Trouw
, 14 oktober 2000Getob van een eenzelvige pillenneuroot
PETER HENK STEENHUIS
Het huis van de literatuur kent vele kamers, waarin het oeuvre van Jeroen Brouwers een bijzondere plek inneemt. En wie een nieuwe roman ter hand neemt, herkent het interieur onmiddellijk: de hoofdpersoon is 'doortrokken van angst', de geliefde een 'verre beminde' en de ruimtes waarin het verhaal zich afspeelt zijn onmiskenbaar 'dwaaloorden'.
In Brouwers' eerste roman sinds tien jaar is zelfs de titel al een prelude op het spiegelpaleis dat ook dit boek weer zal worden: 'Geheime kamers'. De titel keert in het verhaal geregeld terug, een enkele keer verwijzend naar het vrouwelijk geslacht, soms duidend op een geheim te houden locatie, maar het sterkst is de term van toepassing op het binnenleven van de personages: ,,Hij hoeft niet alles te weten. Hij komt niets te kort en daar mag hij tevreden mee zijn. Er zijn geheime kamers waar hij niets te zoeken heeft.'
Deze woorden worden uitgesproken door de 'verre beminde', Daphne Uitwyck. Zij is zangeres en vrouw van de hooggeleerde Nico Sibelijn, wiens inauguratie de opmaat vormt van dit liefdesdrama. Enigszins voorspelbaar is dat de hoofdpersoon, Jelmer van Hoff, niet voor zijn oude studievriend is gekomen, maar voor de nimfachtige schoonheid van diens vrouw.
Brouwers laat het niet na te bewijzen dat Daphne ook echt verwijst naar de dochter van de riviergod Peneus, die, achterna gezeten door Apollo, in een laurierboom veranderde. Luttele pagina's nadat haar naam is geïntroduceerd, nog steeds op de receptie ter ere van de studievriend, staat nimf Daphne in een zaal vol opgezette dieren uit de prehistorie. Bij tijd en wijle zetten deze beesten het op een loeien: ,,Daphne, turend in het grottendonker waar het lawaai uit opklonk, veranderde in een beeld. Dwars door het zwart keek ze mij met opengesperde ogen recht aan, zonder dat zij het wist.'
Natuurlijk, dat deze Daphne, Daphne heet is niet zonder betekenis -zoals niets in Brouwers' werk zonder betekenis is. Maar Brouwers speelt dit literaire spel nu al decennialang en steeds nadrukkelijker, zodat het verhaal voorspelbaar wordt als een roman van Jeroen Brouwers.
Na de ontmoeting op de inauguratie ontstaat er een briefwisseling tussen Daphne en Jelmer, het huwelijk van beiden is minder rooskleurig dan aanvankelijk leek, de hoogleraar schijnt de boel besodemieterd te hebben, zijn reputatie verpulvert, maar de geliefden zullen elkaar uiteindelijk ook niet gelukkig maken, en de roman eindigt in het gebouw, waarin ooit de receptie plaatsvond voor de hooggeleerde studievriend: ,,Maar evenals de vorige keer dat ik in dit gebouw was, raakte ik er de weg in kwijt. (...) Steeds vroeg ik naar de juiste richting door dit labyrint van wegomleggingen, wat ik uit alle macht schreeuwend moest doen, maar zonder me verstaanbaar te kunnen maken.'
Opeens ontdekt de hoofdpersoon hier eerder te zijn geweest. Dit beseft hij op het moment dat hij Daphne opmerkt. Als een heuse waternimf staart zij naar een enorm aquarium met 'voorkalenderse watergedrochten, zeedraken, zwemmende pantservoertuigen' -een zwemfauna die verdacht veel trekken vertoont van een onderwereld, ook een geliefd oord van Brouwers.
