NRC Handelsblad, 18 februari 1994
Romantiek is eigenlijk niet sexy
MARJOLEINE DE VOS
![]()
![]()
Katarina von Bredow: Ik en mijn broer.
Vert. Cora Polet. Uitg. Querido, 187 blz. Prijs fl. 27,50
14 jaar en ouder.
``Dat het zo moeilijk moet zijn om broer en zus te zijn als je je hele leven niet anders geweest bent!'' schrijft zeventienjarige Amanda Bergström in haar dagboek. Tussen haar en haar maar één jaar oudere broer Ludvig, de broer met wie ze opgroeide, alles deelde, zo vertrouwelijk was als met niemand, is alles sinds een half jaar anders geworden. Ze zijn verliefd op elkaar. Ze weten dat het niet kan en niet moet, maar toch bezwijken ze af en toe voor hun verlangens. ``Wat doe je als je gevoelens hebt, enorm en woest als een cycloon, maar een hart klein als een erwt? Weet je wat er gebeurt met een erwt die een cycloon tegenkomt?''
In Ik en mijn broer beschrijft de Zweedse Katarina van Bredow de ongebruikelijke liefde tussen Amanda en Ludvig, vanuit het perspectief van de nu volwassen Amanda. Die vertelt, met behulp van fragmenten uit haar oude dagboeken, heel precies hoe ze zich, veertig jaar geleden in 1983, voelde, hoe ze moeite deed om niet aan haar broer te denken, hoe ze steeds uitging met de doodsaaie Johan om maar niet alleen met Ludvig thuis te zijn, hoe ze stierf van jaloezie toen hij met een ander meisje naar bed ging, hoe ze wanhopig over straat zwierf, hoe ze verlangend naar hem zat te kijken, hoe ze met hem naar bed ging - en hoe het tenslotte uit kwam.
Ik en mijn broer is een hevig boek, met de opgewonden, soms overdreven toon van een tiener die overrompeld wordt door haar gevoelens. Amanda drukt zich nu eens meisjesboekig uit, dan weer als de jongeren die naar VPRO's Achterwerk schrijven, dan weer grappig afstandelijk. Ze is vaak ruw, roept tegen allerlei mensen dat ze kunnen oprotten, zegt 'shit!' en 'Die klote-Ludvig!' en maakt zo een heel authentieke indruk. Dat moet ook te danken zijn aan de vertaalster, Cora Polet, die het jeugdidioom uitstekend lijkt te beheersen.
Amanda is bovendien ook grappig in haar ontboezemingen. Ze gaat met vriendje Johan (die zo christelijk is dat hij voor het huwelijk niet aan seks kan doen) naar een zomerhuisje aan zee, waar hij in het water valt. Ze zitten samen voor het vuur, hij in dekens gewikkeld en ze vindt hem heel mooi en eigenlijk knapper dan als hij droog is. Ze zoent hem. Naderhand schrijft ze in haar dagboek: ``Dat van zondag, in het huisje met Johan, dat was toch eigenlijk heel romantisch? Toen we bij het vuur zaten, hij zo nat en zo knap, en toen ik hem kuste. Eigenlijk heel romantisch.
Maar erg opgewonden werd ik er niet van.
Romantiek is eigenlijk niet sexy!'
Amanda en Ludvig schamen zich niet voor hun gevoel, het is meer zo dat ze weten dat het niet hoort. Ze weten ook, dat vertelt een vriendin die ze in vertrouwen nemen ze nog eens ten overvloede, dat de maatschappij dit niet zal accepteren. Dat Amanda er op school mee gepest zal worden, dat hun moeder scheve blikken en opmerkingen van collega's te verduren zal krijgen als het bekend wordt, dat ze zich van de wereld zullen vervreemden. Ze zijn te jong om zich daar niets van aan te trekken en dus vechten ze tegen elkaar en tegen wat ze voor elkaar voelen. Zodat er van de vertrouwelijke broer en zus omgang van vroeger helemaal niets over blijft. ``Ik wil mijn broer terug,'' zegt Amanda. ``Jij hebt geen broer meer,'' roept Ludvig haar toe. ``Zelfs niet één klein stukje van mij is nog je broer!''
Uiteindelijk komt hun moeder erachter. Zij is er kapot van en haalt de twee uit elkaar. De wanhoop van Amanda is even overtuigend als haar verliefdheid en verwarring daarvoor waren. Na de eerste pijnlijke maanden waarin ze voor het eerst in haar leven van haar broer gescheiden is, maakt die wanhoop plaats voor dofheid. ``Ik wil niets. (-) Als je dood wilt, dan wl je tenminste nog iets.
Ik wil niets. Ook niet leven.'
Natuurlijk leeft ze wel verder. En geneest er ook iets, op den duur. Maar dat het een grote, hevige liefde was tussen deze broer en zus, dat valt niet te betwijfelen.
Het moet er Katarina von Bredow in de eerste plaats om te doen geweest zijn deze geschiedenis te vertellen, het gaat haar niet zozeer om taal of verbeelding. Haar boek, dat haar debuut is, maakt een waarachtige indruk, het is 'echt'. Een bijzondere literaire prestatie is het niet in de eerste plaats, wat dat betreft wint haar landgenoot Peter Pohl, van Jan, mijn vriend en We noemen hem Anna het.
Ik en mijn broer heeft de frisheid en de hartstocht van een eerste bekentenis. Von Bredow is wonderbaarlijk goed in het beschrijven van seksuele opwinding, het lichamelijke van deze liefde is een volkomen vanzelfsprekend onderdeel - niet voyeuristisch, niet romantisch opgedirkt en niet preuts.
Door die kwaliteiten lijken de onhandigheden en flauwiteiten die er ook in staan minder bezwaarlijk. Zo zijn sommmige bijfiguren, het veel oudere zusje van de twee gelieven of de dooiige Johan, wel wat karikaturaal en de dialogen pakken soms ook wel eens wat houterig uit. Maar dat doet geen afbreuk aan de overtuigingskracht van deze jeugdroman die veel onder woorden brengt van wat een mens kan voelen.