Joris Note
GODFRIED BOMANS
Werken III
De Boekerij, Amsterdam
871 blz., 1.990 fr.
| Godfried Bomans (1913-1971) was bij leven ongemeen populair, maar echte literaire erkenning kreeg hij nooit. Een kwarteeuw na zijn dood lijkt daarin verandering te komen. De uitgave van Bomans' Werken gebeurt namelijk onder auspiciën van de Maatschappij der Nederlandse Letteren. Het derde van de zeven aangekondigde delen verscheen onlangs. Daarin is Bomans' krantenwerk gebundeld, waaronder de bekende Pa Pinkelman-strips en het feuilleton De avonturen van Bill Clifford. |
OP 1 januari 1963, een paar maanden na mijn dertiende
verjaardag, kreeg ik drie boekjes van Godfried Bomans cadeau. Het smaakte naar nog.
In de loop van het daaropvolgende jaar kocht ik met mijn zakgeld vier
Bomansjes (Elsevierpockets en Prismapockets), en ik leende er enkele andere.
Kortom, een tijdlang was Bomans voor mij de onbetwistbaar belangrijkste
schrijver, en zo is het kennelijk voor veel Vlamingen geweest.
Waarin school Bomans' aantrekkingskracht? Het was om te lachen
natuurlijk, maar dat zegt niet genoeg. Voor mezelf kan ik achteraf nog wat rappe
gissingen maken:
* Bomans bracht je in aanraking met een ander, nog onbekend soort
Nederlands. Lévend Nederlands? In feite hanteerde hij juist vaak een (parodie
van) plechtstatige, ouderwetse taal. De hoofdzaak was wel dat hij de
mogelijkheid toonde om met taal te spelen.
* Bomans' teksten ademden een katholieke cultuur (al is het
niet altijd makkelijk omschrijfbaar waar dat aan ligt) en stonden mede
daardoor ook dicht bij de Vlaamse cultuur. Ik kwam ook gauw te weten
dat deze Hollander zich voor Vlaanderen interesseerde en ervan hield. (Hij
achtte de Vlamingen ,,liever dan zijn landgenoten'', zei hij in een
redevoering.)
* Bomans verschafte een oplossing voor een lezer in de
tussenperiode, een lezer die de jeugdboeken achter zich had maar niet toe was
aan ,,volwassen (te moeilijke, maar ook vaak verboden) literatuur. Het valt
me op dat kennissen die met sympathie over Bomans spreken, hem meestal
gelezen hebben in hun prille jaren; hun waardering van nu leeft in niet geringe
mate van herkenning - van een plezier dat ze zich herinneren.
En ik kan me nauwelijks voorstellen dat hedendaagse volwassenen voor het
eerst aan dit werk zouden beginnen en er groot genoegen aan beleven.
Godfried Bomans (1913-1971) hoort in meer dan één opzicht bij een voorbije tijd.
EN nochtans, een kwarteeuw na zijn dood krijgt hij weer een heleboel
aandacht. Het belangrijkste is dat vorig jaar begonnen werd met een uitgave
van zijn Werken, bezorgd door Annemarie Feilzer en Peter van
Zonneveld: dat worden zeven delen van zo'n 800 pagina's, geen volledige
verzameling van zijn geschriften, maar wel een zeer ruime keuze (ook uit
ongepubliceerde teksten).
Zoals bekend was Bomans tijdens zijn leven ongelooflijk populair (ook als
spreker, en via radio en tv), maar kreeg hij nooit echte literaire
erkenning. Deze editie nu - ,,onder de auspiciën van de Maatschappij der
Nederlandse Letterkunde - heeft hoe dan ook iets officieels, en doet wel degelijk
aan een soort canonisering denken.
