Schrijver Biegel, Paul
Titel Anderland : een Brandaan mythe
Jaar van uitgave 1990
Bron NRC Handelsblad
Publicatiedatum
08-03-1991Recensent Bregje Boonstra
Recensietitel Gajij de golven eens tellen : Paul Biegel over Sinterklaas,
Voor het boek Anderland kreeg Paul Biegel deze week de Libris Woutertje Pieterse Prijs, de grootste kinderboekenprijs van Nederland. Of hij een jeugdboek heeft geschreven is de vraag. "Ik beklaag de zielepoten, die straks een onbegrijpelijk boek cadeau krijgen omdat het bekroond is." Het boek gaat over Brandaan, een Keltische held die een grote zeetocht maakt. Biegel zag scheepsmasten in de Amsterdamse haven en dacht: "ja, dat wil je dan. Aan boord en mee." Gedurende de dertig jaar waarin Paul Biegel (1 925) boeken voor kinderen schrijft is zijn oeuvre uitgegroeid tot meer dan veertig titels. Naast de pretentieloze, avondurenserie van De kleine kapitein staan de sprankelende bewerking van Reinaart de Vos en het ingenieus gecomponeerde meesterwerk De tuinen van Doff.
Biegels wereld is die van het sprookje, met een op te lossen raadsel, een niet zo voor de hand liggende, scharminkelige held en de eeuwig te strijden strijd tussen Goed en Kwaad. Zijn taal is rijk aan beelden, sfeer en kleur, aan grapjes, malle versjes en wonderlijke, nooit eerder gehoorde woorden. Aan de vele bekroningen, waaronder de Staatsprijs voor Jeugdliteratuur zag Biegel afgelopen woensdag de Libris Woutertje Pieterseprijs toegevoegd, voor zijn visie op de Brandaanvertellingen, getiteld Anderland. In zijn lichte kamer aan een Amsterdamse gracht prat de schrijver over zijn werk, nu eens met van bezieling overslaande ste@ dan weer mompelend en vol aarzeling: "Ik weet echt niet waarom ik dat doe." Op tafel ligt Multatuli's Woutertje Pieterse: "Voor zo'n prijs moet je tochje geheugen een beetje opfrissen." Jaren geleden vroeg mijn uitgever Rolf van Ulzen of ik niet eens wat met Brandaan wilde doen, zoals ik eerder Reinaart opnieuw verteld had voorjongeren. In de berijming van Bertus Aaijes vond ik het een behoorlijk wild avonturenverhaal, zonder opbouw en met vreselijk veel Christendom, engelen en verdoemden erin. Dat trok me niet zo, maar ik wilde toch kijken wat er nog meer over was. Zo belandde ik bij veel oudere, heidense versies. Ik kwam in aanraking met de geschiedenis van de Kelten en raakte steeds meer geboeid. Ierland is nooit bezet geweest door de Romeinen, waardoor die Kelten nogal zichzelf zijn gebleven. Pas in de vijfde eeuw kwam het Christendom en dat leidde tot een wonderlijke mengvorm met het Keltendom. In een versie die dateert uit die overgangstijd naar het Christendom wordt Brandaans motief voor de hele onderneming aldus beschreven. Er is een soort stamhoofd, zo'n kerel die de hele dag tadeplop-tadeplop op zijn paard rondstromt. Die ziet een abdis de klok luiden, een lekker wijf, dus hij pakt haar meteen, in het gras. Zij zegt nog: nu niet. Helemaal niet omdat het onkuis is of tegen de regels, maar het moment is niet zo goed gekozen. Maar hop, vooruit - en het kind dat daarvan komt heet Brandaan. Later wordt die vader vermoord en moet Brandaan dat gaan wreken. Prachtig toch. "De restanten van de heidense versies vond ik veel mooier en poetischer dan de Christelijke. Brandaan is daar altijd de man die gedreven wordt door het eeuwige verlangen om aan de andere kant van de zee te zijn, in 'the Other World'. Anderland heb ik het genoemd. Dat leek mij het
meest essentiële, het meest 'oer' in deze geschiedenis. En de reden dat die kerels gingen is natuurlijk zucht naar avontuur. Ik herinner me Sail Amsterdam.
Daar liep ik heen en toen zag ik boven de bomen die masten met al die rgs uitsteken. En ineens begreep ik: ja, dat wil je dan.
