Schrijver Büch, Boudewijn

Titel Kleine blonde dood, De (gedeeltelijk eerder verschenen in Een kleine blonde dood, 1982)

 

 

Jaar van uitgave 1985

Bron Trouw

Publicatiedatum 21-11-1985

Recensent Rob Schouten

Recensietitel De bokkepruik van Boudewijn Büch

"Met welke Everly zou jij nou willen trouwen, Don of Phil?" "Eh, zo'n helemaal in leder gebonden boek, is dat erreg duur?" "Zeg Willem, hier boven hebben ze ook een bibliotheek met wel tweeduizend bandjes, zullen we daar eens gaan kijken." Al deze zwaarwichtige culturele vraagstukken en kwesties mocht ik de afgelopen tijd vernemen uit de mond van onze meest onvermoeibare en geestrdriftige literatuurverslinder en -propagandist, het fenomeen Boudewijn Büch.

Wie kent 'm niet, op de buis zwaaiend met een góéd boek, of een prachtige dichtbundel. Ja, en helemaal niet blasé hoor, voor een grijpstuiver springt-ie bijvoorbeeld ook met een papieren gitaartje op het podium, waar hij het dan verscheurt, in navolging en ter aankondiging van The Who. Büch, verschijnsel, merknaam waar je niet meer om heen kunt, ofje nu De Nieuwe Revu leest, de VPRO beluistert of naar de VARA kijkt.

Een ongekunstelde jongen, een leuke springerige kwant die moeilijke dingen als literatuur over ons volk spreidt, die op tv mag roepen dat hij 'De aanslag' zdn geweldig boek vond, in tegenstelling tot'De Compositie van de wereld' dat juist helemaal niks voorstelt, en dan knikt hij in de richting van Harry op de voorste rij en Harry steekt zijn duim op, opdat duidelijk worde dat het goede nieuws is aangekomen. Korto@ nieuwe publiciteitsdimensies in letterland!

Maar Boudewijn heeft ook een groot verdriet. Achter zijn opgetogen masker van cultuurpopularisator gaan melancholieke gedachten en doodsobsessies schuil. Dat is de schrijnende romantiek van zijn bestaan, dat hij ook al dat onuitsprekelijke leed nog mee moet zeulen. Gelukkig is daar de literatuur want, zo redeneert Büch, je hoeft boeken niet alleen te verkopen, je kunt ze ook maken. Ik durf zelfs te veronderstellen dat hij in zijn hart eerst droevig schrijver en dichter is en vervolgens pas uitdragen van de blijde boodschap, dat anderen het zo leuk doen.

Nu het ergste verdriet. Die boeken van Büch, ik bedoel die boeken die hij zelf schrijft, die oogsten niet het succes dat hij iedereen zo ruimhartig gunt. Vooral zijn poëzie wordt door critici wel eens naargeestig besproken. En poëzie, dat is nou juist de gevoelige snaar, daar snikt en zingt de mens zijn ziel in uit, is het niet? Maar wacht even, hoe kan de kritiek al die prachtige verzen, die lamenti en androgyne pracht nu niet mooi vinden? Aha, juist, de kritiek deugt niet!

 

 

Aldus vatte Büch het probleem van de onderschatte schoonheid van zijn werk onlangs in zijn

Paroolcolumn van 1 november krachtig samen: de poëziecritici in Nederland zijn "laf, dom en te

besodemieterd in het algemeen."

Het zijn zogezegd "imbo's", imbecielen die doen aan "opzettelijke foutlezerij, rancune-recenserij, vuilspuiterij en dergelijke." Als een vertoornde Sinterklaas kraste Büch de namen van de ergste booswichten op: Rein Bloem, Tom van Deel en Rob Schouten (dat ben ik).

Maar het is nu afgelopen met zijn geduld. Voor straf krijgen wij Büchs bundels niet meer ("het sado-masochisme ligt mij nu eemnaal niet"), hij houdt op in het openbaar nog poëzie te publiceren. Hoe romantisch! De onbegrepen dichter verkiest te zwijgen! Dus nooit meer aangrijpende regels als 'geen toestel kent het accesoir / dat dood ophefbaar / maakt met ene klik'. Kiespijn.