Toch blijkt het nog altijd goed te zitten met Bomans'
populariteit: de delen I en II moesten onmiddellijk worden herdrukt, hoewel ze
toch behoorlijk duur zijn. Misschien gaan de mensen niet blijven kopen, die
eerste boeken bevatten immers wel het beste uit de totale productie: de
sprookjes, Pieter Bas, Erik, Wonderlijke nachten... Ik denk dat men
alles samen wat strenger had moeten selecteren, dat zou de onmiskenbare
schrijverskwaliteiten van Bomans beter
doen uitkomen. Maar de ware liefhebbers zijn nu eenmaal niet te
verzadigen.
Overigens is er een praktisch bezwaar tegen deze boeken: ze zijn te
zwaarlijvig, lastig hanteerbaar - terwijl je Bomans toch juist moet kunnen
lezen in bed, op de trein en op alle plaatsen.
HET derde volume van de Werken bevat een beperkt aantal
(niet eerder gedrukte) redevoeringen en wat gedichten; daar zijn hooguit een
paar curieuze of aardige dingen bij, maar niets denderends. Bovendien zijn
sommige particuliere gelegenheidsteksten zonder toelichting vrijwel
onbegrijpelijk. Maar de hoofdmoot van dit deel vormen de ,,beeldverhalen en
,,feuilletons'': Pa Pinkelman en Bill Clifford, plus
onbelangrijke kleinigheden.
In december 1945 begon de Volkskrant met de publicatie van
De avonturen van Pa Knetterteen; al na een week kreeg de hoofdpersoon
een nieuwe naam, Pa Pinkelman. Het ging om een strip zonder
tekstballonnen: elke dag verschenen drie plaatjes met blokjes tekst eronder.
Bij het begin is het verhaal duidelijk voor kinderen bedoeld, maar dat
verandert gauw, de teksten worden ingewikkelder en langer.
Het vertrekpunt ligt bij Kareltje Flens, het verwende zoontje van een
makelaar in Onroerende Goederen, dat gediend wordt door het negertje Flop en
drie stijve huisknechten. Kareltje en Flop verzeilen in het gezelschap van
Pa Pinkelman, een gebrilde vijftiger met een regenjas, een bolhoed en een
beetje toverkracht.
Deze schijnbaar gewone man is getrouwd met de dikke tante Pollewop, die
immer bezig is met het bereiden of eten van voedsel. Het echtpaar sleept de
twee jongens mee in allerlei buitenissige toestanden en gebeurtenissen,
rond en zelfs buiten de wereld; daarbij worden ze overal achternagezeten door
de drie knechten van meneer Flens.
De eerste Pinkelman-reeks werd in de krant gevolgd door Honderd
avonturen van tante Pollewop, Liefdesbrieven van Pa Pinkelman en tante
Pollewop, Pa Pinkelman in de politiek en ten slotte De onsterfelijke Pa
Pinkelman, dat afliep in de lente van 1952.
De verhalen zijn naderhand in boekvorm verschenen, maar de editeurs van
Bomans' Werken gebruiken altijd de eerste uitgave van de teksten
- in dit geval dus de krantenversie.
Of de weglating van latere tekstaanpassingen te rechtvaardigen valt, heb
ik niet kunnen nagaan; in elk geval ontbreekt nu de hoofdstukindeling, met
de lange, samenvattende ,,titels'' - in de trant van: ,,De sultan roept
zijn onderdanen bijeen, doch stuit op onvermoede tegenstand. Pa Pinkelman
kondigt zijn verjaardag aan en tante Pollewop treft haar maatregelen.''
Een voordeel van deze uitgave is zeker dat alle prentjes - van Carol
Voges - mee afgedrukt zijn, zij het (te zeer) verkleind. (En wat is het
jammer dat de tekeningen bij Bomans' andere boeken níet in de Werken
staan: ze hoorden erbij. Ik doe mijn pockets niet weg!)