Aan boord en mee." "De lerse historicus Tim Severin heeft de toch met drie maten nagevaren, in een houten, met leer bespannen boot. In twee seizoenen is het hun gelukt op wind en stroming van Ierland via IJsland en Groenland in Newfoundland te komen. En elke keer stuitten ze op een natuurlijk fenomeen, waar je de grote fantasieën uit Brandaan op terug kunt voeren. In de buurt van de Faeroer voeren ze langs een eiland met een enonne hoeveelheid vogels en verderop lag er eentje barstensvol schapen. En bij de stroom lava die op IJsland in zee strot kun je je heel goed duivels voorstellen die met vuur gooien.
"Toen had ik het idee wel in m'n hoofd: een man die zee kiest, per ongeluk in Amerika terecht komt er bij terugkomst vertelt.
Nuchter, als zo'n echte zeebonk, waar weinig uitkomt. En daar tegenover de toehoorders die er hun eigen verhaal van maken.
Aanvankelijk had ik vier verschillende karakters voor ogen, die op hun eigen manier weergaven wat ze te horen hadden gekregen en dat dan generaties zo door. Dat heb ik niet voor elkaar gekregen.
"Ik heb ook lang zitten hannesen met het begin. Brandaan moet als laatst overgeblevene van zijn bemanning aanspoelen, meer dood dan levend. Maar hoe vertel je dat? In mijn geest stond ik op het duin en tuurde naar de branding. Op zo'n moment denk je soms: wat is dat daar? Een stuk hou@ een meeuw, een drenkeling? En opeens stond die jongen daar, Malle, die er op uitgestuurd is om de golven te tellen. En ik zag ook een huis vol kerels, die hem pesten omdat hij een beetje getikt is. Misschien is het een vroege kloostergemeenschap. Ik heb maar wat zitten verzinnen, maar ik had het beeld van mannen onder elkaar. Misschien vonden ze het alleen maar heerlijk om even weg te zijn van 'moeder thuis'. Voor iedere historicus die me er op aanvalt buig ik nederig het hoofd.
"Ik weet werkelijk niet waar zo'n figuur vandaan komt. Toen ik nog op school zat las ik eens een interview met Grahwn Greene.
Die zei: in al mijn boeken zit een figuur die niet tot leven komt, omdat hij nooit iets onverwachts doet. Toen dacht ik, onzin. Als schrijver heb je je figuren als 'puppets on a string'.
Maar dat is niet waar. Er is een bepaald soort tot leven komen dat buiten de schrijver om gaat. De scene zit in mijn kop. Die beoordeel ik niet, want dat is niet mijn afdeling. Ik ben alleen maar een buis. Ik moet het goed doorgeven en er geen flauwe kul mee uithalen.
"Een verhaal bedenken is geen kunst. Dat zeg ik ook altijd tegen kinderen, die klagen over opstellen. Kind, er is ffikt aan. Je koopt naar school en er springt een poes de weg over. Dan hoef je je maar twee dingen af te vragen: waar komt-ie vandaan en waar gaat-ie naar toe? Hij is geschrokken omdat er een piano van het balkon viel en dan kin je eindeloos over die piano doorgaan. Of er is een oude mevrouw die hem elke dag melk geeft en daar holt hij naartoe. Waarom doet die vrouw dat? Haar man is al twintig jaar dood en haar zoon doet nooit een mond open, enzovoort. Als ik dat niet aan de teugels houd, komt de hele wereld in beweging. Wanneer ik schrijf moet ik paardrijden, mooi en stijlvol. Per woord moet het raak zijn, anders gooien kinderen het weg. En daar helpt de televisie bij. Als je niet verdomd goed schrijft zitten ze aan de buis. Voor mij is schrijven een ambacht, als dat van kleennaker. Je hebt de maat genomen, bijvoorbeeld dertig regels van vijftien woorden voor Donald Duck, en nou een verhaal. Die techniek heb ik als stripschrijver bij Toonder geleerd. De tekeningen waren dan klaar. Je kreeg de lengte op wat er ging gebeuren. Wanneer je het eindelijk om half elf 's avonds af had zei 'opperschrijver' Lo Hertog van Banda dat er iets mis was met een spanningspunt en dat alles over moest! Als je zo gesard wordt en je blijft volhouden, dan mag je wel zeggen dat het schrijven in je zit." Uw verhalen worden bevolkt door dieren, rovers, kabouters, heksen en prinsessen.
