De Standaard 17 juli 1997

DE DAGBLAD-BOMANS

Joris Note

GODFRIED BOMANS
Werken III
De Boekerij, Amsterdam
871 blz., 1.990 fr.

Godfried Bomans (1913-1971) was bij leven ongemeen populair, maar echte literaire erkenning kreeg hij nooit. Een kwarteeuw na zijn dood lijkt daarin verandering te komen. De uitgave van Bomans' Werken gebeurt namelijk onder auspiciën van de Maatschappij der Nederlandse Letteren. Het derde van de zeven aangekondigde delen verscheen onlangs. Daarin is Bomans' krantenwerk gebundeld, waaronder de bekende Pa Pinkelman-strips en het feuilleton De avonturen van Bill Clifford.

OP 1 januari 1963, een paar maanden na mijn dertiende verjaardag, kreeg ik drie boekjes van Godfried Bomans cadeau. Het smaakte naar nog. In de loop van het daaropvolgende jaar kocht ik met mijn zakgeld vier Bomansjes (Elsevierpockets en Prismapockets), en ik leende er enkele andere. Kortom, een tijdlang was Bomans voor mij de onbetwistbaar belangrijkste schrijver, en zo is het kennelijk voor veel Vlamingen geweest.
Waarin school Bomans' aantrekkingskracht? Het was om te lachen natuurlijk, maar dat zegt niet genoeg. Voor mezelf kan ik achteraf nog wat rappe gissingen maken:
* Bomans bracht je in aanraking met een ander, nog onbekend soort Nederlands. Lévend Nederlands? In feite hanteerde hij juist vaak een (parodie van) plechtstatige, ouderwetse taal. De hoofdzaak was wel dat hij de mogelijkheid toonde om met taal te spelen.
* Bomans' teksten ademden een katholieke cultuur (al is het niet altijd makkelijk omschrijfbaar waar dat aan ligt) en stonden mede daardoor ook dicht bij de Vlaamse cultuur. Ik kwam ook gauw te weten dat deze Hollander zich voor Vlaanderen interesseerde en ervan hield. (Hij achtte de Vlamingen ,,liever dan zijn landgenoten'', zei hij in een redevoering.)
* Bomans verschafte een oplossing voor een lezer in de tussenperiode, een lezer die de jeugdboeken achter zich had maar niet toe was aan ,,volwassen (te moeilijke, maar ook vaak verboden) literatuur. Het valt me op dat kennissen die met sympathie over Bomans spreken, hem meestal gelezen hebben in hun prille jaren; hun waardering van nu leeft in niet geringe mate van herkenning - van een plezier dat ze zich herinneren.
En ik kan me nauwelijks voorstellen dat hedendaagse volwassenen voor het eerst aan dit werk zouden beginnen en er groot genoegen aan beleven. Godfried Bomans (1913-1971) hoort in meer dan één opzicht bij een voorbije tijd.

EN nochtans, een kwarteeuw na zijn dood krijgt hij weer een heleboel aandacht. Het belangrijkste is dat vorig jaar begonnen werd met een uitgave van zijn Werken, bezorgd door Annemarie Feilzer en Peter van Zonneveld: dat worden zeven delen van zo'n 800 pagina's, geen volledige verzameling van zijn geschriften, maar wel een zeer ruime keuze (ook uit ongepubliceerde teksten).
Zoals bekend was Bomans tijdens zijn leven ongelooflijk populair (ook als spreker, en via radio en tv), maar kreeg hij nooit echte literaire erkenning. Deze editie nu - ,,onder de auspiciën van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde - heeft hoe dan ook iets officieels, en doet wel degelijk aan een soort canonisering denken.
Toch blijkt het nog altijd goed te zitten met Bomans' populariteit: de delen I en II moesten onmiddellijk worden herdrukt, hoewel ze toch behoorlijk duur zijn. Misschien gaan de mensen niet blijven kopen, die eerste boeken bevatten immers wel het beste uit de totale productie: de sprookjes, Pieter Bas, Erik, Wonderlijke nachten... Ik denk dat men alles samen wat strenger had moeten selecteren, dat zou de onmiskenbare schrijverskwaliteiten van Bomans beter doen uitkomen. Maar de ware liefhebbers zijn nu eenmaal niet te verzadigen.
Overigens is er een praktisch bezwaar tegen deze boeken: ze zijn te zwaarlijvig, lastig hanteerbaar - terwijl je Bomans toch juist moet kunnen lezen in bed, op de trein en op alle plaatsen.

