Het
Journaal van Bontekoe. Hertaald door Thomas Rosenboom, ingeleid en geannoteerd door Vibeke
Roeper, (Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2002), ISBN
90 253 0311 0, 139 blz. Geïll. ¤ 16,30.

Zoals wel vaker het geval is met
vaderlandse helden, dankt ook de Hoornse schipper
Willem Ysbrantsz. Bontekoe
(1587-1657) zijn hedendaagse faam aan de vaardige hand van romanciers uit het nationalistisch tijdvak. Die plunderden de Gouden Eeuw op
zoek naar nationale helden met nuchtere doch godsvruchtige inslag die men ten
voorbeeld kon stellen aan de Nederlandse jeugd. Johan
Fabricius vestigde zijn naam tot in onze dagen met
het ultieme Nederlandse jongensboek, De Scheepsjongens van Bontekoe.
Die scheepsjongens zijn inmiddels beroemder dan de
schipper zelf. Op de kade van Hoorn turen ze in brons gevat naar de zeiljachten
op het IJsselmeer. ‘Scheepsjongens van Bontekoe’ is min of meer een gevleugelde term geworden.
Zelfs degenen die het boek van Fabricius nooit hebben
gelezen kennen de scheepsjongens in ieder geval van naam. Nu Nederlandse
filmmakers de potentie van boeken als Kruimeltje, Pietje Bell
en de verhalen uit de Kameleonreeks hebben onderkend, zullen ook hun avonturen
waarschijnlijk ooit nog wel eens verfilmd worden.
Fabricius baseerde zijn boek op een andere
bestseller: het Journaal van Bontekoe zelf.
Scheepsjongens spelen er geen prominente rol in – al behoedt de historische Bontekoe zijn scheepsjongens voor de kannibalistische
aanvechtingen van het uitgehongerd scheepsvolk – maar
de avonturen die Fabricius zijn scheepsjongens liet
meemaken aan de zijde van schipper Bontekoe wel. Bontekoes avontuurlijke reizen in dienst van de VOC raakten
een gevoelige snaar bij het publiek, en zijn Journaal beleefde herdruk
na herdruk.
Schipbreuken doen het eigenlijk altijd goed bij het publiek,
vooral de meer spectaculaire, zoals die van de Oost-Indiëvaarder Batavia in
1629 (met een blasfemische en psychopathische moordenaar) of van de Franse
Medusa (begin 19de eeuw, met kannibalisme als pièce
de résistance. De schipbreuk van Bontekoe mocht er ook wezen: zijn schip vloog de lucht in,
en Bontekoe maakte niet alleen een onvrijwillige
excursie door het luchtruim maar moest daarna nog een lange en gevaarlijke reis
naar Sumatra doorstaan in een open boot. Eenmaal aan
land was zijn lijdensweg nog niet voorbij. De inheemse bevolking nam de
gelegenheid te baat om te proberen Bontekoe en de
zijnen uit dit aards tranendal te verlossen, en dat
lukte ook bijna.
Uiteindelijk bereikte hij dan toch Batavia, waarna hij naar de Chinese kust
werd gestuurd. De gouverneur-generaal – een leeftijdgenoot uit Hoorn, de
roemruchte Jan Pietersz. Coen
(1587-1629) – probeerde de Portugezen daar uit te schakelen. De strijd werd na
twee jaar in het voordeel van de Portugezen beslist, omdat de Chinese
machthebbers weigerden de VOC-handelaren toe te laten
in het Rijk van het Midden. Bontekoe besloot toen
naar huis terug te keren. De reis naar de Republiek bleek al even enerverend en
toen Bontekoe, na zeven jaar afwezigheid, in 1625 in
Hoorn terugkeerde, hield hij het schippersbestaan voor gezien. Hij vestigde
zich als koopman, om pas jaren later zijn Journaal uit te geven.
In 1996 is met veel tamtam herdacht dat het 350 jaar geleden was dat het Journaal
werd gepubliceerd, al stond 1996 vooral in het teken van een ander jubileum, de
overwintering op Nova Zembla in 1596. Toentertijd bezorgde Vibeke Roeper
een editie van de tekst; nu verschaft ze de noodzakelijke context in een
inleiding bij de door de schrijver Thomas Rosenboom
in modern Nederlands omgezette tekst. De inleiding is gedegen, zoals we van Vibeke Roeper mogen verwachten. Zij heeft met het uitgeven
van vergelijkbare teksten haar sporen al ruimschoots verdiend. De tekstweergave
van Rosenboom is zakelijk, geheel in de stijl van het
origineel, zoals Rosenboom in het nawoord schrijft.
Historici doen er beter aan de editie van Vibeke
Roeper te raadplegen: de annotatie in deze uitgave is
beperkt, de originele tekst ontbreekt en er is geen bibliografie. Wel zijn een
dwarsdoorsnede van een zeilschip uit die dagen en een duidelijke kaart van Bontekoes omzwervingen opgenomen – iets wat weer vaak
ontbreekt in historische werken. De originele illustraties verluchten ook deze
uitgave van het Journaal. Rosenbooms bewerking
is dan ook vooral bedoeld voor een groot publiek dat wat betreft Bontekoe wel de klok heeft horen luiden, maar geen weet
heeft van de klepel en in de details van die klepel sowieso
weinig is geïnteresseerd. Rosenboom is er in geslaagd
het Journaal op een heldere manier toegankelijk te maken voor de
doelgroep, die in het Jubeljaar van de VOC ongetwijfeld meer interesse heeft
gekregen voor de wedervaardigheden van Nederlanders in de Oost. Hij vermijdt de
hurkhouding die populariserende auteurs vaak menen te moeten aannemen tegenover
een lekenpubliek, en ook al bevat deze uitgave voor de historicus weinig
nieuws, ze kan altijd gewaardeerd worden als verstrooiend en historisch
verantwoord tussendoortje.
Henk Looijesteijn