Schrijver Brokken,Jan
Titel Blinde passagiers, De : roman
Jaar van uitgave 1995
Bron Vrij Nederland
Publicatiedatum 16-09-1995
Recensent Carel Peeters
Recensietitel Niemand gaat zomaar naar zee
Een langdurige zeereis als de katalysator van een loutering: met 'De blinde passagiers' heeft Jan
Brokken zijn meest ambitieuze roman geschreven, in lengte en in diepgang.
Het is dat de Bolero van Ravel een wel erg bekend muziekstuk is, anders had ik daannee het werk van Jan Brokken vergeleken. Bij Brokken begint het ook altijd heel langzaam en neemt de spanning geleidelijk toe. Met steeds grotere frequentie voegt hij iets aan het verhaal toe dat al het voorgaande in de schaduw stelt. Tot hij de apotheose heeft bereikt en het verhaal beëindigd kan worden op de kalme manier waarop het begon. Zo verloopt het autobiografische verhaal 'Honden' in Vulkanen vanaf zee. De ervaringen die Brokken zo angstig voor honden hebben gemaakt, worden in dat verhaal steeds iets vreemder. Op de achtergrond bevindt zich de eerste herinnering aan een enge hond: de keer dat hij met zijn moeder het erf van een boerderij opliep en ze belaagd worden door een blaffende hond, waarvoor zijn moeder wegvlucht met hem hoog in haar armen. Na nog veel meer honden komt dat het verhaal dat al het voorgaande in de schaduw stelt, gelezen op het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in het dagboek van een vreemde: de gruwelijke ervaringen van zijn moeder met wilde honden in een Japans kamp in Indië.
Het eveneens autobiografische Goedenavond mrs. Rhys, het verslag van zijn bezoek aan het eiland Dominica waar de schrijfster Jean Rhys haar jeugd doorbracht, heeft ook zo'n verhaalverloop. Brokken wilde alleen maar het landgoed Geneva bekijken waar Rhys heeft gewoond, maar elke dag komt hij meer te weten over wat zich daar voor eigenaardigs en verschrikkelijks heeft afgespeeld en dat nog steeds van invloed is op de mensen die op het eiland wonen. Die onthullingen gaan door tot op de laatste dag van zijn verblijf, en dus tot de laatste pagina's van het boekje. Dit getuigt allemaal van veel zelfbeheersing bij de schrijver (die immers alles al wist voor hij ging schrijven) en ook van compositievermogen.
In de meer dan vierhonderd pagina's van De blinde passagiers is het niet anders. Het duurt driehonderd bladzijden tot de apotheose zich aandient, al kan men dat hier niet zo noemen omdat die allerminst heftig wordt gepresenteerd. Hoeveel onrust en spanning er zich ook in voordoe@ de roman heeft de epische duur van de lange zeereis van Frankrijk naar Zuid-Amerika die erin beschreven wordt. De onthullingen duren zo lang, omdat de hoofdpersoon Maurice Schotel zoveel tijd nodig heeft om de herinneringen tot zich toe te laten die hij liever had onderdrukt, ook al maakt hij de reis juist (maar onbewust) om met ze in het reine te komen. Schotel is een restaurateur van oude schilderijen die al jong naar Parijs ging en sindsdien op verschillende plaatsen in Europa en in Rusland heeft gewerkt. In deze geografische zin mag hij een zwerver zijn, innerlijk valt hij samen met zijn beroep, waar veel zitvlees voor nodig is. Dat hij als enige passagier nu met een vrachtschip, de Maria Rcygersbergen, een lange reis maakt, heeft te maken met een in de loop der jaren aangewakkerde onrust, die zich uitte in het trillen van zijn handen.
Alles draait wel om die onrust in De blinde passagiers, maar daar merk je aanvankelijk weinig van. Brokken geeft alleen maar wat vage aanwijzingen ('niemand gaat zomaar naar zee'), even vaag als ze in het hoofd van Schotel moeten zitten. Dat Schotel om een bepaalde reden op reis is gegaan, blijft lang een strategisch vermoeden. Maar juist dat vennoeden maakt het Brokken mogelijk om het ondertussen uitvoerig over allerlei andere zaken te hebben waar Schotel mee te maken krijgt: de reder, het schip, de bemanning, de officieren, de twee verstekelingen, zijn buitenlandse verblijven en de enige vrouw aan boord, de vrouw van de roerganger. Er broeit iets. Er broeit vanaf de eerste pagina's iets omdat de roman begint met de twee Pools/Russische verstekelingen, verstopt tussen de containers, verstoken van eten en water, dagenlang levend van niks en wodka. Hun toestand en wanhoop worden gedetailleerd beschreven. Nadat ze na tien dagen worden gesnapt, beginnen ze een allegorische betekenis in de roman te spelen: het is alsof met hen ook de pijnfijke herinneringen van Schotel aan zijn jeugd naar boven zijn gekomen. De twee wilden naar Amerika, waar ze zich overspannen voorstellingen van maakten. Ze hebben zichzelf Amerikaanse namen gegeven (Humphrey en Buick). Schotel kan het heel goed met ze vinden en heeft alle begrip voor hun vlucht, met name Buick bevalt hem. Hij identificeert zijn eigen 'vluchtende' leven met dat van hen. Buick wilde wel graag weg, maar zit emotioneel nog aan zijn geboorteland vast, ontdekt Schotel, zoals hij emotioneel vastzit aan zijn jeugd en aan de herinneringen aan zijn vader, die op zijn beurt weer vastzit aan de tijd dat hij in Indië woonde: 'Het verleden laat zich niet afsluiten, de dingen blijven doorwerken, blijven trekken, kieren, gisten.'
