Beste Godfried, beste Simon:
Simon Carmiggelt en Godfried Bomans aan en over elkaar
De Boekerij, ƒ 20
Godfried Bomans en Simon Carmiggelt, het lijkt wel alsof ze alletwee een revival beleven. Van Bomans verscheen de laatste jaren het verzameld werk, de Kron- kels van Carmiggelt worden in rap tempo gebundeld, Henk van Gelder komt nog dit jaar met een biografie van Carmiggelt en een biograaf van Bomans heeft zich ook al aangediend. Bomans en Carmiggelt, beiden niet alleen bekend als columnist en schrijver, maar ook populair als televisiepersoonlijkheid, werden zo ongeveer gezien als de hoeders van de droge humor maar tegelijkertijd ook van de ultieme burgerlijke deugdzaamheid. Uitgeverij De Boekerij brengt nu een boekje uit over de contacten die Bomans en Carmiggelt onderling onderhielden. Bomans schreef vlak na de Tweede Wereldoorlog toneelkritieken voor de Volkskrant, Carmiggelt deed hetzelfde voor Het Parool. Hoewel het twee totaal verschillende karakters waren, mochten ze elkaar en bewonderden ze elkaars werk. Zowel in persoonlijke correspondentie als in interviews maakten ze galante opmerkingen en als er een verjaardag of jubileum gevierd werd, was de een niet te flauw de ander aan een vraaggesprek te onderwerpen. Nadat Bomans weer eens iets aardigs over zijn compaan had gezegd, stuurde hij een briefje: 'Nu is het weer jouw beurt'. Omdat een verantwoording in Beste Godfried, beste Simon ontbreekt, weten we niet of de paar brieven die nu afgedrukt worden onderdeel uitmaken van een uitgebreide correspondentie. Een ander nadeel van dit toch al dunne boekje is dat er zoveel in herhaald wordt. Het is mooi om te lezen dat Carmiggelt vond dat Bomans zo goed kon improviseren, maar als je dat om de vijftien bladzijden herhaald ziet, gaat het je tegen staan.
De anekdote over Carmiggelt die penningmeester van een stichting werd, en Bomans die zich afvroeg wat de penningmeester met de penningen deed, staat er ook drie keer in. En zelfs dan blijft het geestige van deze opmerking duister.
Dat Beste Godfried, beste Simon toch een leuk boekje is, komt omdat Bomans soms zo ontzettend grappig uit de hoek kan komen, en Carmiggelt daar dan zo mooi over schrijft. Zoals die keer dat het tweetal na een lezing in de V&D werd uitgenodigd bij een jonge telg van het geslacht Dreesmann. In zijn luxe appartement had de winkelmagnaat een bekende tekening van Albrecht Dürer hangen, met een 'geavanceerd lijstje' eromheen. Het commentaar van Bomans: 'Dat Dürertje heb je lelijk bedorven'.
Een ander voorbeeld van Bomans' snaakse humor blijkt uit zijn plan om samen met onder meer Carmiggelt te promoveren op een biografie van de fictieve Engelsman Spoon. Adriaan Roland Holst werd gevraagd voor dit boek een doorwrochte verhandeling te schrijven tegen een Spoonist in Londen 'die je met veel scherpzinnigheid op een - liefst kleine - onnauwkeurigheid betrapt'. Een paar jaar later voerde Bomans met dezelfde passie een campagne tegen blote standbeelden.
Bomans' probleem was dat hij niet kon weigeren. Televisie, geestige redevoeringen voor studentenverenigingen of reisjes in opdracht van een weekblad of omroep, hij nam het allemaal aan. Carmiggelt verwoordt dat op zijn manier: 'Hij kàn het gewoon te goed'.
Bomans gaf zich ook over aan een typering van Carmiggelt: 'Kin, neus en oren verraden in hun krachtige snit een ondernemend karakter, maar de melancholieke ogen hebben allang besloten daar geen gebruik van te maken.'
Bomans schrijft dat hij eens naar Amsterdam is gegaan om de door Carmiggelt opgevoerde types te bekijken. 'Wat blijkt, doorgezakte zeurpieten, die onmachtig staan te boeren en te rochelen, staan in afwachting van Carmiggelt die daar dadelijk iets van maken zal.' Bomans, die net Gogol gelezen had, concludeert daarom: 'Zo zit Amsterdam vol met kleurige figuren, die slechts op papier en bij overlevering bestaan, maar nimmer in vlees en bloed worden aangetroffen. In deze sector van volksmisleiding is Carmiggelt nu reeds jaren werkzaam. Hij is, evenals wijlen Tchitchikof, een handelaar in Dode Zielen.'