Schrijver Campert, Remco

Titel Leven is vurrukkulluk, Het

Jaar van uitgave 1961

Bron Haagse Post

Publicatiedatum 02-12-1961

Recensent

Recensietitel Verrukkulluk : Remco Campert's romandebuut: een dagje uit in een milieu

 

 

"Het leven is vurrukkulluk ", tasten voorzichtig spellend de vingers van Nederlands letterkundebesprekers deze week over de schrijfmachinetoetsen, waaruit zij hun oordeel over het romandebuut van dichter Remco Campert (32) moeten vellen.

In 1 0 jaar publiceerde Campert 6 dichtbundels (bijna elke bundel opende met een gedicht, dat een geloofsbelijdenis inhield, waaruit bleek dat het schrijven van poëzie genoeg reden was in leven te blijven), humoristisch mengelwerk, een kinderboek, toneelvertalingen en vier bundels korte verhalen.

Al in '52 werd van hem een roman aangekondigd, die als titel zou dragen: "Wij stalen een jeep". Er is van deze diefstal ofjoy riding nooit iets gekomen, al komt het thema daarvan voor in de short story "Er was eens" in de bundel "Een ellendige nietsnut" uit 1960. Begin '61 waagde Campert zich pas aan het schrijven van een eerste werk van langere adem, daartoe geïnspireerd door het verrukkelijk -verwaarloosde feest-herenhuis, uitziend op de verlokkingen van Amsterdamse Vondelpark, dat hij met vrouw (23) en dochtertje (1) deelde met journalist Vrijman, diens vrouw (29) en diens dochtertje (1).

Campert's korte-verhalenlezers kennen de sfeer waarin de "helden" een vaag, scherp getekend bestaan leiden: de jongens die met de eenzaamheid van hun jeugd geen weg weten, de schrijvers zonder materiaal, de feestvierders zonder slaap, de tedere meisjes op zoek naar het sprookje. "Eenzaam, maar wel degelijk alleen " wordt de dichter, op zoek naar prentbriefkaarten van James Dean navrant beschreven, optornend tegen geweld van de natuur, soelaas zoekend in vriendschap met anderen, zelfs wanneer die anderen hem kwetsen, kleineren of irriteren.

Het werk van Campert kon tot nog toe als autobiografisch worden omschreven: in zijn gedichten de steden bi avond, de klamme hotelbedden onderweg, Berchtesgaden, het huis waarin hij woonde, de vakantie-eilanden in de Mddellandse Zee, de alledaagse feesten in Parijs en Amsterdam, de momentopnamen uit weerloze toestanden, overal aan te treffen, altijd herkenbaar.

Jagen, leven, herinneren

Bij de verschijning van een eerste langer werk is het daaraan voorafgegane kortere werk van dezelfde schrijver vaak niets anders dan voorstudie geweest, het slijpen van het potlood, het scherpen van de pen, het klinkklaar maken van woorden, het aanduiden van silhouetten en situaties, naderhand uitgewerkt rondom een centraal thema waaraan de schrijver kan worden herkend. Dit bhjkt niet het geval bij Remco Campert, die veranderde "What am i hunting? 1 cannot remember " zette hij als motto boven gedichten, enkele jaren geleden in Podium

verschenen onder de titel Jagen, leven, herinneren: "Waarop jaag ik? Ik kan het me niet herinneren ".