DE schrijver toont zich sterk bewust van de dagblad-inbedding. Ten
eerste blijkt dat uit verwijzingen naar de - vooral Nederlandse -
naoorlogse actualiteit; wellicht is juist daardoor Pinkelman bij ons minder bekend
geworden? Maar zelfs vandaag hinderen die gedateerde allusies
ternauwernood de toegankelijkheid.
Ten tweede zijn er allerlei verwijzingen naar het maken en publiceren van
de strip. De figuren wéten bijvoorbeeld dat ze in een verzonnen verhaal
leven, de knechten kijken in de Volkskrant om te weten waar de
anderen zich bevinden, abonnees verschijnen ten tonele... - en ook geregeld de
schrijver, die zich bovendien rechtstreeks tot de lezer kan richten.
Hier past een langer citaat: ,,De minister glimlachte. 'Kijk 's, Arie',
zei hij, ''t zit zo: ik heb niets te vertellen. Wat ik nu doe, is door de
schrijver eergisteren geschreven en wat ik overmorgen ga doen, dat zet hij
vandaag op papier. [...] En jij moet terugvliegen naar Schiphol. Ja, sterker
nog: nog vóór deze kolom ten einde is, moet je al uit mijn gezicht
verdwenen zijn. En nu kun je hoog springen of laag springen, maar zo gebeurt 't.'
[...] Hij hield de vlakke hand boven zijn ogen en tuurde ingespannen in de
verte. 'Het vliegtuig is nu uit 't gezicht,' mompelde hij, 'ik ben dus nu
vermoedelijk onderaan de kolom in de Volkskrant. 't Is altijd
prettig, als je weet waar je ergens bent.' Doch in deze mening vergiste zich de
heer Kleffens, want er bleven juist nog enige regels over, die hiermee
geschreven zijn. Zeg mij eens lezer, vindt u deze manier van schrijven niet
uiterst merkwaardig? Ik wel.''
WAT voor helden zijn dit eigenlijk? Ze hebben geen ,,karakter'', daar
zijn het stripfiguren voor. Eerst nog een vrij willekeurige passage ter
illustratie: ,,Zij fietsten de gehele nacht door en eerst tegen de morgen
stapten zij af in een korenveld en legden zich een paar uurtjes ter ruste.
[...] 'Waar zijn we ergens?' vroeg tante Pollewop, een aantal broodjes uit
haar tas halend. Pa Pinkelman raadpleegde het kleine landkaartje van
Frankrijk, dat hij altijd voor dergelijke gelegenheden bij zich droeg. Hij keek en
hij keek, maar hoe hij ook keek: hij zag nergens een korenveldje. 'Het staat
er niet op,' zei hij eindelijk verbaasd. 'Daar ben ik blij om,' verklaarde
tante Pollewop, 'want dan kunnen de drie knechten ons ook niet vinden'. Pa
Pinkelman zag onmiddellijk in hoe juist deze opmerking was en hapte
onbezorgd in een kadetje met ham.''
Pinkelman is tegelijk een ,,beperkt, doch koppig middenstandsbrein'' en
een ,,minnaar van het ongewisse''; hij ,,doet niets. En daardoor gebeurt er
van alles''; en hij is een dwaas. Hij en zijn vrouw lopen hun neus
achterna, zijn wezenlijk onvolwassen, sparen niet, zijn opgewekt en tobben nooit
echt, bewonderen elkaar hartelijk in hun onbenulligheid en
gedachteloosheid...
De drie knechten vertegenwoordigen de maatschappelijke orde; zij dragen,
zegt de oudste, ,,de gestreepte jasjes van tucht en regelmaat'', die
voortdurend het onderspit delven tegen ,,de bolhoed der zinneloosheid''.
Dat klinkt ondermijnender dan het is: je kunt deze verhalen niet
maatschappij-kritisch noemen - en evenmin behoudsgezind. Daarvoor is het allemaal
te lichtzinnig; om dezelfde reden zou ik niet van anti-politiek spreken, al
wordt de politiek (net als álle deftigheid) nogal vaak belachelijk
voorgesteld.
