Schrijver Bernlef, J.

Titel Eclips

Jaar van uitgave 1993

De Groene Amsterdammer

Publicatiedatum 10-03-1993

Recensent Anthony Mertens

Recensietitel Lekkages : als de linkerhelft uitvalt

 

 

Wat een vreemde indruk maakte mevrouw S. op de verpleegsters van het ziekenhuis waar zij werd behandeld. Wanneer zij zich opmaakte, leek ze uitsluitend aandacht te hebben voor de rechterhelft van het gelaat. Op de linkerhelft was geen spoortje lipstick of rouge te vinden Wanneer de verpleegsters haar vroegen waarom zij haar gezicht maar voor de helft opmaakte, werd ze verdrietig omdat ze dacht dat ze werd uitgelachen. Zij kon op haar beurt het ziekenhuispersoneel niet begrijpen. 'Ik kijk in de spiegel', zei ze, 'en maak alles op wat ik zie.'

 

 

Patiënte S. was een intelligente vrouw van een jaar of zestig - Ze had een ernstige beroerte gehad die de diepere en achterste delen van haar rechterhersenhelft had aan getast. Het gevolg daarvan was dat mevrouw S. strategieën moest ontwikkelen om haar onvolledige waarnemingsvermogen te corrigeren. Ze kon niet rechtstreeks naar links kijken, ze kon niet naar links draaien, wat zich links in haar blikveld bevond kon ze niet meer zien, dus draalde ze zich rechtsom en nog eens rechtsom, in een cirkel. Oliver Sacks beschrijft het gebrek van mevrouw S. in zijn beroemde boek De man die zijn vrouw voor een hoed hield, in het eerste deel waar hij zich bezighoudt met het neurologische verschijnsel van de'uitval'. Wat hem fascineert zijn de verschijnselen die optreden wanneer de functies van spraak, taal, geheugen, zien en behendigheid verstoord zijn geraakt. In zijn boeken beperkt Sacks zich niet tot een medisch-technische blik op neurologische afwijkingen, zijn fascinatie wordt gevoed door kwesties die ook in de filosofie en de literatuur van het grootste belang zijn. De verschijnselen die hij bestudeert, roepen algemene vragen op naar de wijze waarop we waarnemen, de wijze waarop ons geheugen werkt, naar de werking van het bewustzijn in het algemeen. Meer dan eens roept Sacks in zijn boeken literatoren (van Auden tot Beckett) als getuigen op voor de noties die hij tijdens zijn klinische observaties heeft ontwikkeld. In de literatuur kon hij legio voorbeelden vinden van intuïtieve kennis over de afgronden die zich openen wanneer de aandacht wordt gericht op de bronnen van onze voorstellingswereld.

 

 

De romans van Bemlef hebben hetzelfde type vragen tot onderwerp. In Hersenschimmen (1986) leidde de schrijver ons naar het verijsde landschap aan de kust boven Boston, waar Maarten Klein geleidelijk aan merkt dat zijn geheugen begint te haperen. Ffij kan niet meer op de woorden komen voor de dingen. Ten slotte lijkt zijn wereld te verbrokkelen tot directe observaties waaraan elk (historisch) perspectief ontbreekt. Deze hacheli ke situatie, waarin het bewustzijn lijkt op te lossen in lichamelijke gewaarwordingen, stond ook centraal in de prachtige novelle Vallende ster ( 1989). Nu, met Eclips, lijkt er zoiets als een drieluik te zi n ontstaan in het inmiddels gigantische oeuvre van Bernlef. Het proces dat hij in deze roman beschrijft, voltrekt

