| Schrijver |
Bernlef, J. |
| Titel |
Losse pols, De : essays |
| Jaar van uitgave |
1998 |
| Bron |
De Standaard |
| Publicatiedatum |
09-04-1998 |
| Recensent |
Jeroen Vullings |
| Recensietitel |
Op onbekend terrein |
Zijn essayboeken beschouwt J. Bernlef als vermomde
autobiografieën, waarin hij veel meer van zichzelf prijsgeeft dan in zijn
romans, verhalen en gedichten. Maar voor privé-ontboezemingen zijn we bij hem
aan het verkeerde adres. Persoonlijke informatie is in zijn onderkoelde stukken
altijd streng gerelateerd aan het werk. Slechts één keer zien we een glimp van -
zoals dat in de softe sector heet - Bernlef als mens. In 'Gedachten rond het
realisme' vertelt hij dat hij na de publicatie van zijn bestseller
Hersenschimmen (1984) met het grote publiek in aanraking kwam. Opeens waren de
zalen bij lezingen afgeladen en tot Bernlefs verbijstering werd zijn roman over
dementie niet als een product van de verbeelding beschouwd. De vragen waren
navenant. Hoe had hij in hemelsnaam zijn dementerende hoofdpersoon 'van
binnenuit' kunnen beschrijven? Komt het boek zo levensecht over omdat de auteur
misschien zelf enige tijd dement is geweest? Of zou hij in een vorig leven aan
de ziekte van Alzheimer zijn overleden? Op vermoeide toon gaat Bernlef serieus
op iedere vraag in, maar zijn gedachte hierbij laat zich raden: heb je na een
klein boekenkastje volgeschreven te hebben eens een keer succes, krijg je dit
gesodemieter. Iets van die ergernis over het onbegrip aangaande zijn soort
literatuur en zijn literatuuropvatting zal een rol hebben gespeeld bij het
ontstaan van de negen beschouwingen tellende nieuwe bundel. Ik stel voor om De
losse pols tezamen met eerdere essaybundels als Op het noorden (1987),
Ontroeringen (1991) en Schiet niet op de pianist. Over jazz (1993) als één boek
te beschouwen. De aldus bijeengebrachte visies op kunst vormen immers een
continuing theoretische pendant en verantwoording van zijn roman- en
verhalenpraktijk en een aantal namen en kwesties keert geregeld terug: van de
prozaïst A. Alberts tot het vraagstuk van het realisme. Maar ook tussen
beschouwing en creatief proza is de scheidslijn slechts op formele gronden te
trekken. In zijn laatste verhalenbundel Cellojaren (1995) verkent Bernlef het
schemergebied tussen kunst en psychiatrie, al gaat het in zijn werk primair om
het kijken, liefst buiten het bewustzijn om. Wat dat betreft bevat Ontroeringen
een sleutelpassage: "Soms, als ik een kamer verlaat, kijk ik op de drempel nog
snel even om. Wat probeer ik dan met mijn blik te vangen? Hoe de kamer eruitziet
buiten mijn bewustzijn, buiten mijn waarneming om. Het is een onderneming die
natuurlijk tot mislukken gedoemd is, maar die mij toch de illusie geeft in een
flits iets gezien te hebben, uit een ooghoek: de wereld zonder mij." In een fors
aantal, in de goede zin van het woord demonstratieve verhalen in Cellojaren
staat het waarnemen door beeldend kunstenaars centraal: onder anderen Francis
Bacon, Lucian Freud, Pierre Bonnard, Rik Wouters, Alberto Giacometti en Edward
Hopper. Die belangstelling voor verscheidene kunstdisciplines uitte zich al in
de eerdere essaybundels en nu wederom in De losse pols. Bernlef schrijft daarin
onder meer over de schilderijen van Hans Giesen, de films van John Cassavetes,
de foto's van Robert Frank, over Beckett, poëzie, literatuur en waanzin,
krankzinnigheid in de boeken van Nabokov, de Zweedse schrijver Per Olof Sundman,
over de grenzen van spontaniteit en intuïtie en over realisme. Vooral het
realisme blijkt - nog altijd - een heet hangijzer. Al in zijn geruchtmakende
Brandende Kwestie-lezing (opgenomen in Ontroeringen) verdedigde hij de poëzie
tegen het juk van het realisme en ook uit het verhaalde wedervaren van de
protagonist in de robinsonade Verloren zoon (1997) is op te maken dat hij
ongezouten kritiek heeft op Defoes Robinson Crusoe. Zijn verwijt aan deze
"naargeestig realistische roman, doorspekt met praktische wenken en vol
moralistische bespiegelingen" betreft juist een gebrek aan realisme, ten gunste
van romantische beschrijvingen. Hoe zit het, is Bernlef nu wel of niet
geporteerd voor het realisme? Natuurlijk is het een definitiekwestie. Bernlefs
werk heeft duidelijk niets uit te staan met het negentiende-eeuwse realisme of
het anekdotisch realisme uit de jaren zeventig. In zijn oeuvre stelt hij
voortdurend het begrip "werkelijkheid" ter discussie door de menselijke illusie
te tonen om greep op of inzicht in de realiteit te krijgen - ieder zijn eigen
hersenschim. Ik denk dat wat Bernlef betracht, eerder nog in verband staat met
de readymades die in het tijdschrift Barbarber (1958-1971) onder zijn auspiciën
tot kunst werden verheven - het krantenbericht als kant-en-klaar gedicht. In
vrijwel al zijn literaire uitingen speelt iets conceptueels: Bernlef gaat uit
van een idee over de mens in zijn eenzame, irrationele moment en "onderzoekt"
dit vervolgens per verhaal, roman of gedicht. De psychologie is daarbij geen
factor, maar niettemin lijkt Bernlef door zijn interesse in de randen van het
bewustzijn wel op haar onontgonnen, arctisch terrein te komen. Daarbij moeten we
niet denken aan de uitingen van psychisch gestoorden, want na een tweetal
explorerende essays over de relatie tussen waanzin en literatuur concludeert
hij: "De wereld van het waandenken wordt geregeerd door een meedogenloze
systematiek waarin geen plaats is voor de vrijheid van de verbeelding, voor
toeval en intuïtie, kortom: voor de kunst." Eerder gaat het hem om de activiteit
van het denken dat, zolang het niet hardop gebeurt, hoorbaar noch zichtbaar is.
