel krijgt het ooit bijna louter-vitale steeds sterker een filosofische, beschouwende keerzijde. Geluk wordt direct verbonden met iets negatiefs, gewelddadigs zelfs. Het een brengt het ander mee. Geen voorspoed zonder tegenslag, geen leven zonder verval.
Die sombere keerzijde leidt in Claus' gedichten echter nooit tot een vlucht in iets eeuwigs, vaststaands of bovennatuurlijks. Het concrete ogenblik blijft vóór een gefantaseerde eeuwigheid uitgaan. Dat wordt mooi verwoord in een vierregelig gedichtje in de kleine reeks ,,kwatrijnen''.
De bergen en hun betekenis
gaan onder in het ogenblik.
Zin en ordening?
Het oppervlak is wat is.
Claus' poëzie probeert geen zinvol lijkende maar kunstmatige samenhang te construeren. Elk ogenblik is anders. Daarom ook kan zo moeiteloos herschreven, geherdefinieerd en gecombineerd worden wat op het moment zelf speelt. Het enige doel is registreren van de doelloze beweging van het mensenleven en dat gaat nu eenmaal soms gemakzuchtig en soms diepgaand. Claus gaat het vergankelijke tegelijk met zoveel ernst én vitaliteit te lijf, dat het eigenlijk nooit oppervlakkig is.
HUGO CLAUS, Wreed geluk, De Bezige Bij, Amsterdam, 120 blz., 995 fr.