In het eerste (van de drie) delen wordt afwisselend het lot van de verstekelingen beschreven en het doen en laten van Schotel. Brokken neemt alle tijd voor het beschrijven van Schotels ontmoeting met de reder, het leven op het schip en voor de moeizame verhouding die tussen Schotel en de vrouw van de roerganger ontstaa@ Adriana. Via haar ontstaan de terugblikken op zijn leven met Judy, een Amerikaanse restuaratrice met wie hij tien jaar heeft samengeleefd in Parijs en Italië. Geleidelijk ontstaat het beeld dat hij al die jaren met Judy zijn jeugd heeft willen verlengen en daardoor nooit tot een volwassen confrontatie heeft kunnen komen met zijn vader; daar vluchtte hij al die jaren voor weg. Het is dat de vergelijking met de ui al zo is afgekloven, anders had ik de manier van schrijven van Jan Brokken daarmee vergeleken.
Het is alsof hij al schrijvend een ui aan het pellen is en zo steeds dichter bij de kern van de roman komt. Steeds wordt er weer iets verteld waar je in het licht van het voorgaande van opkijkt. Bijna driehonderd pagina's lang weetje niet dat Schotel wel een heel speciale band heeft met schepen ('niemand gaat zomaar naar zee'). Tegen die tijd blijkt namelijk pas dat hij in zijn jeugd elke zaterdag met zijn vader boten ging kijken, dat hij er alles van wist, zoals een ander kind van postzegels. Omdat die herinneringen samenhangen met zijn vader, heeft hij ze weggedrukt. Die vader (een donfinee) was in Indië geweest en terug in Nederland zwaar aan de pillen en de drank geraakt. Zijn zoon vond hem toen vaak bewusteloos onder tafel liggen en ontwikkelde een sterke afkeer van hem, zo erg dat hij hem van boosheid en flustratie in die toestand wel eens schopte en toetakelde. In zijn herinneringen heeft hij zich zes of zeven keer niet kunnen inhouden. Zijn vader heeft het nooit geweten, die merkte niets en was alles vergeten de volgende ochtend. Wanneer hij merkt dat Adriana zich met pillen op de been probeert te houden, is dat de aanleiding om met haar te breken. Het is ook de keer dat hij in een gedecideerde woede ontsteekt. De blinde passagiers zit vol parallellen. Op de achtergrond van Schotels moeizwne verhouding met de gezagvoerder van het schip, Bruining Smit, bevindt zich zijn vader. Dat hij als restaurateur van oude schilderijen fanatiek het verleden wil conserveren, botst met zijn instinctieve neiging om zijn eigen verleden de rug toe te keren, tot het hem niet meer lukt. De suggestie kan ontstaan dat De blind passagiers zich louter concentreert op Schotel. Hij is wel de spil, maar Brokken neemt echt de tijd en ruimte om alles om Schotel heen aan bod te laten komen. Dat geeft epische ruimte aan de roman, maar het onthult ook een zwakte van de roman. Brokken is de alwetende verteller en dat is een wat ouderwets perspectief. De alwetende verteller
kent alle personages van binnen en buiten, hij is als een God, en dat is een beetje raar. Je kunt niet van alle personages evenveel weten. Hoe Brokken ook probeert om bij zijn personages naar binnen te kijken, alleen bij Schotel heb je de indruk dat hij ook echt binnenkomt. De andere personages blijven in de beschrijving steken. Kiezen voor de monologue intérieur zou een grotere diepte hebben gegeven en ook de variatie in de compositie ten goede gekomen zijn. Die wordt nu bepaald door één perspectief en toonaard. Met name in de terugblikken had hem dat kunnen behoeden voor een ondraaglijke eentonigheid: om iets dat zich in het verleden afspeelt te beschrijven kiest Brokken consequent voor 'had' en 'hadden', zodat pagina's achtereen zinnen staan als: 'Hij had eindelijk de zee gezien', 'Hij had even gevreesd', 'Hij had zijn schoenen uitgetrokken', 'IEj had hem van top tot teen opgenomen.'
De blinde passagiers is desondanks een ambitieuze en zeer geslaagde roman waarin erg veel gebeurt, als in een avonturenroman. Het is een roman waarin de loutering van de hoofdpersoon ontstaat door de reis, het contact met bemanningsleden en door onbewuste identificaties die zijn geheugen omwoelen. Hele hoofdstukken lijkt Brokken van zijn hoofdpersoon weg te zeilen, zoals wanneer zich spannende momenten op zee voordoen, maar hij komt altijd weer bij hem terug om hem 'de juiste beproeving' te laten ondergaan.