In de hoop dat nu alles goed komt beent Jelmer extatisch opgetogen op zijn geliefde toe: ,,Zij was gekomen om mij te vertellen dat ze had besloten dat zij en ik, om mij te vragen of wij niet samen verder...' Maar voor geluk is in het oeuvre van Brouwers nauwelijks plek, en dus verschijnt de bedrogen echtgenoot aan de andere kant van 'bottenchaos', schietend met een revolver die keurig aan het begin van de roman zijn rolletje al had opgeëist. De schutter raakt de aquariumwand, en de waternimf komt onder een waterval te staan, waarna ook zij getroffen wordt door een kogel.
Het verhaal is ronder dan rond, op de motieven is gevarieerd, de thema's zijn verwerkt. Brouwers heeft opnieuw een fuga geschapen, een grootse maar onbevredigende roman.
Rest de vraag waarom de fuga deze keer zo voorspelbaar eentonig blijft, terwijl zijn werk vroeger gekenmerkt werd door een ontroerende meerstemmigheid. Het antwoord lijkt mij te liggen in de vorm die Brouwers kiest. Hij wenst een vakmatige compositiekunst te beoefenen, die de lezer als een schoon kunstwerk moet overtuigen. Zijn uiteindelijke doel is het scheppen van schoonheid. Maar de vraag is of dit een zinnig doel is, of degene die schoonheid wil scheppen niet uiteindelijk kitsch zal oogsten.
Brouwers, op de hoogte van het gevaar van het estheticisme, zei ooit in een interview met T.van Deel: ,,Ik wil een verhaal uit mijn voorraad verhalen kiezen en dat omkleden met (a) taal en (b) allerlei boodschappen die in mij zitten. Het gaat om die boodschappen, ik wens iets mee te delen.'
Het is deze boodschap die langzaamaan vervluchtigd is, de vorm als een lege huls achterlatend. De hoofpersonen uit zijn schitterende Indië-romans ('Het verzonkene', 'Bezonken rood', 'De zondvloed') waren getekend door een oerervaring, voortgekomen uit liefdeloosheid die tijdens de jeugd is ondervonden, en die het aangaan van duurzame relaties in het latere leven onmogelijk maakte.
In 'Geheime kamers' zijn de personages nog net zo min in staat hun relaties in stand te houden, maar de paradijselijke tegenwereld die ergens in duigen is gegooid, ontbreekt. Hierdoor blijft het hoofdpersonage een weinig interessante 'eenzelvige pillenneuroot' die al bang is 'om in de lift een medeflatbewoner te moeten teruggroeten'.
Alleen wanneer zijn mongoloïde dochter Hanneke ter sprake komt, wekt Jelmer van Hoff het mededogen op dat personages uit zijn Indiëromans nagenoeg vanzelf ten deel viel. Bij de introductie van zijn dochter is het onmiddellijk raak. Nadat zijn oude studiegenoot naar zijn dochter informeert, denkt Jelmer: ,,Portefeuille trekken, foto van Hanneke laten zien? Leuke meid, lief kind. Aanhankelijk, altijd vrolijk, lacht de hele dag. Gezichtje als een voetbalgrote aardappel, waar plukken zwart haar op groeien. Daar een witte strik in. Mond hangt altijd open, onderlip puilt naar voren en verzamelt het speeksel dat in draden voor haar kin komt te hangen. Krijgt al borstjes, maar kan niet praten, alleen wawawa.'
Dit is het eerste wat over de dochter gezegd wordt, maar dwars door de hardheid en de kracht van de mededeling resoneert verdriet, dat in alle scènes waarin zij optreedt op een ontroerende wijze terugkeert en verwerkt wordt. Zonder dat je het vermoeden hebt te stuiten op motieven en thema's, die al dan niet gespiegeld hun belangrijkheid benadrukken.
In het verhaal over de relatie tussen de vader, de moeder en de dochter had de boodschap kunnen zitten, waar het Brouwers uiteindelijk om gaat. Dan waren ons de breed uitgemeten dwaaloorden bespaard gebleven. Evenals het weerzinwekkend saaie getob van een van angst doortrokken personage en het voorspelbare gedoe met de verre beminde.
![]()