Ook ik heb er genoeg van, niet van de presentator Büch en zijn potsen op de buis, zelfs niet van de alledaagse Büch die ik wel eens op straat tegenkom of onder de verzoenende supervisie van ons beider uitgever Theo Sontrop; genoeg daarentegen, schoon genoeg zelfs, heb ik van de querulant op papier, de nazaat van Propria Cures tien jaar geleden, het scheldende mannetje dat zonder aanwijsbare reden 'imbecielen' en 'geteisem' staat te roepen, omdat hij serieus genomen wenst te worden.

Dan nu waarvoor we bij elkaar gekomen zijn, de literatuur. Thans ligt voor mij Büchs laatste, (nog) niet onder enig embargo vallende roman 'De kleine blonde dood. Wat daar zo curieus aan is? Dit! Voorin staat geschreven 'Iedere gelijkenis van figuren in dit boek met bestaande personen moet worden beschouwd als een gelukkig of ongelukkig toeval.'En nu heet de hoofdpersoon me daar toch toevallig Boudewijn, Boudewijn Büch. Kijk, dat is nu leuk, daar strooi je de lezer zand mee in de ogen: is het allemaal waar of is het verzonnen?

Ook bij vorige gelegenheden maakte Büch expres de slapende honden onder zijn lezers wakker. In zijn soms knap oubollig-ffildebrandteske roman'De blauwe salon'Iees ik'Elke gelijkenis van personen en situaties in dit boek met bestaande personen en situaties berust op toeval', en in 'Weerzien'; 'Uit oogpunt van literaire conventie zijn enkele gebeurtenissen van hun oorspronkelijke feitelijkheid ontdaan.' Attentie dus, Büchs proza cirkelt om de twijfel tussen realiteit en verbeelding.

Welnee. Een roman als 'De kleine blonde dood is een heus niet zo onaardig verhaal over de vertwijfelde relatie van een zoon met zijn door de oorlog verknipte vader, en het verdriet van die zoon om zijn eigen vroegtijdig gestorven zoontje Nficky. Maar maakt u zich geen zorgen, het is gewoon rechttoe rechtaan realistische proza over droefheid en gekte, of het nu echt gebeurd is of niet. Niets in de tekst dringt aan op grote twijfel omtrent het waarheidsgehalte. En bovendien, wat interesseert ons de waarheid? Dante is ook niet in de hel geweest, en in de hemel al helemaal niet.

Die modieuze invalshoek is er door de schrijver maar opgeplakt om het boek boven zichzelf uit te tillen en er een letterkundig tintje aan te geven zodat verliteratuurde critici mogelijk in de war raken en problemen zoeken waar ze niet zijn. In feite gaat het echter voortdurend om regels als:

"De jaren vijftig waren gevuld met dood. Klasgenootjes raakten verlamd door polio en een paar droegen we met de klas naar het kerkhof Weliswaar kreeg ik geen polio maar wel tbc, wat toen een gewone ziekte, met soms dodelijke afloop was. In het sanatorium heb ik een paar maal naast stervende lotgenootjes gelegen. De voortdurende zelfinoordpogingen van mijn vader, de aanblik

van een medepatiëntje dat zich in een boom achter het gekkenhuis had verhangen, deden mij bijna naar de dood verlangen. Gedurende mijn internering in Brabant zetten zich zelfmoordgedachten in mij vast die mij nooit meer zouden verlaten.

Mijn grootmoeder heeft eens tegen mij gezegd: 'Voordatje naar Brabant ging wasje zo'n leuk ventje, daarna heb ikje nooit meer blij gezien'."

Beetje overdreven, beetje tragische regels misschien ook. Bovenal zeer verstaanbaar en begrijpelijk. Geen moment denk je, hè wat merkwaardig! Of, wat wordt hier nu verbeeld? Jammer voor de schrijver want die wil juist allesbehalve begrepen worden. Het enige dat hij wenst is bewieroking en anders gaat de bokkepruik op. Zo iemand is dat dus, bah!

 

Hosted by www.Geocities.ws

1