| Schrijver |
Bril, Martin |
| Titel |
Tekort en andere verhalen, Het |
| Jaar van uitgave |
1998 |
| Bron |
NRC Handelsblad |
| Publicatiedatum |
13-03-1998 |
| Recensent |
Hans Goedkoop |
| Recensietitel |
Bluesy van de zijlijn naar de middenstip |
In zijn nieuwe bundel Het tekort geeft Martin Bril een
jeugdherinnering die veel over hem zegt. Hij was een jaar of elf, ging bij de
junioren voetballen en werd tot keeper uitgeroepen. Maar al gauw bleek dat hij
het niet in zich had. Hij was bang als de bal van dichtbij kwam en onzeker als
de bal van ver kwam, want brildragend en beslagen als hij was, zag hij die op
het laatst pas aankomen. Zodat hij voor het eind van het seizoen toch maar
gewisseld werd en een bestemming kreeg in de reserve van de ploeg. De vaste
reserve. 'Het was even wennen', schrijft hij, 'maar al snel zag ik de voordelen
van mijn nieuwe rol. Bijvoorbeeld had ik nu alle tijd om in de kantine te
zitten, ballen op te pompen in het materiaalhok, rond te lummelen bij andere
wedstrijden, bij het inschieten van de keeper van het eerste, (...) en bij de
meiden vooral die met de jongens van de hogere elftallen gingen, jongens die
brommers hadden en haar op hun benen en meiden die rookten en stiekem
lippenstift opdeden.' Het zat er dus al vroeg in, denk je als je die passage
leest. Of het is een verzinsel achteraf, dat kan natuurlijk ook, een dichter
heeft nu eenmaal zo zijn vrijheden. Het is in elk geval een onverwisselbare
Bril, dit kereltje, een oermodel welhaast van al zijn personages, want ook die
staan steevast aan de kant. Ze schutteren zich naar de zijlijn van het leven toe
en nemen zich daar voor er maar het beste van te maken, op hun eenzame manier.
Artiesten van de marge zijn ze, altijd ergens in de buurt, maar zelden met een
doel of plan. Ze kijken, dat is wat ze doen. Ze kijken naar het leven en
bewonderen de binken en de meiden die dat kunnen, leven. Die bescheidenheid is
niet meteen de houding voor een alomvattend schrijverschap, het soort dat het
bestaan zijn wil oplegt met dwingende gedachten, en dat is inmiddels ook wel
gebleken. De romans die Bril totnogtoe publiceerde - Voordewind en Altijd zomer,
altijd zondag - hebben allebei te lijden onder een apert gebrek aan lijn en
regie. Je leest ze als verzamelingen losse voorvallen en waarnemingen en
bijgedachten, mooi op zich maar zonder veel profijt van het verband waarin ze
staan, alsof ze in hun eentje beter af zijn. Aan de zijlijn, ook zij. Tot die
conclusie lijkt de schrijver nu ook zelf te zijn gekomen. Het tekort heeft elk
vertoon van alomvattende constructie laten varen en is op het oog zelfs een
merkwaardig zootje. Er staan interviews in met auteurs als Martin Amis en James
Ellroy - of in elk geval impressies van ontmoetingen met deze heren, want van
vraag en antwoord komt het bij alle sfeertekeningen zelden. Er staan columns in
uit de rubriek die Bril de laatste maanden dagelijks voor Het Parool schrijft,
een soort vignetten van de werkelijkheid, uit eigen waarneming getekend. Er zijn
langere schetsen, net zo autobiografisch maar ontspannen uitwaaierend naar waar
de geest maar gaat. En dan zijn er nog drie fictieve stukken, opgebouwd rond één
figuur, die ooit bedoeld lijken te zijn als hoofdstukken voor een roman, die dus
wel nooit meer komen zal. Als je kwaad wil, noem je Het tekort een bundeltje
bijeengebezemde en bijgewerkte oude stukken. Het geheel getuigt van diepe
onmacht om een vorm op de materie af te dwingen en stelt de lezer aardig op de
proef. Wat moet je met de krabbels die een schrijver zelf al niet meer aan
elkaar kan schrijven? Gaat dit allemaal nog ergens over? Leidt dat hele
schrijven aan de zijlijn eigenlijk wel ergens toe? Maar als je je geduld
bewaart, blijkt dat de onmacht toch niet helemaal het laatste woord krijgt. Bril
verdeelt zijn stukken in drie (titelloze) boekdelen, die elk een kant van het
leven aan de zijlijn laten zien en zo een orde bieden die de stukken zelf niet
tonen. Hij probeert boven de onmacht uit te stijgen, anders gezegd, en als je
goed kijkt is dat waar dit hele boek uiteindelijk om draait. Bril onderwerpt
zichzelf in drie etappes aan een onderzoek en stelt tussen de regels door een
levensgrote vraag. Is er wel leven, daar aan de zijlijn? Het eerste deel staat
in het teken van de werkelijkheid en de angst die daar voor Bril van afslaat.