"Met gewone mensen en dingen heb ik geen affiniteit, tenn-finste niet als schrijver. Een verhaal komt dan niet van de grond, blijft plat liggen. Als jongetje smulde ik van Grimm, meer dan van Kruimeltje, hoe prachtig ik dat ook vond. Grimm had iets geheimzinnigs, iets bovennatuurlijks. Het niet meetbare, niet analyseerbare boeit me het meeste. Waarom staat in Van Dale het woord kabouter? Wat is Sinterklaas? Een hele stad met politicafzetting, wat duizenden guldens kost. Een verklede man op een paard en allemaal roepen we: Sinterklaas! Vroeger moest ik voor n-djn kinderen de Goedheiligman spelen. Wanneer ik thuis kwam zette ik zdn diepe stem op: ben jij braaf geweest? En op mijn vraag waar haar vader was, zei dat kind van drie jaar volstrekt serieus: oh, pappie os even weg. Het ernstig nemen van het fysiek niet reele - de conducteur met de pet op is natuurlijk niet Jan.
Wat is dat?" Verbeeldingskracht.
"Natuurlijk, we hebben er wel woorden voor, maar we weten niet wat het echt is. Daar schrijf ik dus liever over dan over een driehoeksverhouding en een ongelukláge vrouw. Dat zie je dagelijks omje heen, maar als schrijver kun je veel meer." De jongen in uw Brandaanverhaal wordt niet opgevoerd om het boek voor kinderen geschikt te maken? "Ik heb geen moment een kinderboek willen schrijven en ik beklaag de zielepoten, die straks een onbegrijpelijk boek cadeau krijgen omdat het bekroond is. Misschien is het geschikt vanaf een jaar of veertien. En uiteindelijk weet je het nooit bij kinderen. Ooit nam ik mijn zoon mee naar Artis en welk dier vond hij het mooiste? De missen, toen we een kopje koffie zaten te drinken. Dat is voor mij de essentie van kind zijn. Je moet ze wel meenemen naar Artis, maar je moet niet denken dat ze er dat uithalen waar jij ze op wijst." U heeft zelf vastgesteld dat Anderland geen kinderboek werd. Dat betekent dat u zich bewust bent van een grens waarje over gaat of achter blijft.
"Die wordt misschien bepaald door war je bij je lezers bekend kunt veronderstellen. In de beschaving van hoe die vrouwen komen aanzetten (voor een grote gemeensthappelijke vrijpartij B.B.) veronderstel ik een bepaalde bekendheid met de spanning tussen de seksen. Voor kinderen zou ik dat niet uit de weg zijn gegaan, maar anders hebben opgeschreven. In een boek voor jonge kinderen gebruik ik met opzet het woord trouwen als ik neuken bedoel. Dat zal wel ouderwets zijn. Ik denk dat ze wel het woord kennen, maar niet het begrip.
Maar wie bepaalt de aard van uw boek: de uitgever die er een code bestemd voor romans opprikt of de jury die er een kinderboekenprijs aan toekent? "Ik heb lang geprobeerd een echte schrijver te worden. Dat is me niet gelukt, tot er een sprookje uit m'n pen kwam. Daar heb ik er tien van gemaakt en zonder succes naar allerlei uitgevers gestuurd. Uitgeverij Holland wilde ze wel, maar
zei: wat u schrijft is voor kinderen. Toen heb ik me dat voor het eerst gerealiseerd. Toch houd ik
niet voortdurend rekening met mijn lezers. Een boek waar alleen maar het bekende in staat kan
niet boeien. Kinderen doen niet anders dan reiken, want de aard van het kind is niet het klein
zijn, maar het groot worden. Niet weten is altijd nog niet weten." En bent u nu een echte schrijver geworden? "Nee, dat vind ik meer iemand als Harry Mulisch en Jan Wolkers, die zich bezig houden met dingen van het grote leven." Zij schrijven voor volwassenen, u schrijft voor kinderen.
"Zij schrijven over het werkelijke leven, ik schrijf over het gefantaseerde. Ik geniet van mijn vak, maar kan wat ik doe niet zozeer verbinden aan de betekenis van het woord schrijver, die daar in de maatschappij aan wordt gegeven." Toch een reservaatpositie, kinderboekenschrijver. "Het gaat om het reservaat van de fantasieschrijver . Mijn soort fantasie, dat altijd weer aan kinderen wordt toegedacht, terwijl ik stilletjes denk dat een heleboel volwassenen het ook graag zouden lezen. In jullie krant is zo'n rubriekje met citaten uit proefschriften. Daar las ik onlangs: In menig kinderboek staat meer wijsheid dan in romans voor volwassenen. Dat vond ik wel een mooie stelling."