Schrijver Bomans, Godfried
Titel Erik of het klein insectenboek
Jaar van uitgave
1941Bron NRC
Publicatiedatum 08-02-1941
Recensent
Recensietitel Gaat tot de mieren : Godfried Bomans. Erik (of het klein insectenboek)
Wij zijn allen balllingen, levend binnen de lijsten van een vreemd schilderij. Wie dit weet, leeft groot De overigen zijn insecten (Leonardo da Vinci). Het motto van het boek van Godfried Bomans, dat wij boven deze kroniek overnemen, toont wel aan, dat dit werk, op het eerste gezicht een mengeling van sprookje en fabel, niet voor zeer jonge lezers is bestemd, al zal de jeugd boven veertien jaar dit boek zeker met vermaak en profijt kunnen lezen. Maar de felheid en wrangheid, die heier en daar tot uiting komen, zullen toch eerst recht begrepen worden, door hen, die het leven, en vooral het maatschappelijke leven, in al zijn hardheid en benepenheid hebben leeren kennen en sonmüge plaatsen zijn zelfs gruwelijk hardvochtig. Het is moeilijk, met één woord den letterkundigen aard van dit boek duidelijk te maken. De benaming allegorie voldoet nog wel het beste, vooral omdat daardoor ook de didactische, de onderwijzende strekking van het werk wordt aangeduid. De allegorische figuren zijn echter stedemaagden noch riviergoden, schalksche qupido's noch wreede schikgodinnen; het zijn spinnen; wespen, vlinders, doodgravers en wormen. Met deze insecten ontstaat een feller, venijniger, nerveuser atmospheer dan met de figuren van renaissance of klassieke oudheid en het is wel geen toeval, dat een van hartstocht geladen, galspuwend boek gelijk Mamix Biënkorf der H. Roomsche Kerke, deze felle, nadrukkelijke allegorie uit den hervormingstijd, geen vergulde goden, maar insecten tot personages heeft. Overigens, een zoo allesoverheerschende, op één doel gerichte tendens als het groote pamflet van Marnix, heeft het insecten-boek van Bomans geenszins. Wat de strekking betreft is het eer te vergelijken met het groote voorbeeld voor alle zinnebeeldige dieren-verhalen: de Reinaert. Ook in dit nieuwe Nederlandsche uitbeelding gegeven van de menschen maatschappij in al haar geledingen; niet één kerk of één partij of één menschelijke eigenschap wordt tot caricatuur gemaakt, maar vele menschelijke eigenaardigheden worden, soms met niilden, soms met venijnigen spot, over den hekel gehaald. Alles wat zinnebeeldig is, het klinkt vreemd, wordt bedreigd door een gebrek aan verbeelding. Maar al te vaak kan men opmerken dat de maker van allegorische voorstellingen, in de beeldende kunst, zoowel als in de literatuur, te korte objectief in "verbeelding ", dat ééne begrip, dat zoowel "fantasie " als klein en loopt het schilderij binnen, dat op zijn kamer hangt en da@ naar hem nu blijkt, geen doode afbeelding, maar een levende wereld is, waar hij, in zijn nieuwe proporties, de insecten uit het boek van Sohns in levenden lijve ontmoeten kan. Wanneer Erik eenmaal zijn intrede heeft gedaan in "het schilderij ", de dierlijk -allegorische voorstelling van de menschelijke wereld, waar ook het wijze motto van Da Vinci van sprak, is ook de schri ver, zij het niet zonder eenige moeite, in goede richting de bovengenoemde grens gepasseerd.