Vrij zelden zijn er licht-moraliserende elementen, maar die vervluchtigen
in de luchtigheid. Bomans heeft hier een ontzaglijke massa onzin bij
elkaar gefantaseerd, en ik kan daar amper iets over zeggen, het glipt me door de
vingers.
Vooruit, nog een voorbeeldje: ,,'Dat,' sprak de eerste dame weer, 'is een
zogenaamde vrouwenrover. En een goeie ook. U ziet: hij heeft er al dertien
bij elkaar.' De juffrouw aan het raam knikte. 'Een bekwaam vakman,' zei
ze. 'En wat,' vroeg tante Pollewop, 'wil hij daarmee doen?' 'Niets,'
antwoordde de dame met het rijgboord, 'oppotten. Zoals een ander postzegels of
knikkers verzamelt. Er is waarschijnlijk als kind niet voldoende op gelet.'''
Grotendeels blijft Pa Pinkelman amusant, maar ik ben niet
geneigd te uitbundig te gaan prijzen. Het was broodschrijverij, en dat voel je:
soms was Bomans goed op dreef, maar ook vaak niet, en dus krijg je
flauwiteiten te incasseren; echt geestige momenten zijn redelijk schaars.
Van compositie is nauwelijks sprake; dat hoort waarschijnlijk bij de
opzet, maar daar wordt het niet prettiger door. Er zijn herhalingen, de
stilistische eentonigheid is vaak tergend, verveling kan snel toeslaan.
Mijn moeilijkheden hangen echter ook met de manier van lezen samen. De
Pinkelman-avonturen waren aanvankelijk bedoeld om er elke dag een klein
stukje van te gebruiken, later werden het niet al te dikke boekjes. Maar in
Werken III nemen ze samen niet minder dan 550 grote bladzijden in
beslag.
Als je daar te veel ineens van consumeert, zit je gegarandeerd met een
weeë smaak en een gestoorde maag. Eigen schuld, boekbesprekertje, lees liever
verstrooid, her en der, nu en dan! Maar de kwaliteit is toch ook echt zeer
ongelijk.
AANZIENLIJK gaver vind ik het kleine De avonturen van Bill
Clifford, dat in 1947 als feuilleton in Elseviers Weekblad
verscheen en het jaar daarop als boek.
Ook hier veel fantasie, kolder en doorgeprikte clichétaal - maar ook:
een nogal geslaagde poging om te structureren, om een goed verhaal ineen te
zetten.
Het thema is eenvoudig. De grote geest maakt fouten door het simpele over
het hoofd te zien: ,,Heerlijk zijn de bouwsels van uw geest,'' krijgt
detective Bill Clifford van zijn Tegenstander te horen, ,,doch dat wat ge nodig
hebt in uw nabijheid is een middelmatig verstand om er de achterdeurtjes
van te bewaken. Als een arend zoekt ge uw prooi aan de horizon, niet
bemerkende, wat elke mus ziet: dat ge er bovenop zit.''
Maar zowel de speurder als de misdadiger worden op den duur overtroefd
door de wérkelijk gewone geest (die daar geen theorieën over heeft), de
postbediende Topwash. In dit boek komt opnieuw het genre zelf ter sprake:
Clifford neemt een ,,sufferd'' als assistent, omdat dat zo hoort in
detectiveverhalen.
Ook van Bill Clifford is niet de boekversie maar de
feuilletonversie afgedrukt. Dat getuigt hier toch zeker wel van betweterigheid
tegenover de schrijver die zelf serieuze veranderingen - concreet: omvangrijke
toevoegingen - heeft aangebracht. Of omgekeerd: waren er weglatingen in het
weekblad? (En het is helemaal absurd dat achterin, naast de oorspronkelijke
bronnen, niet eens de jaartallen van de - eerste - boekuitgaven worden
meegedeeld: daarvoor moet je wachten op het zevende deel!)
