Schrijver Bordewijk, F.
Titel Karakter : roman van zoon en vader
Jaar van uitgave 1938
Bron NRC Handelsblad
Publicatiedatum 11-01-1969
Recensent
Recensietitel
Bij lezing van Bordewijks "roman van zoon en vader" zal men allereerst opmerken dat dit boek inderdaad karakter heeft. Het onderwerp, op zichzelf beschouwd, lijkt weinig belangwekkend en niet zeer aantrekkelijk, het is een stof die door iederen naturalistischen romanschrijver behandeld zou kunnen worden. Een jonge man, onecht kind van een werkvrouw, die de grootste moeite heeft aan den kost te komen, brengt het, door een ontembare eerzucht gedreven, tot een maatschappelijke positie welke hem aanzien verleent. Hij zwoegt en slaaft als jongste bediende op een advocaten-kantoor en studeert in zijn vrijen tijd in de rechten, tot hij den begeerden titel verworven heeft en als advocaat een plaats op dit kantoor innemen kan. Om dit doel te bereiken, moet hij zich welhaast elk levensgenot ontzeggen, doch dit op zichzelf valt hem niet moeilijk daar zijn hart niet naar zulke genietingen uitgaat. De behoefte aan levensgenot en ontspanning, aan de koestering van liefde, aan behagelijkheid van maatschappelijke welstand, bestaat bij hem niet, wordt verdrongen door de eerzucht welke hem geheel vervult.
Dit gegeven is, zooals wij reeds opmerkten, op zichzelf niet bijzonder belangwekkend. Het wordt evenwel belangrijk door de wijze waarop Bordewijk het uitgewerkt heeft. In dezen roman van zoon en vader speelt vooral de vader een belangrijke rol. Deze vader is een allerinerkwaardigst man, een deurwaarder en in die qualiteit "het zwaard zonder genade voor iederen schuldenaar die hem in handen viel ".
Deze man, die Drevershaven heet, heeft een korte liefdesverhouding, voor zooverre men hier van liefde spreken mag, met zijn achttienjarige dienstbode Jacoba Katadreuffe gehad, en uit die verhouding wordt een zoon geboren, Jacob Willem Katadreuffe, die dan de held is van dit verhaal. Drevershaven is een hard en wreed man en niet slechts zonder genade voor schuldenaars in het algemeen, maar vooral voor zijn zoon. Hij werkt den jongen die, als hij volwassen is, herhaaldelijk in contact met hem komt, op de meest geraffineerde wijze tegen. ltj laat hem failliet verklaren en tracht het een tweede maal te doen, hij dwarsboomt Jacob Willem waar hij kan. En Jacob, die zeer goed weet dat deze machtige Drevershaven zijn vader is, gaat hem niet uit den weg, integendeel. Als hij voor zijn studie geld opnemen moet doet hij dit juist bij de Voorschotbank die door zijn vader gedreven wordt, hij trotseert zijn vader en deze verzuimt geen kans om den zoon dwars te zitten. Zoo wordt deze roman het relaas van een hardnekkig duel tusschen vader en zoo@ waarin de zoon overwinnaar is, doch ten laatste wel tot de erkenning komen moet dat juist de tegenwerking die hij ondervonden heeft een prikkel voor zijn energie is geweest en dat de vader hem slechts in schijn gehinderd, in werkelijkheid geholpen heeft.
De uitbeelding van deze twee karakters verleent aan dit boek zijn beteekenis. Maar het karakter
1
van Jacob Willem is niet slechts een erfdeel van vaders zijden. Ook Jacoba Katadreuffe heeft karakter en een, dat voor dat van vader en zoon in geenen deelen onderdoet. Zij verlaat haar dienst bij Drevershaven - den man die beschreven wordt als "een kerel van graniet, met een hart slechts in letterlijken zin," - omniddellijk als zij bemerkt dat zij zwanger is, en zij weigert iedere ondersteuning van zijn kant. ffij bestaat niet meer voor haar. Zij slaat zich alleen door alle moeilijkheden heen en ook later, in haar verhouding tot Jacob Willem, blijft zij gesloten en stug. Ook háár karakter botst op dat van den zoon, al is er tusschen hen nooit sprake van strijd. Harde, onverzoenlijk naturen leven in dit boek naast elkaar, staan tegenover elkaar, ontwikkelen en steunen zich aan elkaar en toch is er zelden sprake van persoonfijk contact want na elke onvennijdefijke ontmoeting gaan zij zoo snel als maar mogelijk is uiteen en zoeken zij de eenzelvigheid.
Er is nog een vierde figuur in dit boek, die eveneens sterk van karakter is. Een meisje, Loma te George, secretaresse van Jacobs patroon Ook zij en Jacob komen niet tot elkaar, ondanks wederzijdsche waardeering en genegenheid. Want geen van beiden wil zich aan den ander prijsgeven, elk is in zichzelf een wereld die hardnekkig verdedigd wordt. En zoo gaan vier menschen dan aan elkaar voorbij, daar zij zich willen handhaven als wat zij zijn.
Bordewijk schetst hier een leven dat naar alle zijden onverbiddelijk en hard is en hij doet het in een taal welke bij dit onderwerp past, en met opmerkelijke menschenkennis. Zijn boek is niet zeer aantrekkelijk, maar het is niettemin verre van onbelangrijk. Het is een werk dat men meer met het verstand dan met gevoel en intiiitie benaderen moet, doch dat een aandachtige lezing ten volle verdient.