BOUDEWIJN BÜCH
Geestgrond
Amsterdam: De Arbeiderspers
153 blz., 599 fr.
De kleine blonde dood
Twintigste, herziene en uitgebreide druk
Amsterdam: Arbeiderspers
213 blz., 599 fr.
TIEN jaar na het verschijnen van Boudewijn Büchs best-seller ligt er
een herwerkte en uitgebreide twintigste druk van De kleine blonde dood
op tafel. Wat kon er nog veranderd worden aan deze klassieker uit de
jaren tachtig, waarin Büch de dood van zijn zesjarige zoontje herdacht en
met de zelfmoord van zijn vader afrekende? Het is bekend dat de exuberante
auteur en televisieprezentator alles graag flink aandikt, maar de
geschiedenis van De kleine blonde dood lag zo emotioneel dat hij zich
daarin wijselijk had ingehouden. Met sukses, want Büch raakte bij het publiek de
gevoelige snaar. Van dan af zou hij het tema meermaals hernemen - tot in
zijn nieuwste roman Geestgrond toe.
Behalve twee hoofdstukken, die destijds weggevallen waren, is er aan
De kleine blonde dood niet zo bijster veel toegevoegd: wie het boek
al heeft, hoeft niet spoorslags naar de boekhandel te hollen. In de eerste
plaats heeft Büch een paar ziekenhuisscènes opgevist, die destijds
waarschijnlijk waren afgevoerd omdat er al zoveel in het boek zaten en omdat het
relaas over de opname van zijn comateuze zoontje tenslotte voorrang had.
Onmisbaar is het hoofdstuk dus niet, maar anderzijds verandert het boek door de
extra passage nu ook niet meteen in een doktersroman.
Het tweede oorspronkelijk geschrapte fragment, een bezoek van Boudewijn
aan een oude boekhandelaar, is duidelijk om bibliofiele redenen opgenomen.
Als boekenliefhebber en Goethe-verzamelaar vertoont Büch regelmatig tekenen
van wat je met een knipoogje Büchomanie zou kunnen noemen. In dit hoofdstuk
heeft hij het over een boek dat hij van zijn vader cadeau kreeg, een
curiosum omdat er een paar onbedrukte bladzijden in zaten. Aardige anekdote,
maar verder is het zonneklaar dat deze jubileumeditie vooral als promotie voor
de nieuwe roman moet dienen, het allang aangekondigde vervolg op De
kleine blonde dood.
Geestgrond is na dit alles beslist geen tegenvaller, wel
integendeel. Ook al zit het boek nog zo dicht op zijn voorgangers, het bevat wel
degelijk belangrijke nieuwe gegevens over Büchs problematiek.
Büch heeft ook nooit eerder zijn fantazie zo hard laten werken: er komt
in het nieuwe boek een heel mooie uitleg voor over zijn reislust, die
intussen berucht is geworden van de televisie.
Wie De kleine blonde dood kent, weet dat Winkler Brockhaus als
kind onder de terreur van zijn depressieve vader leed. De man was behept
met een afkeer voor alles wat Duits was, en ging zelfs zo ver zijn eigen
Duitse afkomst te verloochenen. In Geestgrond maakt hij zijn zoontje
wijs dat hij van veel verder komt, dat de Bering Zee zijn eigenlijke
,,geestgrond'' vormt. Winklers gevoel voor beeldspraak was toen natuurlijk nog
niet erg ontwikkeld; hij begreep niet dat zijn vader alleen maar zeggen wou
dat hij zich waar ook ter wereld ver van huis voelde.
Büch buit deze kommunikatiestoornis tussen kind en volwassene tot het
uiterste uit, om duidelijk te maken dat er tussen de twee een gekompliceerde
band bestond.
Winkler Brockhaus trok zich dus, wanneer zijn vader weer eens ruzie
gezocht had met zijn moeder, in een hoekje terug met zijn kinderatlas om te
zoeken waar die Bering Zee nu precies lag. Daar hield hij later zijn fascinatie
voor vreemde bestemmingen aan over. Wie Büchs reisprogramma op de
Nederlandse televisie al eens gezien heeft, weet dat de man het inderdaad graag in
verre oorden zoekt. Geestgrond maakt duidelijk waarom. Want
Winkler is niet zomaar gek op reizen. In feite is hij voortdurend op zoek naar
zijn vader, die de dag dat hij zijn gezin in de steek liet, naar Mexico
vertrok.