Wel zal hij van tijd tot tijd, door een te nadrukkelijk lesje, het gebied der verbeelding weer verlaten, maar toch: het spel kan beginnen. Erik dan, ontmoet vele insecten, die hij uit zijn schoolboek reeds kende. Hij maakt grooten indruk op hen door zijn kennis van hun gedragingen en vooral door de mededeeling dat al deze dingen als het ware "voorgeschreven" zijn in een boek. Het feit, dat nu voor het gevoel van de insecten hun geheele doen en laten is verordonneerd, brengt zelfs een angstige onzekerheid teweeg. Alle natuurlijkheid gaat verloren en de durf tot daden wordt gevaarlijk geremd door den angst, dat het in " Solms " wel eens anders beschreven kon zijn. Erik weet echter, door vriendelijk vermaan tot natuurlijkheid, groote onheilen te voorkomen. Het zou omnogelijk zijn, alle menschelijke zwakheden, door den schrijver als bijzondere eigenschappen van de verschillende insectensoorten aan de kaak gesteld, hier in hun zinnebeeldige voorstelling te beschrijven, maar zeer vermakelijk is wel de persiflage van de geldzucht, die (in een vlinder -familie ) als honingzucht wordt voorgesteld. Aan een bruiloftsmaal houdt de vlinder -vader de volgende rede: "Het pad des huwelijks, zoo zeide hij, liep niet altijd over koolbladeren. Er waren ook brandnetels tusschen. Maar een vlinder van Jan de Wit gaf daar niet om. Juist in zulke dagen bleek het wat men waard was, of men met een echte, dergelijke vhnderhefde te doen had, of met andere woorden, het huwelijk op honing gebaseerd was, ja of neen. Want alleen het huwelijk dat op honing gebaseerd was, hield stand. Al het andere kwam vroeg of laat ten val. Honing was het, vanwaar men moest uitgaan, honing waarheen men moest sterven. Want maar al te snel brak de tijd aan dat de rupsjes geboren werden. Wat tenslotte het geven van een bruidsschat betreft, moest hij tot zijn spijt mededelen dat hiertoe wegens bezuiniging niet kon worden overgegaan. De tijden waren slecht, om niet te zeggen nijpend, en het was al mooi dat hij 24 monden van zijn eigen gezin kon vullen. Enkele oogenblikken geleden was er zelfs de 25e bijgekomen (die hierbij hartelijk begroette) en op de gang, stond nog iemand vol eieren, die stuk voor stuk op springen stonden. Allen waren hartelijk welkom, daar ging het niet om, maar het was intusschen maar zoo. Vol ironie zijn ook de episode in het huis van de deftige familie Van Vliesvleugel, een gezin van wespen die zich zeer laten voorstaan op hun adellijke afkomst en diepe minachting hebben voor den tak van de fanülie die in verval is, voor de bijen, die als arbeiders gezamenlijk in één groot huis wonen. Het gesprek heeft maar één onderwerp van belang, "Gestaltung" die zich besloten houdt. Het komt ook overeen met den didactischen aard van de allegorie, dat een zekere schoolscheid en opzettelijkheid heel dikwijls den dichterlijken inval tot schoobneesterachtig lesje doen uitdijen en herhaaldelijk kan men waarnemen, dat de fatale grens tusschen het vindingrijke en het gezochte, ten gevolge van te veel bedenksel en te weinig dichterlijke scheppingskracht, in de richting van het minst aantrekkelijke gebied overschreden is. Zulke grensschendingen hebben wij ook in het boek van Godfried Bomans waargenomen, maar zij waren van te onbeteekenenden aard, dan dat er voor een oorlogsverklaring aan zijn werk reden zou zijn; eerlijkheidshalve moeten wij zelfs erkennen, dat deze schrijver van nature meer geneigd is de grens in de goede richting te overschrijden: van het gezochte en opzettelijk bedachte, naar het speelsche, het met kunstenaa,rsgeluk gevondene. En waar het den schrijver gelukt is het land der dichterlijke verbeelding te bereiken, kan de lezer zich vermaken met geestige vondsten en soms zelfs genieten van fijnzinnige ironie. Te lang reeds hebben wij den feitelijken inhoud van het boek verzwegen. Welnu: Erik, de held van het werk, is een jongetje van negen jaar, dat op school natuurlijke historie leert. Hij gaat zelfs naar bed met " Solms' Beknopte Natuurlijke Historie " en stopt dat boek onder zijn kussen. In den schemer gebeuren wonderlijke dingen: Erik wordt heel "Een heer is een heer", verklaarde mevrouw van Vlies.. "men is het of men is het niet." "Is men het," vervolgde mevrouw, "dan is men het ook, maar is men het niet, welnu dan is men het ook niet," voegde haar man er aan toe.
Karei Thole, die dit boek heeft versierd met vele illustraties, die afwisselend te eener of te anderer zijde van de grens tusschen verbeelding en opzettelijkheid thuis hooren, ontwierp voor de familie Van Vliesvieugel het aardige muurbord met het
spreekwoord: Men Is Het of Men Is Het Niet