Een niet onn-fiddellijk herkenbaar, niet te herinneren werkelijkheid is de lichte jacht in Carnpert's romandebuut: een boek dat aan de oppervlakte blijft, maar daarin diep weet te graven, een lichtvoetig boek in proza geschreven dat zich soms een huppelpasje permitteert, maar waar een zeker mededogen niet vreemd aan is, een meeleven met figuren die de kantjes van de samenleving er wat aflopen, en waaraan deze maatschappij zeker niet rijker zal worden. "Zij zingen, nijgen naar elkaar en kussen, Geenszins om liefde, maar om de sublieme Momenten en het sentiment daartussen" luiden de regels van Martinus Nijhoff, die het verrukkelijke leven dat in het Vondelpark een aanvang neemt, als motto sieren. Dit park is de plaats van handeling in de eerste hoofdstukken van het opgewekte boek dat Campert zou gaan schrijven: hier spreken de jonge jazz-pianist Mees, en de vage jonge dichter Boelie ("twee afsplitsingen van mijzelf ") het 16-jarige meisje Panda aan. Een vreemd meisje, dat niet in werkelijkheid bestaat, al vertoont het foto-omslag een afbeelding in roaring twenties avondjurk van Camperts derde: Lucia. "Haar sensualiteit trok mij aan", verklaart Campert zijn Panda, "en het onberekenbare in haar - het zou gruwelijk zijn om met haar te leven, maar wel aanlokkelijk. Haar naam heeft niets te betekenen, ik kies mijn namen bijna altijd impulsief, Panda was de eerste naam die mij inviel ". Léven met Panda, hoe vu Buk ook probeert doorzetten Mees, die haar het huis heeft binnengepraat, niet. Dichter Boelie is af- hij moet worden géinterviewd op het terras van Américain, in het boek Asiatique. Het vlot niet zo erg met het vraaggesprek; interviewer Emst-Jan heeft huwelijksmoeifijkheden en hunkert naar het beluisteren van het radioverslag van de voetbalwedstrijd Holland-België. Totdat de vage Boelie de knoop doorhakt: "Hoe wil je het hebben, schuchter of brutaal?" Het wordt brutaal. "Een persiflage op de interviews die Hany Muhsch wel eens weggeeft, al zal hij zichzelf er wel niet in herkennen", zegt Campert, "het schuchtere interview is dat zoals het gewoonlijk mij wordt afgenomen. Maar schuchter en brutaal zijn keerzijden van dezelfde medaille ".

 

 

Dankbare Thijssen-fans

Als Boelie vertrekt voor zijn interview loopt Panda naar het bed toe, gaat op de rand zitten en doet haar schoenen uit. Speelse liefde in hoofdstukken 7, 8, 9. "Naderhand" -jagen, leven, herinneringen - (hoofdstuk 14) gaan Mees en Panda met twee brieijes van honderd die zij een grijsaard in de eerste Vondelparkhoofdstukken hadden ontfutseld, drank halen voor een feest dat zij die avond willen geven,

"Kun je haar niet even missen, Mees?" vraagt drankhandelaar Jens, na Panda nadenkend aangekeken te hebben.

("Bij die drankhandelaar dacht ik aan Rob Jonker, die zag er 1 0 jaar geleden zo uit, als hier beschreven. Maar hij staat niet meer in die zaak, hoorde ik. Het is overigens geen sleutelroman, misschien de sleutelroman van een milieu, maar niet van mensen. Misschien zou een ander dezelfde personen heel anders zien. Ik heb het wat vriendelijker gemaakt, in werkelijkheid is het heel wat armoediger en geestdodender. Verhoudinkjes. Gedonder. Wanhoopstoestanden"). "Ik wil wel", zegt Panda - maar het hoeft al niet meer van Jens, die nog een fles whisky opent. En met de drank, wat telefonisch bijeengeraapte mensen, en Boefie (die ondertussen de min of meer ongelukkige Etta, Ernst-Jan's vrouw op het bed van wildvreemden heeft liggen benaderen) wordt 's avonds het feest gegeven.

Zelfs Tjeerd, een student die de bestolen grijsaard heeft kennis doen maken met zijn oudtante Rosa Overbeek van de Vondelparkretirade, komt - angstig nozems ontwijkend - op het feest terecht. De grijsaard bleek Kees de Jongen uit Theo Thijssen's boek te zijn, die dankzij Campert zijn sinds zijn 13e uit het oog verloren schoolvriendin Rosa ("Fijnerd, lieverd ") weer terugvindt: een postume happy-ending, waar alle Thij ssen -fans Campert dankbaar voor kunnen zijn.

"Aan die Tjeerd heb ik wel een bizondere hekel", vertelt Campert, "typisch de beginnende student die al zijn onzekerheidjes achter gezwets verbergt, die zich wel snel aan de maatschappij zal aanpassen, er een keurig lid van worden - dat zie je aan dat soort jongens al op hun 17e jaar".

