Schrijver
Bordewijk, F.Titel Bint : roman van een zender
Jaar van uitgave 1934
Bron NRC Handelsblad
Publicatiedatum 29-06-1979
Recensent P.M. Reinders
Recensietitel Kiekertak, Klotterbooke, Talp, Punselie, Peert, Surdie Finnis
De vrachtauto die de hoek om kwam was veel te groot voor de straat. ffij moest weer achteruit, probeerde het nog eens vooruit, weer terug met een oorverscheurend gepiep van remmen en geloei van de motor. Ik was hem slechtgezind. Er stond nog een D op ook. Toen hij tenslotte brullend voorbijreed, hoefde ik me geen geweld aan te doen om hem grimmig na te kijken. Zelden is grimmigheid zo snel in triomfantelijke voldoening verkeerd. Wimpissinger stond er in de volle lengte op geschilderd. Ik had er weer een. De verzameling is nog niet compleet maar langzamerhand begint het toch ergens op te lijken.
Het is een raar geval met de namen van Bordewijk. Ze zijn zo gek dat er wel gezegd is dat hij maar wat deed. Meer dan eens is de veronderstelling uitgesproken dat hij nog grotere moeite had met het vinden van geschikte namen dan de meeste schrijvers. Du Perron zat er ook vaak mee en raadpleegde dan zijn vrienden. Anderen gebruiken het telefoonboek en vroeger waren de passagierslijsten van de grote schepen nogal in trek. Bordewijk lijkt al die bronnen versmaad te hebben en zijn namen zien er vaak uit als een samenraapsel van willekeurige lettergrepen, vooral in zijn vroege boeken en vooral in Bint. De verzameling namen van de leerlingen uit'De Hel' is waarschijnlijk de vreemdste verzameling in de Nederlandse literatuur: Bolnlikolke, Kiekertak, Klotterbooke, Taas Daamde, Schattenkeinder, Peert, Punselie, "mpysinger. De leraar De Bree kijkt er ook van op als hij de klas voor het eerst ontmoet: "Wat een namen, dacht hij ".
De Bree had die vrachtauto van Wimpissinger niet gezien maar Bordewijk zal die Duitse naam wel gekend hebben. Een paar kleine veranderingen en De Hel had er een mooie naam bij. Zou het zo ook niet met de meeste andere namen gegaan zijn? Een Kiekertak ben ik nog nooit tegengekomen maar een Kiekebos wel, en tak en bos liggen niet zover van elkaar. Van der Karbargerbok lijkt een verzonnen naam, maar de winkel van Karbargerboer op het Spui in Amsterdam kan ik me nog goed herinneren. Van Punselie heb ik ook lang gedacht dat het een niet bestaande naam was tot hij een paar jaar geleden in deze krant opdook Neutebeum en Steijd klinken vreemd, maar Noteboom en Steijn gewoon. Schattenkeinder is nieuw voor mij, maar ik ken er wel die Schattenkind of Schattenkerk heten.
De absurde Surdie Finnis heeft een vrij veel voorkomende Engelse achternaam, in Klotterbooke zal het Engelse Clutterbuck verscholen liggen, terwijl Peert me sterk doet denken aan de Engelse naam Peart.
Met de namen van de leraren in Bint is iets dergelijks aan de hand. Als de naam van To Delorm op een e uitging, zou hij niemand als eigenaardig treffen. De verschuiving van een u naar een a heeft de leraar Talp aan zijn uitzonderlijke naam geholpen en de lang niet ongewone naam Kes is door een achtervoegsel verlengd tot het merkwaardige Keska. Of er een Remigius bestaat weet ik niet - in het Arnsterdwnse telefoonboek komt hij niet voor - maar de naam is meteen herkenbaar als thuishorend in de categorie van gelatiniseerde namen als Jansonius, Siderius,Hempenius,Heinsius.
Vervormingen
Veel van de zgn. fantastische namen die Bordewijk gebruikt, zijn dus herkenbaar als vervormingen van bestaande nwnen. Dat is aardig, vind ik, en nog aardiger is het dat hij die naarnvervormingen juist gebruikt voor mensen die hij ook lichamelijke vervormingen toedicht. Van der Karbargerbok is een roofvogel met een klauw, Whympisinger heeft hardgroen tandschimmel en rossige ogen, Ten Hompel een doggentronie met ogen die meer herder zijn dan dog en meer wolf dan herder. Klotterbooke is een sfinx, Kiekertak een diepzeemonster met twee gebitten, Steijd een gorilla en Neutebeum een ontzaglijke bruine sprinkhaan. Alleen de leerling Van Beek heeft een normale naam, en hij is dan ook de enige 'normale'. Ifij is zo normaal dat hij op de school van Bint helemaal niet op zijn plaats is en zelfmoord pleegt na een slecht rapport. Er wordt wel eens gesproken over het werkelijkheidsgehalte van Bint, en men vraagt zich af wat Bordewijk er eigenlijk mee voor had. Is het een realistische roman, een griezelige fantasie, een stukje surrealisme, een karikatuur, een waarschuwing of een door het fascisme gei . nspireerde verheerlijking van de tucht met een ondertoon van sadisme? W.F. Hennans heeft een paar maanden geleden in deze krant (23 maart 1979) een brieff-ragment geciteerd waarin Bordewijk zegt dat er "inderdaad sporen van sadisme zijn te vinden: ontzag voor de wrede en perfecte misdaad, voor de ornnenselijke tucht". Ontzag voor de tucht betekent nog geen geloof erin en nog minder liefde ervoor, en er lijkt n-dj geen enkele reden om Bordewijk op grond van Bint fascistische neigingen aan te wrijven. Herinans doet dat ook niet en onthoudt zich van commentaar.
Bij het uitkomen van Bint in 1934 legde Ter Braak, die zelf leraar geweest was, in zijn bespreking zowel nadruk op het realistische als op het groteske: "Ieder wezen wordt door Bordewijk oruniddellijk betrapt op zijn uitwassen". Zonder ooit tot karikatuur vertekend te worden, had hij daaraan kunnen toevoegen want het element van spot of hoon is totaal afwezig. Ter Braak heeft gelijk als hij "de werkelijke sfeer op school" ziet als de basis van Bint. Op die basis staan figuren die men het best kan aanduiden als vergrote realiteit. Bint is het vergrote portret van een strenge directeur en Klotterbooke, Kiekertak, Neutebeum, Finnis en al die anderen zijn vergrote portretten van middelmatige en lastige leerlingen. Een duidelijke vingerwijzing ligt in hun namen die niet in de eerste plaats "fantastisch " zijn (Ter Braak) en zeker niet "gekozen naar de klank, naar de psychologische voorstelling welke zij vermogen op te roepen" (Van Vriesland), maar die zelf een vergroting zijn van namen uit de werkelijkheid.