zich in omgekeerde richting: niet zoals in Hersenschimmen volgen we een personage wiens wereld langzamerhand afbrokkelt, maar een held die geleidelijk aan weer tot zijn positieven komt. De held in de nieuwe roman van Bemlef krijgt met dezelfde ultvalsverschijnselen te maken als de patiënte S. uit het boek van Sacks. Dat wordt al meteen duidelijk in de eerste regels van de roman: 'Ik moet naar rechts, van de weg af. Omdat de linkerkant van de wereld verdwenen is, plotseling weg. Daarom moet ik wel naar rechts, de kaarsrechte vaart In.' We kregen het verhaal te lezen van Kees Zomer, uitgever, die op weg naar een oudvertegenwoordiger van zijn zaak door een attaque wordt getroffen en met zijn auto in het water terechtkomt. Met de allergrootste moeite weet hij zich naar de kant te slepen om daar tot de onrustbarende ontdekláng te komen dat hij geen enkel gevoel meer heeft aan de linkerkant van zijn lichaam: 'er is daar niets meer- geen wereld maar ook geen lichaam'. Zijn linkerhelft leek 'gewnputeerd', onttrok zich aan zijn waarneming. Eclips brengt het verslag van een innerlijke ervaring, de geestesgesteldheid van iemand die de vreemde gewaarwording heeft dat een deel van zijn lichaam niet meer eigen is. Ifij ervaart allereerst een verstoring van de persoonlijke ruimte, zijn geheugen functioneert niet meer zoals het behoort. Hij is zijn vermogen de taal te beheersen kwijtgeraakt. Wat we te lezen krijgen, is de verwoording van een verbijsterd besef van de verstoring van identiteit: die beperkt zich tot de rechterkant van het lichaam. Gedurende een week zit Kees Zomer in deze verwarrende toestand opgesloten. Langzaamaan herstellen zich de functies, geactiveerd door het gehoor (muziek roept de licharnellike herinnering van de linkerkant weer op) en de tastzin. Aan het eind van die week wordt hij niet langer vermist en keert hij naar huls terug, maar hij zal de wereld niet meer zien zoals voor de attaque. Sacks heeft in zijn studies meerdere malen teruggegrepen op de theorie van Gerald Edelman die een onderscheid maakt tussen een primair en een hoger bewustzijn. Volgens Edelman ontstaat het bewustzijn uit de categorisering van waarneming, heriimering, lering en het onderscheid tussen het ik en het niet-ik. Uit dit primaire bewustzijn ontstaat een bewustzijn van hoger orde met het vermogen van de taal, het begrip en het denken. Dit onderscheid vinden we ook terug in de roman van Bernlef, waarin de functies van het primaire bewustzijn (geheugen, identiteit en ruimte) verstoord zijn geraakt maar het hogere bewustzijn Intact is en deze lekkages probeert te begrijpen. Terwijl de buitenwereld nauwelijks kan begrijpen wat er zich in Kees Zomer voltrekt, krijgen wij als lezers het verhaal van binnenuit te lezen, het besef van de onvolkomen waarneming die een wereld zonder ruimte en tijd inhoudt. Het hogere bewustzijn probeert de afwezigheid van functies te begrijpen, maar kan dat alleen maar in de vorm van een concept: 'afwezigheid'. 'Maar eigenlijk drukt dat woord niets uit. Het beschrijft iets dat per definitie onvoorstelbaar is. Zoiets als je eigen dood.'

 

 

Om dit besef van afwezigheid voorstelbaar te maken bedienen de schrijver en zijn personage zich van vergelijkingen. Meermalen herinnert Kees Zomer zich een soortgelijke ervaring als hij na lange schaatstochten halfbevroren thuis kwam en hij de verijsde ledematen bij de kachel weer voelde tintelen. De tintelingen herinneren hem aan een besef van afwezigheid. De afasie, waardoor hi niet meer de namen voor de dingen weet, vergelijkt hij met de verbroken verbindingen in het Electro-spel waar zijn zoon vroeger mee speelde. Zijn omgang met de dingen in die verbijsterende toestand vergelijkt hij met de manier waarop een morgenster in alle vroegte de vuilnisbelt afgraast op zoek naar bruikbare voorwerpen die eerder voor iets anders dienst hebben gedaan. Zo nadrukkelijk zijn de vergelijkingen in het boek overigens niet, de schrijver brengt ze heel subtiel onder de aandacht. Wat ik van Bemlef telkens weer knap vind, is dat hij op zo'n sobere manier een beeld weet te geven van een verbijsterd bewustzijn waarin de voorstelling van de wereld in het ongerede is geraakt. Ook in deze roman weet Bemlef treffend de vaak mistastende poging gen van het bewustzijn om de werkeli kheid (weer) in de greep te krijgen, onder woorden te brengen.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1