"Je weet dat het daarbinnen bij mensen onafgebroken wemelt van de onuitgesproken
gedachten. [...] De populariteit van wat wij nu de psychologische roman noemen
is op die nieuwsgierigheid gebaseerd. En op de ontdekking dat je die verzwegen
binnenwereld van een mens naar buiten kunt brengen. Veel van de grote
twintigste-eeuwse romans zijn romans van het hoorbaar gemaakte denken." In het
laatste hoofdstuk van Mimesis. De weergave van de werkelijkheid in de westerse
literatuur (1946) rekent Erich Auerbach de doorgaans als modernist bestempelde
Virginia Woolf tot het realisme, voornamelijk op grond van haar artistieke
intentie bij het gebruik van een stijlvorm als de innerlijke monoloog in To the
Lighthouse. Haar realistische voorgangers als Balzac en Dickens hadden, al dan
niet op de achtergrond, als objectieve, sturende instanties nog de zekerheid
omtrent de toestand van hun personages in pacht. Maar Woolf kiest ervoor ze door
hun wisseling van indrukken binnen de bewustzijnssstroom te laten voortdrijven;
daarmee stelt ze zich op hetzelfde (onwetende) plan als haar personages en
lezers. Met gebruikmaking van identieke argumenten zou Hersenschimmen een
realistische roman kunnen worden genoemd en Bernlef een realist. Dat is niet in
tegenspraak met zijn bezwaren tegen het realisme. "Het is niet zozeer het
realisme als literair genre dat ik verwerp, als wel een literatuurbeschouwing,
die in haar uiterste consequentie repressief en atavistisch is en in sommige
gevallen zelfs een regelrechte bedreiging voor literatuur en de schrijvers ervan
kan vormen. Ondanks het feit dat Johannes hier heel duidelijk is ('In den
beginne was het Woord'), lijkt het impliciete literatuurbeschouwing van
lezerspubliek, veel critici en het literatuuronderwijs niet uit te gaan van de
soevereiniteit van de taal, maar juist van haar afhankelijkheid van de
werkelijkheid." Maar schrijvers zijn géén mensen die eerst iets hebben
meegemaakt en dat daarna aan het papier toevertrouwen, hamert Bernlef. En
schrijver en hoofdpersoon zijn niet inwisselbaar. De publieksvoorkeur voor het
realisme wijt hij aan de culturele erfenis, die stevig ingebed ligt in het
calvinisme. De Bijbel - Gods woord - moest nu eenmaal eeuwenlang letterlijk
worden genomen. Hij acht dit concept van het eenduidige woord nauw verbonden met
de realistische literatuurbeschouwing en vanuit die religieuze achtergrond
verklaart hij haar onverdraagzaamheid en haar afkeer van ambiguïteit. "Alle
schetsen willen worden gerealiseerd", luidt het aan de dichter Tomas Tranströmer
ontleende motto van De losse pols. In zijn prikkelende essays pleit Bernlef voor
een verscherpt gebruik van de zintuigen, voor het vluchtige en voorlopige, voor
een waaier aan mogelijkheden zonder tot een definitieve keuze te komen, voor
improviseren als in jazzmuziek, voor een ongebreidelde zwerm aan connotaties.
Want alleen dat doet recht aan het immer bewegelijke menselijke brein. Ex
cathedra formuleert hij ten behoeve van de schrijver een taakomschrijving die
leest als een op maat gesneden contactadvertentie voor niemand minder dan
zichzelf: "Literatuur is voor hem in de eerste plaats een exploratie van
mogelijke werelden door middel van individueel taalgebruik. Hij mikt niet alleen
op het vermogen van de lezer iets te herkennen, maar vooral op diens bereidheid
hem te volgen op onbekend terrein; op diens nieuwsgierigheid en zucht naar
avontuur. Niet om het nieuwe op zichzelf, maar omdat hij de literaire
verbeelding zo totaal mogelijk wil benutten. De tekst is niet alleen letterlijk,
een eenduidige afbeelding van werkelijke gebeurtenissen of gebeurtenissen met
een hoog werkelijkheidsgehalte, maar meerduidig, meer suggererend dan
expliciterend. De schrijver kiest, logischerwijze, voor een zo groot mogelijke
vrijheid en variatie binnen het medium dat hij hanteert. Zelfs als hij dat
medium daarvoor moet ontregelen."