HET derde volume van de Werken bevat een beperkt aantal (niet eerder gedrukte) redevoeringen en wat gedichten; daar zijn hooguit een paar curieuze of aardige dingen bij, maar niets denderends. Bovendien zijn sommige particuliere gelegenheidsteksten zonder toelichting vrijwel onbegrijpelijk. Maar de hoofdmoot van dit deel vormen de ,,beeldverhalen en ,,feuilletons'': Pa Pinkelman en Bill Clifford, plus onbelangrijke kleinigheden.
In december 1945 begon de Volkskrant met de publicatie van De avonturen van Pa Knetterteen; al na een week kreeg de hoofdpersoon een nieuwe naam, Pa Pinkelman. Het ging om een strip zonder tekstballonnen: elke dag verschenen drie plaatjes met blokjes tekst eronder. Bij het begin is het verhaal duidelijk voor kinderen bedoeld, maar dat verandert gauw, de teksten worden ingewikkelder en langer.
Het vertrekpunt ligt bij Kareltje Flens, het verwende zoontje van een makelaar in Onroerende Goederen, dat gediend wordt door het negertje Flop en drie stijve huisknechten. Kareltje en Flop verzeilen in het gezelschap van Pa Pinkelman, een gebrilde vijftiger met een regenjas, een bolhoed en een beetje toverkracht.
Deze schijnbaar gewone man is getrouwd met de dikke tante Pollewop, die immer bezig is met het bereiden of eten van voedsel. Het echtpaar sleept de twee jongens mee in allerlei buitenissige toestanden en gebeurtenissen, rond en zelfs buiten de wereld; daarbij worden ze overal achternagezeten door de drie knechten van meneer Flens.
De eerste Pinkelman-reeks werd in de krant gevolgd door Honderd avonturen van tante Pollewop, Liefdesbrieven van Pa Pinkelman en tante Pollewop, Pa Pinkelman in de politiek en ten slotte De onsterfelijke Pa Pinkelman, dat afliep in de lente van 1952.
De verhalen zijn naderhand in boekvorm verschenen, maar de editeurs van Bomans' Werken gebruiken altijd de eerste uitgave van de teksten - in dit geval dus de krantenversie.
Of de weglating van latere tekstaanpassingen te rechtvaardigen valt, heb ik niet kunnen nagaan; in elk geval ontbreekt nu de hoofdstukindeling, met de lange, samenvattende ,,titels'' - in de trant van: ,,De sultan roept zijn onderdanen bijeen, doch stuit op onvermoede tegenstand. Pa Pinkelman kondigt zijn verjaardag aan en tante Pollewop treft haar maatregelen.''
Een voordeel van deze uitgave is zeker dat alle prentjes - van Carol Voges - mee afgedrukt zijn, zij het (te zeer) verkleind. (En wat is het jammer dat de tekeningen bij Bomans' andere boeken níet in de Werken staan: ze hoorden erbij. Ik doe mijn pockets niet weg!)

DE schrijver toont zich sterk bewust van de dagblad-inbedding. Ten eerste blijkt dat uit verwijzingen naar de - vooral Nederlandse - naoorlogse actualiteit; wellicht is juist daardoor Pinkelman bij ons minder bekend geworden? Maar zelfs vandaag hinderen die gedateerde allusies ternauwernood de toegankelijkheid.
Ten tweede zijn er allerlei verwijzingen naar het maken en publiceren van de strip. De figuren wéten bijvoorbeeld dat ze in een verzonnen verhaal leven, de knechten kijken in de Volkskrant om te weten waar de anderen zich bevinden, abonnees verschijnen ten tonele... - en ook geregeld de schrijver, die zich bovendien rechtstreeks tot de lezer kan richten.
Hier past een langer citaat: ,,De minister glimlachte. 'Kijk 's, Arie', zei hij, ''t zit zo: ik heb niets te vertellen. Wat ik nu doe, is door de schrijver eergisteren geschreven en wat ik overmorgen ga doen, dat zet hij vandaag op papier. [...] En jij moet terugvliegen naar Schiphol. Ja, sterker nog: nog vóór deze kolom ten einde is, moet je al uit mijn gezicht verdwenen zijn. En nu kun je hoog springen of laag springen, maar zo gebeurt 't.' [...] Hij hield de vlakke hand boven zijn ogen en tuurde ingespannen in de verte. 'Het vliegtuig is nu uit 't gezicht,' mompelde hij, 'ik ben dus nu vermoedelijk onderaan de kolom in de Volkskrant. 't Is altijd prettig, als je weet waar je ergens bent.' Doch in deze mening vergiste zich de heer Kleffens, want er bleven juist nog enige regels over, die hiermee geschreven zijn. Zeg mij eens lezer, vindt u deze manier van schrijven niet uiterst merkwaardig? Ik wel.''