Dat Winkler ergens zijn intussen overleden vader nog tegen het lijf hoopt
te lopen, is natuurlijk ook beeldspraak. Maar het toont mooi hoe Büch op
deze manier een soort literaire myte probeert te scheppen. Ook Winkler
Brockhaus maakt deel uit van deze mytevorming. In de nieuwe twintigste druk van
De kleine blonde dood heet de hoofdpersoon weliswaar nog altijd
Boudewijn, wat een beetje verwarrend overkomt. Maar op het einde van
Geestgrond, op ,,de dag dat het verhaal de derde persoon niet langer
verdroeg'', schakelt Büch resoluut opnieuw op de ik-vorm over. Het is een van
de strukturele ingrepen die het boek tot een belevenis maken.
GEESTGROND is min of meer opgebouwd als een lange psychiatrische
sessie, waarin Winkler zijn relatie tot zijn vader probeert te begrijpen. Op
een of andere manier lag zijn ontzag voor de opvliegende man aan de basis van
de onmin in het gezin. Het hoge woord moet eruit: in feite had hij een
liefdesverhouding met zijn vader, zo oreert zijn psychiater. Het wil Winkler
niet meteen te binnen schieten dat hij met zijn vader ooit de liefde
bedreef, maar ,,omdat hij ergens zeker van wilde zijn, hechtte hij daar op den
duur maar geloof aan''.
Büch zoekt in deze incestueuze toestand zelfs een verklaring voor zijn
homoseksualiteit. Natuurlijk is het zo dat Winkler behalve van zijn eigen
zoontje van niemand anders méér hield dan van zijn vader. Zijn moeder bij
voorbeeld haatte hij, die wou trouwens alleen maar de rol van huissloofje
spelen. Vandaar dat Winkler ook altijd zo'n onrust in zich voelde, dat had hij
van zijn vader. Vandaar ook dat hij hem als volwassene achterna reist, tot
aan de Bering Zee en tot in Nieuw-Zeeland toe. Al was het maar om, in alle
eenzaamheid, op de ,,geestgronden'' van zijn vader het inzicht te krijgen
dat de rationele uitleg van de zielearts hem niet kan geven.
Die openbaring bewaart Büch voor op Nieuw-Zeeland. Het is een belangrijke
verwikkeling, die in De kleine blonde dood nog niet aan de orde
was. In dat boek werd nooit met zoveel woorden gezegd dat Mieke, de vrouw
die Winkler ongewild zwanger gemaakt had, eigenlijk een lerares van hem was.
Büch beperkte zich toen tot het mislukken van de relatie en tot Miekes
alkoholisme. Nu lanceert hij de stelling dat het Winklers vader zelf was die
Mieke ertoe aanzette om hem te verleiden. Zo hoopte de man die vervloekte
band tussen hen te verbreken, zonder evenwel helemaal zijn macht over hem te
verliezen. Want Winklers vader was zelf ook Miekes minnaar...
Boudewijn Büch slaagt erin deze ingewikkelde situatie als een toonbeeld
van helderheid voor te stellen. Tenslotte was dat ook de uitdaging: een
verhaal dat afgerond leek, nieuw leven inblazen. Dat kon alleen door het hele
kluwen draadje voor draadje opnieuw te ontwarren. Veel keuze, behalve het
steeds maar op hetzelfde tema variëren, had Büch niet. Maar het dwong hem ook
om biezonder ekonomisch met zijn stof om te springen. En het is juist het
eenvoudige, obsederende karakter van zijn stijl dat ervoor zorgt dat er
geleidelijk aan een heel nieuwe waarheid ontstaat.
De waarheid is vaak banaal, dat is in Geestgrond niet anders.
Maar ook al eindigt de geschiedenis met een anticlimax, het blijft een
verrassing. Het zou zonde zijn om uit de doeken te doen wat Winkler in
Nieuw-Zeeland ontdekt en wat voor licht dat op de drieëenheid van vader, zoon en
kleinzoon werpt. Toch nog dit: wie die bijna groteske en toch subtiele wending
in Geestgrond niet zou kunnen smaken, gaat geheel en al voorbij
aan de minutieus opgebouwde literaire beeldspraak. Boudewijn Büch heeft met
dit kunststukje eindelijk de vloek die op hem rustte bezworen.
KAREL OSSTYN