Schrijver Brink, H.M. van den
Titel Over het water: novelle
Jaar van uitgave 1998
Bron Vrij Nederland
Publicatiedatum 25-04-1998
Recensent Carel Peeters
Recensietitel Trainen voor geluk
H.M. van den Brink publiceerde drie boeken met journalistieke reportages ('Reis naar de West', 'Boven de grond in Washington en New York', 'De dertig dagen van Sint Isidoor') en een roman, 'De vooruitgang', die allemaal opvielen door hun geïnformeerdheid en stilistische kwaliteiten. Zijn nieuwe roman 'Over het water' doet hier niet voor onder: hij heeft alle eigenschappen om klassiek te worden. Bij de eerste keer zie je niet alles even scherp. Bij tweede lezing binnen korte tijd heb je de gewaarwording van het scherper stellen van een lens. Het enigszins diffuus gebleven beeld van twee jongens die een smalle, langgerekte roeiboot in zwijgzame verstandhouding in het water leggen, verschijnt nu in heldere contouren, inclusief de vlokkige wolken die voor het geglinster op het water zorgen. De samenstellende delen van de roman gaan er nog zelfstandiger en in hun onderlinge verhouding bij staan. Dit effect wordt nog versterkt als het om iets bijzonders blijkt te gaan. Het is door zijn suggestieve volledigheid dat Over het water een onverwoestbare indruk maakt. Het gaat precies om deze combinatie: dat alles wat verteld lijkt te moeten worden, onomwonden uitgesproken wordt en dat er tegelijk van alles ongenoemd blijft dat wel degelijk de sfeer bepaalt. De verleiding om juist de suggestieve kanten van het verhaal 'hard' te maken heeft Van den Brink weerstaan, soms op de rand, wat een prestatie mag worden genoemd. Soms op de rand. De vraag is bijvoorbeeld waarom van den Brink het verhaal over twee jongens van een jaar of achttien die uit een groep van acht worden uitverkoren om 'de twee zonder stuurman' te roeien, 'de libelle onder de roeischepen', in het jaar 1939 situeert. Ongetwijfeld om een contrast te veroorzaken tussen de twee zomers van geluk die de hoofdpersoon Anton ervaart en de ongelukkige toestand waarin de beschaafde wereld zich bevindt. Maar Anton is zich van de wereld in 1939 nauwelijks bewust, hij gaat helemaal op in het roeien en hij komt niet uit een milieu waarin men zich openstelt voor de wereld (zijn ouders lee'Boven de grond in Washington en New York', 'De dertig dagen van Sint Isidoor') en een roman, 'De vooruitgang', die allemaal opvielen door hun geïnformeerdheid en stilistische kwaliteiten. Zijn nieuwe roman 'Over het water' doet hier niet voor onder: hij heeft alle eigenschappen om klassiek te worden. Bij de eerste keer zie je niet alles even scherp. Bij tweede lezing binnen korte tijd heb je de gewaarwording van het scherper stellen van een lens. Het enigszins diffuus gebleven beeld van twee jongens die een smalle, langgerekte roeiboot in zwijgzame verstandhouding in het water leggen, verschijnt nu in heldere contouren, inclusief de vlokkige wolken die voor het geglinster op het water zorgen. De samenstellende delen van de roman gaan er nog zelfstandiger en in hun onderlinge verhouding bij staan. Dit effect wordt nog versterkt als het om iets bijzonders blijkt te gaan. Het is door zijn suggestieve volledigheid dat Over het water een onverwoestbare indruk maakt. Het gaat precies om deze combinatie: dat alles wat verteld lijkt te moeten worden, onomwonden uitgesproken wordt en dat er tegelijk van alles ongenoemd blijft dat wel degelijk de sfeer bepaalt. De verleiding om juist de suggestieve kanten van het verhaal 'hard' te maken heeft Van den Brink weerstaan, soms op de rand, wat een prestatie mag worden genoemd. Soms op de rand. De vraag is bijvoorbeeld waarom van den Brink het verhaal over twee jongens van een jaar of achttien die uit een groep van acht worden uitverkoren om 'de twee zonder stuurman' te roeien, 'de libelle onder de roeischepen', in het jaar 1939 situeert. Ongetwijfeld om een contrast te veroorzaken tussen de twee zomers van geluk die de hoofdpersoon Anton ervaart en de ongelukkige toestand waarin de beschaafde wereld zich bevindt. Maar Anton is zich van de wereld in 1939 nauwelijks bewust, hij gaat helemaal op in het roeien en hij komt niet uit een milieu waarin men zich openstelt voor de wereld (zijn ouders leefden 'in een andere ruimte'). Zonder er veel nadruk op te leggen, maar door het geven van indirecte aanwijzingen, maakt Van den Brink duidelijk dat Anton aan het eind van de oorlog genoeg weet. Dat is het moment waarop het verhaal wordt verteld; het wordt als kader gebruikt voor de herinneringen aan de zomers van 1938 en 1939. Je kunt je afvragen of de symbiose die tussen de twee jongens tijdens het trainen en het meedoen aan wedstrijden ontstaat, het nodig heeft om te worden gecontrasteerd met het verval en het uiteenvallen van verbanden door de oorlog. De vraag stellen is haar beantwoorden: de historisering geeft het verhaal een plaats in de geschiedenis, terwijl wat de twee jongens (althans Anton, die het