Anton van Duinkerken schreef in een voorwoord (1952) bij Pa
Pinkelman: ,,Pa Pinkelman is de stripheld, die ons wil tonen, hoe onmogelijk
striphelden zijn.'' Met andere woorden, het gaat om een pastiche (en niet
alleen een pastiche van bepaalde tekenverhalen). En Bill Clifford
is een pastiche van een detectiveroman.
HET is duidelijk dat hier een wezenlijk aspect van Bomans' hele
oeuvre aan de orde is: op de een of andere manier zijn het bijna allemaal
pastiches of parodieën. Pieter Bas (memoires) en Kopstukken
(interviews) zijn evidente voorbeelden, maar het geldt tot op zekere hoogte
ook voor de sprookjes, de redevoeringen, en ga maar door. En afgezien van
de genres is er de taal: voortdurend wil Bomans taalvormen in hun hemd
zetten.
Zijn woorden verwijzen dus bijna altijd bewust naar andere, eerdere
woorden. Dat blijkt onder meer uit de overdrijvingen en karikaturen, en uit de
beschouwingen over en de spelletjes met het medium (krantenstrip,
detectiveverhaal).
Het feit dat Bomans zich volgens sommigen te gemakkelijk liet beïnvloeden
door bestaande modellen, past in hetzelfde kader, en ik denk dat hem op
dat punt niet veel te verwijten valt. Hij zat, zoals menigeen, opgescheept
met het besef dat alles al gezegd en geschreven is, dat het ,,nieuwe
noodzakelijk onoorspronkelijk of zelfs onecht is.
Dat inzicht of gevoel is op vele manieren te verwerken en kan tot grote
literatuur leiden. Bij Bomans heeft het iets tragisch. Hij ervaart zijn
eigen verhalen als problematisch en de taal als versleten, afgekloven; hij zou
willen dat het anders was, geeft soms de indruk niet te geloven in wat hij
doet of het zelf niet leuk te vinden, is vermoeid - en misschien juist
daardoor vaak vermoeiend.
Toch bedoel ik deze wellicht te ernstige overwegingen niet als een
afwijzing, ze maken Bomans niet groter of kleiner. Ze bevestigen wel dat hij niet
zo'n vrolijke kwant was, en ze doen hem in zekere zin ,,moderner'' lijken.
Zijn werk vraagt van de lezer dikwijls minder zin voor humor dan zin voor
de leegte.
Werken III haalt niet het niveau van de eerste twee delen. Om
er onvoorwaardelijk en ongeremd van te kunnen genieten moet je een
onversaagde en onverdeelde fan zijn.
Maar over alle verhalen verspreid staan er heel wat briljante bladzijden,
en van Bill Clifford blijf ik speciaal houden. En natuurlijk
helpt ook dit boek om de schrijver te begrijpen. Toch goed dat het er is.
TUSSEN de verzen in Werken III is, zo bleek
achteraf, een kerstlied terechtgekomen dat in feite werd geschreven door Bomans'
vriend Harry Prenen (onder meer bekend door zijn mooie tekeningen bij
Pieter Bas en de Sprookjes uit 1946).
Maar het enige gedichtje van Bomans dat ik kende, staat er niet in, het
beroemde Spleen (naar het Duits van Friedrich Torberg): ,,Ik zit
mij voor het vensterglas / onnoemelijk te vervelen. / Ik wou dat ik twee
hondjes was, / dan kon ik samen spelen.''
Ik citeer het hier naar de nonsens-bloemlezing van Vic van de Reijt die
er haar titel aan ontleende (Ik wou dat ik twee hondjes was,
1982). Waarom is het niet opgenomen? Werd ook dit ooit ten onrechte aan Bomans
toegeschreven? (Ik herinner me vaag eens zoiets gelezen te hebben.) Of
gewoon omdat het een vertaling/bewerking is? Dat is dan uiterst
belachelijk.