|
Trouw, 13 mei 1998 |
|
|
|
|
|
Aeneas is geen Odysseus |
|
|
|
|
|
LIEKE VAN DUIN |
|
|
|
|
|
Gekliefde schedels, uiteenspattende hersenen, lillende darmen en
afgehouwen ledematen bepalen een flink deel van 'De zwerftochten van Aeneas', de navertelling
door Paul Biegel van Vergilius'
Aeneïs. Het is een voornaam ogend boek geworden,
vlot leesbaar maar niet al te populair, over de Trojaanse held Aeneas, die van Jupiter de
opdracht krijgt een nieuw volk te stichten en zo stamvader van de Romeinen te
worden. Het verhaal vertelt in
twaalf 'boeken' de mythische geschiedenis van Aeneas,
die ontkomt uit het brandende Troje en met twintig
schepen op zoek gaat naar een plek aan de Middellandse Zee, waar hij een nieuw Troje kan stichten. De
avonturen tijdens die zoektocht doen denken aan die van Odysseus
maar zijn overzichtelijker en éénduidiger. Zijn dramatisch afgelopen
verhouding met koningin Dido van Carthago is in Boek IV sterk uitgewerkt. En Boek VI, waarin Aeneas met de Sybille een bezoek brengt aan de Onderwereld, is
bijzonder omdat Aeneas daar een blik in de toekomst
vergund wordt, een toekomst die voor Vergilius
heden was en waarin hij zijn keizer flink ophemelde: 'Ziedaar dus de
Romeinen, jouw volk, en zie hun grote keizer, de goddelijke Augustus, die het
Romeinse Rijk zal uitbreiden tot buiten de jaarkring van de zon, tot voorbij
de sterren (...)'. Toch gaat het hanige
wapengekletter, dat de hele tweede helft van het boek in beslag neemt, op den
duur vervelen. Dat ligt niet aan Paul Biegel, maar
aan de cultuurkloof met de Romein Vergilius (70-19
v. Chr.), die nu eenmaal vanuit zijn patriarchale tijdgeest schreef. De teleurstelling
betreft ook het verhaal zelf, dat wel iets weg heeft van de Odysseia van Homeros (8-ste eeuw voor Chr.), aan wie Vergilius veel ontleende, maar dat minder esprit en meer
Romeins chauvinisme bevat. Aeneas is ook een meer rechttoe-rechtaan karakter dan Odysseus:
hij mist diens slimheid, vindingrijkheid en complexiteit. Wat wel aan Biegel ligt, is dat zijn navertelling
vergeleken met zijn vorige bewerking van een klassieker, 'Het beleg van Troje' (1995), naar Homeros'
Ilias, minder spettert en relativeert. Vreemd, want Biegel
wist in de Brandaanmythe 'Anderland'
(1991) als geen ander een oud verhaal nieuw leven in te blazen. De op zich knappe
illustraties van Fiel van der Veen spreken elkaar
stilistisch tegen. Van der Veen is op zijn best waar hij de klassieke helden
laat ontsnappen uit de scherven van vazen, borden en reliëfs waarop ze zijn
afgebeeld. Dan is het alsof de mythe ze vanuit de beeldende kunst tot leven
roept, vleugels geeft. Maar andere prenten hebben het angstvallig
realistische dat de personages verstart tot dode etalagepoppen. Toch is 'De zwerftochten van Aeneas'
binnen het geheel aan recente jeugdliteratuur over klassieke mythologie
belangrijk, vooral als link van de Griekse naar de Romeinse cultuur. Binnen
dat geheel springen de laatste tien jaar zes auteurs eruit. Veruit de
belangrijkste is Imme Dros, vooral vanwege haar verschillende
benaderingen van de Odysseia, die haar twee
Zilveren Griffels opleverden: voor 'Reizen van de slimme man' (1988), en voor
'Odysseus, een man van verhalen' (1994), een
bewerking die fonkelt van levendigheid en humor. Ook maakte ze een veelbesproken
integrale vertaling van de Odyssee. En sinds enkele jaren werkt ze aan andere
delen van de Griekse mythologie, zo mogelijk in
hexameters. Zo zal in augustus haar versie van de Ilias verschijnen. Qua literaire kracht
vergelijkbaar met Imme Dros' 'Odysseus, een man van verhalen' zijn de twee door Nicolaas Matsier in overstelpend rijk Nederlands
vertaalde herscheppingen van Leon Garfield en Edward Blishen over respectievelijke Griekse goden en helden:
'De god beneden de zee' (1995) en 'Slangen in de kinderkamer' (1997). Het
plat geschreven, maar populaire 'De vloek van Polyfemos'
(1994) van Evert Hartman en het informatieve 'De
tocht van de Argonauten' (1995) van Simone Kramer vergen veel minder leeservaring, maar
bieden ook minder taalgenot. Paul Biegel zit met
zijn twee bewerkingen, van Homeros' Ilias en Vergilius'
Aeneïs tussen beide uitersten in: vooral in de
laatste laat hij het metrum van de hexameter vallen, maar hij doet de
oorspronkelijke stijl meer recht dan Hartman en Kramer. |
|
.