| Schrijver |
Boskma, Pieter |
| Titel |
Te midden van de tijden |
| Jaar van uitgave |
1998 |
| Bron |
Het Parool |
| Publicatiedatum |
24-04-1998 |
| Recensent |
Rogi Wieg |
| Recensietitel |
Een man van rubber |
De dichter Pieter Boskma heb ik van een groene cactus met
stekeltjes tot een prachtige, bloeiende plant zien uitgroeien. Hij was vroeger
een nogal boze, romantische jongeman wiens gedichten (zelfs door mij) werden
miskend. Ik heb hem ooit, in een recensie over zijn eerste dichtbundel, zo'n
veeg uit de pan gegeven dat Boskma zwoer mij de hersenen in te slaan. Zeker een
jaar lang ben ik bang geweest dat Pieter mij zou molesteren. Maar gelukkig heeft
hij me gespaard en zijn we later vrienden geworden. Pieter is in staat om te
vergeven en dat vind ik een dichterlijke eigenschap. In de loop der tijd werden
de verzen van Boskma mooier, gevoeliger, speelser, serieuzer en minder
opstandig. En de waardering voor zijn werk nam toe. Ik herinner me een recensie
van Guus Middag (die, over het algemeen genomen, liever niet enthousiast over
gedichtenbundels schrijft) waarin Pieter Boskma als een echt talent naar voren
werd geschoven. En toen kwam Gerrit Komrij om de hoek kijken uit Portugal en nam
vijf (!) gedichten van Boskma op in zijn 1000 en enige gedichten. In zekere zin
had Pieter het toen eindelijk gemaakt. Net als de dichter René Huigen die
minstens tien jaar heeft moeten wachten op waardering. Ook Huigen werd door
Komrij hartelijk bekroond in zijn bloemlezing. Het is leuk om te zien hoe de
loopbaan van sommige mensen in de literatuur plotseling een wending kan nemen.
Ik gun Huigen, net als Boskma, alle succes van de wereld. Hoe marginaal de
dichtkunst ook is, een dichter streeft meestal naar maatschappelijke waardering.
Verzen probeert hij of zij voor de eeuwigheid te schrijven, naar van een
gedichtenbundel die pas over honderd jaar zal worden erkend, kan je niet leven.
Overigens kun je dat ook niet als je bundel wel alle waardering krijgt. Maar dan
zijn er vaak stipendia en prijzen voor je weggelegd en kun je weer even voort.
Kortom, succes in dit leven is voor een dichter geen garantie voor een plek op
de Parnassus, maar het maakt de weg erheen meestal een stuk gemakkelijker. Is
Pieter Boskma aan de lange weg naar de Parnassus begonnen? Ik weet het niet,
want ik kan niet in de toekomst kijken. Wat ik echter wel weet, is dat Pieter
een heel eigen, klein universum heeft geschapen in zijn gedichtenbundels en dat
zijn toon steeds herkenbaarder is geworden. Het boek Cast Images bevat literaire
bijdragen van veertien dichters en prozaïsten over het lichaam van de kunstenaar
Joshua Rozenman, dat hij in 1997 even zovele keren in het Stedelijk
tentoonstelde, gehouwen uit onder andere zeep, mest, chocolade en teer. In dit
boek staat een voortreffelijk vers van Boskma, horend bij één van de veertien
beelden van Rozenman. (De lezer van dit stuk moet maar raden van welk materiaal
het beeld is gemaakt.) Hier staat een man die wilde leven. Hij gaf zichzelf de
hand en stond niet langer op de grond der dier- of menselijke rede. Buigzaam
werd zijn lichaamstaal, nog buigzamer zijn botten, zijn gezicht van binnen
kaalgevreten door de motten. Half gebaard blauwbekt in zijn handen de
verpaupering van halfabete hakkelaars en kruimelquerulanten. Zijn sokkel is het
avondland, zijn symbool een nachtkaars - wat langs zijn voeten stroomt altijd
dezelfde boze droom. En zijn ogen blikken opwaarts om hart en bloed en vaandel -
het antwoord deze stalenkrans van zijn blauwer buigzamere adel. Dit is zo'n
typisch Boskma-gedicht. Het is muzikaal, vol grootste gebaren en mist een zekere
exactheid waardoor het zeer intrigerend wordt, terwijl exactheid vaak juist zo
belangrijk is voor goede gedichten. Wat is dit voor man die hier wordt
beschreven? En aan welke verschrikkingen is hij blootgesteld? De man heeft iets
totaals, een volledige overgave aan het materiaal waarvan hij is gemaakt. Je
ziet dat vaker bij Boskma: dat hele lichamelijke en de 'gevangenschap' in de
materialen waarvan de wereld is gemaakt. Liefde lijkt het enige redmiddel, maar
ook de liefde is gevangenschap. Onlangs verscheen van de hand van deze dichter
Te midden van de tijden. De bundel bevat veel schitterende lyriek: zeer
muzikaal, 'breed', afwisselend en ontroerend. Pieter Boskma is op de beste weg
die hij kan gaan: Op het geraamte van de avond groeit het violette uur. je zit
ernaar te staren met een sigaret, maar zonder vuur. er is ook altijd wat. ben je
serieus, dan wordt er gelachen, maak je een grap dan verstijft de hele horde.
kon je maar dresseren! durfde je je kop maar in die leeuwenbek te steken! Maar
in welk circus, en voor welk publiek? is het wel waar, dit heelal van oor tot
oor. Het eerste couplet van dit gedicht vind ik geniaal. Het mag voor altijd op
de Parnassus!