WAT voor helden zijn dit eigenlijk? Ze hebben geen ,,karakter'', daar zijn het stripfiguren voor. Eerst nog een vrij willekeurige passage ter illustratie: ,,Zij fietsten de gehele nacht door en eerst tegen de morgen stapten zij af in een korenveld en legden zich een paar uurtjes ter ruste. [...] 'Waar zijn we ergens?' vroeg tante Pollewop, een aantal broodjes uit haar tas halend. Pa Pinkelman raadpleegde het kleine landkaartje van Frankrijk, dat hij altijd voor dergelijke gelegenheden bij zich droeg. Hij keek en hij keek, maar hoe hij ook keek: hij zag nergens een korenveldje. 'Het staat er niet op,' zei hij eindelijk verbaasd. 'Daar ben ik blij om,' verklaarde tante Pollewop, 'want dan kunnen de drie knechten ons ook niet vinden'. Pa Pinkelman zag onmiddellijk in hoe juist deze opmerking was en hapte onbezorgd in een kadetje met ham.''
Pinkelman is tegelijk een ,,beperkt, doch koppig middenstandsbrein'' en een ,,minnaar van het ongewisse''; hij ,,doet niets. En daardoor gebeurt er van alles''; en hij is een dwaas. Hij en zijn vrouw lopen hun neus achterna, zijn wezenlijk onvolwassen, sparen niet, zijn opgewekt en tobben nooit echt, bewonderen elkaar hartelijk in hun onbenulligheid en gedachteloosheid...
De drie knechten vertegenwoordigen de maatschappelijke orde; zij dragen, zegt de oudste, ,,de gestreepte jasjes van tucht en regelmaat'', die voortdurend het onderspit delven tegen ,,de bolhoed der zinneloosheid''.
Dat klinkt ondermijnender dan het is: je kunt deze verhalen niet maatschappij-kritisch noemen - en evenmin behoudsgezind. Daarvoor is het allemaal te lichtzinnig; om dezelfde reden zou ik niet van anti-politiek spreken, al wordt de politiek (net als álle deftigheid) nogal vaak belachelijk voorgesteld.
Vrij zelden zijn er licht-moraliserende elementen, maar die vervluchtigen in de luchtigheid. Bomans heeft hier een ontzaglijke massa onzin bij elkaar gefantaseerd, en ik kan daar amper iets over zeggen, het glipt me door de vingers.
Vooruit, nog een voorbeeldje: ,,'Dat,' sprak de eerste dame weer, 'is een zogenaamde vrouwenrover. En een goeie ook. U ziet: hij heeft er al dertien bij elkaar.' De juffrouw aan het raam knikte. 'Een bekwaam vakman,' zei ze. 'En wat,' vroeg tante Pollewop, 'wil hij daarmee doen?' 'Niets,' antwoordde de dame met het rijgboord, 'oppotten. Zoals een ander postzegels of knikkers verzamelt. Er is waarschijnlijk als kind niet voldoende op gelet.'''
Grotendeels blijft Pa Pinkelman amusant, maar ik ben niet geneigd te uitbundig te gaan prijzen. Het was broodschrijverij, en dat voel je: soms was Bomans goed op dreef, maar ook vaak niet, en dus krijg je flauwiteiten te incasseren; echt geestige momenten zijn redelijk schaars.
Van compositie is nauwelijks sprake; dat hoort waarschijnlijk bij de opzet, maar daar wordt het niet prettiger door. Er zijn herhalingen, de stilistische eentonigheid is vaak tergend, verveling kan snel toeslaan.
Mijn moeilijkheden hangen echter ook met de manier van lezen samen. De Pinkelman-avonturen waren aanvankelijk bedoeld om er elke dag een klein stukje van te gebruiken, later werden het niet al te dikke boekjes. Maar in Werken III nemen ze samen niet minder dan 550 grote bladzijden in beslag.
Als je daar te veel ineens van consumeert, zit je gegarandeerd met een weeë smaak en een gestoorde maag. Eigen schuld, boekbesprekertje, lees liever verstrooid, her en der, nu en dan! Maar de kwaliteit is toch ook echt zeer ongelijk.