verhaal doet) ondergaan juist niet aan de geschiedenis gebonden is; het is tijdloos, uniek, en daardoor in principe herhaalbaar. Wat al vrij snel gaat opvallen is de beheerste concentratie waarmee het verhaal wordt verteld. Gecombineerd met de bescheiden ambities van Anton, zijn volledige overgave aan het roeien en zijn fascinatie voor het water, zorgt dat voor een serene spanning. Het zijn drie elementen die elkaar versterken. Aan het eind van de oorlog, vijf jaar na de laatste zomer, bezoekt Anton in het donker van een winterse nacht wat er rest van het gebouw van de roeivereniging, dat is afgebroken omdat het in de weg zou staan bij een eventuele verdediging van de stad (Amsterdam). Dat brengt zijn herinnering op gang en om die in het juiste kader te plaatsen vertelt hij over het gezin waaruit hij komt. Zijn vader is hoofd van de tramremise en dat is eigenlijk alles wat over hem te vertellen is, verder heeft hij geen bijzondere eigenschappen, alleen negatieve, die bestaan uit een overmatige bescheidenheid en behoefte zich met zo min mogelijk mensen te bemoeien. Een kleinburgerlijk gezin, zonder kleur, zonder pretenties, tamelijk geïsoleerd wonen in de vrij nieuwe 'edelstenenbuurt'. Een krant wordt er niet gelezen. Anton wordt gegrepen door het water wanneer bij het bouwen van een nieuwe brug over de rivier die door de stad loopt tijdelijk een soort strand ontstaat. Daar gaat hij als kleuter met zijn moeder een keer naar toe, een ongebruikelijk uitstapje, alleen opgekomen door de overmatige hitte in de zomer, en nooit meer herhaald. Een andere keer staat hij op de brug naar het water beneden zich te kijken en ziet plotseling de punt van een boot te voorschijn komen, met daarin, zoals snel blijkt, acht indrukwekkende roeiers. Dertien jaar later is die fascinatie voor het roeien en het water nog springlevend en wil hij op de roeiclub: 'Zo goed leerde ik het water en zijn bewoners kennen dat de wens om erbij te horen uitgroeide tot een vast voornemen, tot een noodzaak, een deel van mezelf dat niet meer weg viel te snijden en dat daarom voelde als een zekerheid, hoewel die zekerheid nergens op was gebaseerd.' De bescheiden afkomst van Anton vormt een ander contrast met zijn onwrikbare wil om te roeien. Over het water is een roman over de wil aan jezelf te ontstijgen om op die manier weer bij jezelf uit te komen, in een 'juistere' gedaante omdat je je grenzen hebt verlegd door ze te tarten, de pijn die daarvoor nodig is op de koop toe nemend. Het is ook een roman over de verschillen en de overeenkomsten tussen twee jongens. David behoort tot een klasse die vanzelfsprekend in de wereld staat, mooi gebouwd, wonend in een villa achter het park,: 'Hij heeft het gezicht en het lichaam van iemand die bij zijn geboorte niet alleen een leven, maar meteen ook de hele wereld cadeau heeft gekregen.' Anton gaat er instinctief van uit dat wat hij doet niet goed is, onvoldoende, beschamend, misplaatst, maar steeds weer blijkt dat hij de enige is die dat denkt. Maar die schaamte zorgt er juist voor dat hij er wraak op neemt, al is hij niet iemand die dat zo zou noemen. De apotheose van de verhouding tussen David (dat hij kennelijk joods is wordt nergens genoemd) en Anton doet zich steeds voor in de beschrijvingen van de trainingen en de wedstrijden. Zonder een zweem van allegorie in het verhaal te brengen weet Van den Brink dan alles wat met de techniek, de inzet, de rituelen, de zwijgzame verstandhouding tussen de twee te maken heeft te intensiveren en samen te laten vallen met het leven. Door de precieze details wordt bijna lijfelijk voelbaar wat er allemaal door iemand heen gaat die roeit zoals Anton; er ontstaat dan een menselijke machine die een overwinning op zichzelf produceert. Anton moet wat het verstand weet overbrengen op zijn lichaam, het een geheugen geven, zodat het op de momenten dat het erop aankomt zelfstandig gaat werken. Van den Brink is meesterlijk in de beschrijvingen van de overgang van het gevoel van totale chaos in de bewegingen van het roeiende lichaam naar het gevoel dat alles gesmeerd en als vanzelf gaat. Anton en David worden getraind door iemand die hen op een dag uit een groep van acht plukte, Doktor Alfred Schneiderhahn, een emigrant over wie ze niets weten en die in de roeivereniging geen plaats lijkt te hebben, behalve als hun coach. Hij is streng en nuchter en heeft aan weinig woorden genoeg. Hij maakt hele schema's voor hun trainingen en ze onderwerpen zich er even angstig als vanzelfsprekend aan. Hij is net als Anton een buitenstaander, maar hij gaat er minder zorgelijk mee om. Eén keer bezoeken ze hem in het hotel waar hij woont, maar zonder dat ze daardoor te weten komen wat hij nog meer doet dan het coachen van twee roeiers, ook de vele boeken die er liggen geven niet voldoende indicatie. Vijf jaar later is Anton in dat hotel terug, verblijft in diens kamer en gooit daarna een koffertje gevuld met Schneiderhah