Niet meer dan een dunne haarlijn scheidt ons immers van een sterfgeval, een
echtscheiding, een afgang of een ongeluk. 'Dat is de essentie van het leven,'
schrijft hij, en hij illustreert dat met een heel mooi teruggehouden stuk over
zijn vriend Rob Scholte, als die na de aanslag op zijn leven zonder benen
Nederland verlaat. Ze nemen afscheid en dan merkt Bril dat hij ook nog van iets
anders afscheid neemt. Van de illusie dat verlies zich laat herroepen. Dat de
feiten terug te draaien zijn en dat de toekomst dan weer openligt. 'De toekomst
is voorbij,' houdt hij zichzelf voor, 'de werkelijkheid begonnen.' Deel twee, de
drie fictieve verhalen, staat vervolgens in het teken van Brils nagejaagde
vlucht uit die vernietigende werkelijkheid. Een afgedankte copywriter maakt een
dagenlange reis naar de vergetelheid, dwars door het land, een hoer en cocaïne
bij de hand. De hoer benut de tocht intussen evengoed als een ontsnapping, want
ze voelt zich in haar werk los van zichzelf en van de vriend met wie ze thuis
steeds minder deelt. En ook die vriend, een kunstenaar die onmiskenbaar weer op
Scholte is geënt, blijkt even later onderweg naar nergens, wijdbeens aan een
vloer gebonden voor een middagje SM. Het is een deerniswekkend rijtje, deze
drie, op zoek naar zelfvergetelheid maar onbewust meteen op weg naar
zelfvernietiging. Dat is het risico van leven aan de zijlijn, lees je impliciet,
dat niet de wereld je vernietigt maar jij zelf. 'Als je niet weet waar je heen
gaat,' laat Bril een voorbijganger zeggen, 'heb je wel een reden om te
vertrekken, maar als je nergens aankomt heeft het vertrek geen zin gehad.' En
daarmee is de opdracht van het laatste deel van Het tekort gegeven: toch weer
ergens aan te komen. En aldus gebeurt. In korte stukken gaat het in deel drie
over een glazenwasser die Bril langs zijn raam omhoog ziet klimmen, eerst een
hoofd, daarna de romp, ten slotte nog slechts voeten en dan weer het lege
uitzicht. Over een etage waar zijn huis op uitkijkt en waar elke avond bij
zonsondergang het licht aanfloept ten bewijze dat er iemand woont, maar elke
avond zó stipt dat het net lijkt of er niemand woont. Over zijn vrouw, die
nadoet hoe onsmakelijk een dame middenin de supermarkt een liter appelsap in
haar keelgat giet, en over zijn dochtertje, dat in verwarring teruglacht als een
meisje met verlamde benen evengoed nog stralend blijkt te kunnen lachen. Het is
van een hemel en aarde verscheurde huiselijkheid ineens, op het petieterige af
en toch, dat is het rare, op geen enkele manier futiel. Hoe kleiner het detail
onder Brils oog, hoe groter de gevolgen in zijn hoofd. Hij voelt zich 'een
gelouterd man', zoals hij met niet eens zo heel veel overdrijving zegt wanneer
de glazenwasser weer verdwenen is, 'adembenemend vervuld van mededogen met mijn
lotgenoten en verzoend met het nederige lot dat ik als een kruis met mij mee de
toekomst in mocht torsen'. En waarom? Niet omdat er in zo'n beeld 'betekenis'
zit, merk je, want dat is het niet. Het is iets vluchtigers. Het is alsof er in
zo'n beeld een samenhang ontstaat tussen de wereld en hemzelf, of op zijn minst
een vonk daarvan, een sprank van samenhang die niets te maken heeft met erotiek,
verlangen, dood, gemiste kansen, al dat dreigende verlies uit de werkelijkheid,
maar enkel met het nu. 'Alleen maar geluk,' schrijft hij, 'of beter gezegd:
bewustzijn, wat de Duitsers Dasein noemen.' Of anders gezegd: aanwezigheid.
Besef dat hij vanaf zijn zijlijn toch een band kan voelen met zijn wereld. Dat
hij daarin leeft en dat dat klopt. Het is die ontdekking, of misschien wel
herontdekking, die in dit boek wordt gedaan, en met zijn stijl bewijst Bril dat
het hem ernst is. Schrijft hij in de regel toch al mooi, een beetje bluesy,
soepel, lui, maar heel geraffineerd, zodra hij in dat laatste deel het
dagelijkse leven op de huid komt krijgt hij vleugels. De blues wordt freejazz,
hij danst over de regels, elke draai vraagt om een volgende, hij schiet een
associatie in en neemt nog eens een solo en is voor je opgekeken hebt vier
bladzijden verder, enkel en alleen met de beschrijving van een vrouw die warm en
zoemend in de zon ligt. In al zijn kleinheid is dat grote kunst die bijna geen
auteur beheerst. Het gaat over niets, maar op de manier waarop geluk niets is,
ongrijpbaar, weg voor je het weet, een geur waar je geen naam voor vindt. Een
foto, in Brils eigen woorden, 'die vergeeld aan een roestige punaise op een plek
hangt waar je hem vaak ziet om je af te vragen wat je ook alweer zag in die foto
toen je hem uitscheurde. En iedere keer als je besluit dat het tijd wordt om hem
weg te gooien, die foto, laat je hem toch maar hangen, want wie weet komt de
betekenis je op een dag zomaar aanwaaien.' Het zijn die 'foto's' die je
verzoenen met alles wat er in dit boek aan schort. Het blijft een brokkelig
geheel, onmachtig in zijn vorm. Maar uit die onmacht spreekt een worsteling met
een manier van leven en schrijven die geduld afdwingt. Een gevecht met de engel
is het, daar tussen de regels, en als dat gevecht ten slotte wordt gewonnen,
geef je je als lezer ook gewonnen. Bril heeft zich de wereld ingeschreven. Moge
hij blijven.