AANZIENLIJK gaver vind ik het kleine De avonturen van Bill Clifford, dat in 1947 als feuilleton in Elseviers Weekblad verscheen en het jaar daarop als boek.
Ook hier veel fantasie, kolder en doorgeprikte clichétaal - maar ook: een nogal geslaagde poging om te structureren, om een goed verhaal ineen te zetten.
Het thema is eenvoudig. De grote geest maakt fouten door het simpele over het hoofd te zien: ,,Heerlijk zijn de bouwsels van uw geest,'' krijgt detective Bill Clifford van zijn Tegenstander te horen, ,,doch dat wat ge nodig hebt in uw nabijheid is een middelmatig verstand om er de achterdeurtjes van te bewaken. Als een arend zoekt ge uw prooi aan de horizon, niet bemerkende, wat elke mus ziet: dat ge er bovenop zit.''
Maar zowel de speurder als de misdadiger worden op den duur overtroefd door de wérkelijk gewone geest (die daar geen theorieën over heeft), de postbediende Topwash. In dit boek komt opnieuw het genre zelf ter sprake: Clifford neemt een ,,sufferd'' als assistent, omdat dat zo hoort in detectiveverhalen.
Ook van Bill Clifford is niet de boekversie maar de feuilletonversie afgedrukt. Dat getuigt hier toch zeker wel van betweterigheid tegenover de schrijver die zelf serieuze veranderingen - concreet: omvangrijke toevoegingen - heeft aangebracht. Of omgekeerd: waren er weglatingen in het weekblad? (En het is helemaal absurd dat achterin, naast de oorspronkelijke bronnen, niet eens de jaartallen van de - eerste - boekuitgaven worden meegedeeld: daarvoor moet je wachten op het zevende deel!)
Anton van Duinkerken schreef in een voorwoord (1952) bij Pa Pinkelman: ,,Pa Pinkelman is de stripheld, die ons wil tonen, hoe onmogelijk striphelden zijn.'' Met andere woorden, het gaat om een pastiche (en niet alleen een pastiche van bepaalde tekenverhalen). En Bill Clifford is een pastiche van een detectiveroman.

HET is duidelijk dat hier een wezenlijk aspect van Bomans' hele oeuvre aan de orde is: op de een of andere manier zijn het bijna allemaal pastiches of parodieën. Pieter Bas (memoires) en Kopstukken (interviews) zijn evidente voorbeelden, maar het geldt tot op zekere hoogte ook voor de sprookjes, de redevoeringen, en ga maar door. En afgezien van de genres is er de taal: voortdurend wil Bomans taalvormen in hun hemd zetten.
Zijn woorden verwijzen dus bijna altijd bewust naar andere, eerdere woorden. Dat blijkt onder meer uit de overdrijvingen en karikaturen, en uit de beschouwingen over en de spelletjes met het medium (krantenstrip, detectiveverhaal).
Het feit dat Bomans zich volgens sommigen te gemakkelijk liet beïnvloeden door bestaande modellen, past in hetzelfde kader, en ik denk dat hem op dat punt niet veel te verwijten valt. Hij zat, zoals menigeen, opgescheept met het besef dat alles al gezegd en geschreven is, dat het ,,nieuwe noodzakelijk onoorspronkelijk of zelfs onecht is.
Dat inzicht of gevoel is op vele manieren te verwerken en kan tot grote literatuur leiden. Bij Bomans heeft het iets tragisch. Hij ervaart zijn eigen verhalen als problematisch en de taal als versleten, afgekloven; hij zou willen dat het anders was, geeft soms de indruk niet te geloven in wat hij doet of het zelf niet leuk te vinden, is vermoeid - en misschien juist daardoor vaak vermoeiend.
Toch bedoel ik deze wellicht te ernstige overwegingen niet als een afwijzing, ze maken Bomans niet groter of kleiner. Ze bevestigen wel dat hij niet zo'n vrolijke kwant was, en ze doen hem in zekere zin ,,moderner'' lijken. Zijn werk vraagt van de lezer dikwijls minder zin voor humor dan zin voor de leegte.
Werken III haalt niet het niveau van de eerste twee delen. Om er onvoorwaardelijk en ongeremd van te kunnen genieten moet je een onversaagde en onverdeelde fan zijn.
Maar over alle verhalen verspreid staan er heel wat briljante bladzijden, en van Bill Clifford blijf ik speciaal houden. En natuurlijk helpt ook dit boek om de schrijver te begrijpen. Toch goed dat het er is.

TUSSEN de verzen in Werken III is, zo bleek achteraf, een kerstlied terechtgekomen dat in feite werd geschreven door Bomans' vriend Harry Prenen (onder meer bekend door zijn mooie tekeningen bij Pieter Bas en de Sprookjes uit 1946).
Maar het enige gedichtje van Bomans dat ik kende, staat er niet in, het beroemde Spleen (naar het Duits van Friedrich Torberg): ,,Ik zit mij voor het vensterglas / onnoemelijk te vervelen. / Ik wou dat ik twee hondjes was, / dan kon ik samen spelen.''
Ik citeer het hier naar de nonsens-bloemlezing van Vic van de Reijt die er haar titel aan ontleende (Ik wou dat ik twee hondjes was, 1982). Waarom is het niet opgenomen? Werd ook dit ooit ten onrechte aan Bomans toegeschreven? (Ik herinner me vaag eens zoiets gelezen te hebben.) Of gewoon omdat het een vertaling/bewerking is? Dat is dan uiterst belachelijk.


DS Infobib DS Home

[ Infobib ] [ DS home ]

Hosted by www.Geocities.ws

1