 

 

Geen burgermans-onfatsoen

De figuren uit het vurrukkullukke leven, de consequentieloze dagjesmensen uit een milieu, die Campert aan het hart gaan, omdat hun manier van leven hem een stuk aantrekkelijker lijkt dan de meeste andere manieren, hebben geen behoefte aan het verwerven van een plaats in de inij. "lfisschien schrikt een deel van de lezers van de amoraliteit van de personen in het boek, en toch zijn ze niet vreemder dan bijv. de Peelwerkers van Anton Coolen. Nu ja, ze houden zich niet aan fatsoengrenzen, niet eens opzettelijk trouwens. Ze kennen die grenzen niet eens: het is zelfs geen revolutie tegen het fatsoen, geen Walletjes - of kamertjeszonde, niet het burgennans -onfatsoen, maar de toestand na de revolutie. Daarom misschien onherkenbaar, als milieu. Nfisschien bestaat het niet eens, heb ik gegevens aan andere milieus ontleend, er een eigen milieu van gemaakt, hoewel ik rffij persoonlijk aan geen enkel milieu verbonden voel".

Toch heeft ook de schrijver kritiek op de leefwijze van zijn figuren, die hij wél in het hoofd had voordat hij ze, zonder aan bepaalde personen te denken, op papier zette - eerst anderhalve maand in het huis aan het Vondelpark, toen nog eens 3 maanden in de etage aan de Bloemgracht die hij sinds juni bewoont - maar die hij niet in een vooropgezet schema had ondergebracht.

"Hun wanhoopstoestanden werken weinig bevruchtend. Bij mij komt er meestal wel iets uit

voo@ werk of zo. Dat is hun negatieve facet: hun persoonlijkheid ontwikkelt zich niet, ze blijven op hetzelfde punt staan. Ze zijn niet gekweld, verscheurd of gespannen - en als ze het zijn houden ze het voor zich. Er wordt bij deze generatie over andere dingen gepraat".

Carnpert's experimentele medestrijders, de redacteuren van Podium en anderen: Gerrit Kouwenaar, Sybren Polet, Hans Andreus, Jan G. Elburg, Hugo Claus en Simon Vinkenoog, de literatoren van de jaren '50 en '60, hebben met het milieu door Campert blootgelegd, weinig of niets te maken. "Ik voel me onrustiger dan zij, heb angst voor de status quo. Ik wil beweeglijk blijven, niet altijd alles uit één hoek zien. Ik wil niet op en gegeven ogenblik denken dat ik het gevonden heb, dat het zó is en niet anders. Ik zou de mogelijkheid open willen houden van standpunt te kunnen veranderen".

Panda zal het feest, dat de dag en het boek besluit, niet bijwonen. En dat feest eindigt nog wel met een wonder dat Mees een gevoel van geluk bezorgt, "zo hevig als hij het nog nooit had gekend", en dat hem met "bijna alles" verzoent - het meisje laat het afweten, en wordt door de drankhandelaar naar huis gebracht. Het verrukkelijke leven van Carnpert (zijnentwege zal de Nederlandse spelling, ook van een groot aantal andere woorde@ wel niet veranderd worden, al vonden de woordgrappen van Raymond Queneau bij hem een waardig Nederlands onthaal, speelt zich af op een dag als alle anderen.

Tijdens het schrijven werkt Campert door aan andere dingen, voor de kost: toneel- en televisievertalingen : Le cháteau en Suède van Frangoise Sagan, Monsieur Chasse van Georges Feydeau, De Spooksonate van August Strindberg, en het proza van de musical Inna la Douce, waarvan Hans Andreus de liedjes vertaalde.

ltj beëindigde bovendien, gelijktijdig met de verschijning van zijn verrukkelijk en losbandig leven, een lang gedicht in opdracht van het ministerie van O.K. en W. (voor f 1500,-) geschreven: "Dit gebeurde overal" - vooij aar '62 bij de Bezige Bij te verschijnen. En ondertussen maakt Campert aantekeningen voor een nieuw boek, binnenkort te schrijven: #leen ietsje dikker, en niet spelend in hetzelfde milieu ", een milieu waarvan hij in dit jonge boek zonder herinneringen een treffende, soms ontroerende en tedere beschrijving heeft gegeven. "En als een producer er en film inziet, wil ik het scenario wel schrijven ".

 

Hosted by www.Geocities.ws

1